ECLI:NL:RBAMS:2026:4349
Rechtbank Amsterdam
- Eerste en enige aanleg
- M. Scheeper
- M. Westerman
- C.M.S. Loven
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel wegens ontbreken vertaling
De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 april 2026 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse rechtbank van Mont-de-Marsan op 10 oktober 2025. De opgeëiste persoon, met Belgische nationaliteit en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, was aanwezig en bijgestaan door een advocaat en tolk.
De kern van het geschil betrof het ontbreken van een vertaling van het originele Franse EAB van 10 oktober 2025. De rechtbank beschikte alleen over een vertaling van een ander EAB van 7 maart 2026, die inhoudelijk verschilde van het originele EAB. De raadsman stelde dat dit verschil tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moest leiden, terwijl de officier van justitie betoogde dat de latere vertaling als aanvulling kon dienen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 2, vierde lid, van de Overleveringswet (OLW) het EAB vertaald moet zijn in een officiële taal van de uitvoerende lidstaat of een door die lidstaat aangewezen taal. Aangezien de Franse taal niet voldeed aan deze eis en er geen vertaling van het originele EAB was, kon de rechtbank het verzoek niet inhoudelijk beoordelen. Daarom verklaarde zij de officier van justitie niet-ontvankelijk en stelde zij vast dat de overleveringsdetentie was beëindigd.
De rechtbank zag geen reden om de zaak aan te houden voor het opvragen van een vertaling, mede omdat het Openbaar Ministerie twijfelde aan het bestaan daarvan en er een nieuw EAB met vertaling was uitgevaardigd. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een vereiste vertaling van het Europees aanhoudingsbevel.