Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4312

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
AMS 26/2074
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens onvoldoende spoedeisend belang

Verzoekster heeft een urgentieverklaring aangevraagd vanwege vocht en schimmel in haar woning en gezondheidsklachten van haar driejarige zoon. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees dit verzoek op 26 maart 2026 af. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er onvoldoende spoedeisend belang is aangetoond. Er is een hoorzitting gepland op 22 april 2026 waarna binnen zes weken een beslissing op bezwaar volgt. Het medische rapport vermeldt luchtwegklachten en een vergrote infectiedruk, maar er is onvoldoende onderbouwing dat dit verband houdt met de huisvestingssituatie.

Daarnaast is er geen sprake van een evident onrechtmatig besluit. De aard van de zaak en summiere bezwaarschriften maken toewijzing van een voorlopige voorziening niet aannemelijk. Het verkrijgen van een urgentieverklaring leidt bovendien niet direct tot een andere woning. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een urgentieverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/2074

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2026 afgewezen.
2. Verzoekster heeft hiertegen op 13 april 2026 bezwaar gemaakt en op diezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen waarbij haar een urgentieverklaring wordt verstrekt.
3. Verweerder heeft op 15 april 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb [1] kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Onverwijlde spoed wil zeggen dat er onomkeerbare gevolgen kunnen intreden waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
6. Verzoekster heeft een urgentieverklaring gevraagd op medische gronden vanwege de aanwezigheid van vocht en schimmel in haar huidige woning en de negatieve effecten die dat heeft op de gezondheid van haar (inmiddels) driejarige zoon. Er is door de afwijzing van haar aanvraag volgens verzoekster sprake van een noodsituatie.
7. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de zorgen die verzoekster heeft over de gezondheid van haar zoon. Zij is echter van oordeel dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een spoedeisend belang. Daarvoor is van belang dat uit het dossier volgt dat er op 22 april 2026 een hoorzitting is gepland waarna verweerder in beginsel binnen zes weken een beslissing op bezwaar zal nemen. Van onomkeerbare gevolgen die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht, is niet gebleken. Het medische bericht van OLVG Oost van 7 april 2026 geeft er weliswaar blijk van dat verzoeksters zoon onder meer kampt met luchtwegklachten, maar daaruit volgt onvoldoende dat dit in relatie staat tot het huisvestingsprobleem. Dat in die brief staat dat sprake is van een vergrote infectiedruk thuis, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om die relatie op dit moment aan te nemen.
8. De voorzieningenrechter is bovendien van oordeel dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter nog dat de aard van de zaak, het verkrijgen van een urgentieverklaring, zich hangende de bezwaarfase niet snel leent voor toewijzing van een voorlopige voorziening. Een dergelijke voorziening zou alleen kunnen worden getroffen als er nagenoeg geen twijfel is dat verweerder de urgentieverklaring aan verzoekster had moeten geven. De summiere gronden van bezwaar geven te weinig aanleiding om tot die conclusie te komen. Overigens betekent het
krijgen van een urgentieverklaring in Amsterdam ook niet dat daarmee direct een andere woning bemachtigd kan worden.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
De voorzieningenrechter is buitenstaat deze uitspraak mede te onderteken
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.