Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat door Polen is uitgevaardigd. De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB, dat is uitgevaardigd op 31 januari 2022. De opgeëiste persoon, geboren in Polen in 1992, is in Nederland ingeschreven en heeft verklaard dat hij de Poolse nationaliteit heeft. Tijdens de zitting op 8 januari 2026 was de opgeëiste persoon aanwezig, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, en een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat heeft geleid tot het vonnis in Polen, maar dat hij wel op de hoogte was van de zitting. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, omdat aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) is voldaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen weigeringsgronden zijn die zich verzetten tegen de overlevering. De opgeëiste persoon heeft niet aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, wat een vereiste is voor gelijkstelling met een Nederlander. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen bewijs is van een duurzame gezamenlijke huishouding met zijn vriendin of vriend, waardoor de overlevering is toegestaan.
De uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer als voorzitter, samen met mrs. E. de Rooij en L. Baroud, en is openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open, conform artikel 29, tweede lid, OLW.