Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4352

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
13-029511-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen handel harddrugs, mishandeling en vernieling met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder medeplegen van handel in cocaïne over een periode van april 2021 tot januari 2024, het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, mishandelingen en vernieling. De feiten zijn bewezen verklaard op basis van onder meer getapte telefoongesprekken, getuigenverklaringen en inbeslaggenomen middelen.

De handel in cocaïne werd samen met zijn zoon gepleegd, waarbij communicatie via een specifiek telefoonnummer werd getapt en geanalyseerd. Verdachte heeft bekend aan de handel in drugs deel te nemen, maar ontkende enkele mishandelingen. De rechtbank achtte het bewijs voldoende om ook deze mishandelingen bewezen te verklaren, met uitzondering van enkele onderdelen waarop verdachte werd vrijgesproken.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de betrokkenheid van de zoon, de schadelijke effecten van harddrugs en de overlast voor de samenleving. Tegelijkertijd werd meegewogen dat verdachte sinds enige tijd geen drugs meer gebruikt en zijn leven op orde heeft. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn en persoonlijke omstandigheden legde de rechtbank een gevangenisstraf van 140 dagen op, waarvan 119 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uur.

Daarnaast werden geldbedragen, weegschaal, plastic zakjes en verdovende middelen verbeurd verklaard en onttrokken aan het verkeer. De rechtbank bepaalde dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht en stelde een proeftijd van twee jaar vast voor de voorwaardelijke straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 140 dagen gevangenisstraf waarvan 119 voorwaardelijk en 240 uur taakstraf voor medeplegen handel harddrugs, mishandeling en vernieling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13-029511-24 (zaak A); 13-162560-22 (zaak B); 13-065190-23 (zaak C) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 30 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
16 april 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D.A. Alsemgeest, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlasteleggingen

In
zaak Ais aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1. handel in cocaïne in de periode van 28 juni 2022 tot en met 26 januari 2024 te De Kwakel en/of Aalsmeer en/of Kudelstaart;
2. voorhanden hebben van voorwerpen en gelden om de handel in cocaïne voor te bereiden of te bevorderen op 25 januari 2024 te De Kwakel.
In
zaak Bis aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1. medeplegen van handel in cocaïne in de periode van 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 te Kudelstaart;
2. opzettelijk aanwezig hebben van 0,4 gram cocaïne en/of 6 pillen MDMA op 29 juni 2022 te Kudelstaart;
3. medeplegen van mishandeling van [persoon 1] op 1 januari 2022 te Aalsmeer;
4. medeplegen van mishandeling van [persoon 2] op 1 januari 2022 te Aalsmeer.
In
zaak Cis aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1. vernieling van een lamp en/of glaswerk en/of een Playstation van [persoon 3] en/of
[persoon 4] op 4 maart 2023 te Kudelstaart;
2. opzettelijk aanwezig hebben van 1,95 gram cocaïne op 4 maart 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland;
3. mishandeling van [persoon 3] op 4 maart 2023 te Kudelstaart.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten.
Ten aanzien van het ten laste gelegde onder zaak A, feit 1 en zaak B, feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de gehele ten laste gelegde periode kan worden bewezen. Ook het medeplegen in zaak B, feit 1 kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. Wel heeft hij opgemerkt dat de periode waarin in zaak A, feit 1 is gedeald slechts ongeveer vijf maanden is geweest. Daarnaast heeft hij aangegeven dat bij de mishandeling van zaak C, feit 3 volgens verdachte geen sprake is geweest van slaan, maar enkel van duwen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht alle tenlastegelegde feiten, op een paar onderdelen na, bewezen. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.
3.3.1
Zaak B
Inleiding
Het onderzoek, genaamd Audax, is gestart naar aanleiding van een melding via Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA) op 5 januari 2022 dat er in de woning aan de [adres 2] al ruim vier jaar door verdachte en zijn zoon, [medeverdachte] , in drugs wordt gedeald. Voor drugsbestellingen wordt gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: [telefoonnummer] ). Op basis van deze melding en van eerdere, vergelijkbare MMA-meldingen uit 2019, zijn er in de periode van 21 oktober 2021 tot en met zaterdag 28 mei 2022 observaties verricht. Ook heeft de politie op 21 juni 2022 een zogenaamde pseudokoop gedaan, door via WhatsApp en Sms contact op te nemen met voornoemd telefoonnummer [telefoonnummer] .
In de periode tussen 29 maart 2022 en 3 april 2022 is dit telefoonnummer door de politie getapt. Volgens de getapte Sms-berichten worden afspraken gemaakt bij de gebruiker van [telefoonnummer] . Ook wordt er gevraagd of [telefoonnummer] kan bezorgen, er worden bestellingen geplaatst bij [telefoonnummer] en er worden geldbedragen genoemd.
Op 29 juni 2022 zijn verdachte en zijn zoon aangehouden en is de woning doorzocht, waarbij verdovende middelen in beslag zijn genomen. Daarnaast is ook de telefoon van verdachte in beslag genomen.
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij heeft gehandeld in cocaïne.
Feit 1
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 te Kudelstaart samen met een ander, namelijk zijn zoon (medeverdachte) cocaïne heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt. Ten aanzien van de bewezen geachte pleegperiode en het medeplegen overweegt de rechtbank als volgt.
Op de in beslag genomen telefoon van verdachte zijn veel berichten aangetroffen die wijzen op de handel in cocaïne. Deze berichten gaan terug tot 11 april 2021, wanneer verdachte een bericht verstuurt luidend: “
Kan je 1 bij [naam] in de bus doen.” De rechtbank stelt 11 april 2021 daarom vast als het begin van de pleegperiode.
Eveneens volgt uit de berichten uit de telefoon van verdachte dat hij het verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne afstemde met zijn zoon. Er wordt gesproken over bedragen, betalingen, hoeveelheden, ophalen daarvan of ergens neerleggen en het maken van afspraken voor ontmoetingen.
Verder verklaren getuigen [getuige 1] , [persoon 1] , [persoon 2] en [getuige 2] over de samenwerking tussen de verdachten. Getuige [getuige 1] verklaart dat haar zoon een loopjongen is voor [medeverdachte] en dat hij envelopjes met cocaïne krijgt van [medeverdachte] . Getuigen [persoon 1] en [persoon 2] verklaren dat zij cocaïne kochten bij [verdachte] en [medeverdachte] en dat zij betaalden aan [medeverdachte] of zijn vriendin. Getuige [getuige 2] verklaart dat hij met enige regelmaat bij [verdachte] cocaïne koopt. Bovendien staat het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen op de telefoon van [getuige 2] onder de naam “werktelefoon [medeverdachte] .”
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn zoon, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Feit 2
Verdachte heeft ontkend dat de aangetroffen pillen MDMA van hem zijn. Wel heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat de pillen al zeker een maand in zijn keukenla lagen. De pillen bevonden zich daarmee in de machtssfeer van verdachte. Daarmee heeft verdachte feitelijke macht over de pillen kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte de 6 MDMA pillen opzettelijk aanwezig heeft gehad. Bij de doorzoeking is daarnaast 0,4 gram cocaïne aangetroffen in de besteklade van de keuken van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zijn zoon een feestje had gehad en dat er daarom harddrugs in de woning lagen. Daarnaast had de wikkel die om de 0,4 kilogram cocaïne zat dezelfde opdruk als de wikkel die bij de pseudokoop is aangekocht. De rechtbank acht daarom ook bewezen dat verdachte de 0,4 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Feit 3
Verdachte heeft ontkend dat hij [persoon 1] bij haar keel heeft gepakt. De aangifte van [persoon 1] vindt op dit punt ondersteuning in de verklaring van [persoon 2] . Ook hij heeft verklaard dat hij zag dat verdachte [persoon 1] bij haar keel greep. Er is daarmee voldoende bewijs dat verdachte [persoon 1] bij haar keel heeft gepakt en zodoende heeft mishandeld.
Feit 4
Verdachte heeft feit 4 bekend. De rechtbank volstaat ten aanzien van dit feit met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
3.3.2
Zaak A en zaak C
Gedeeltelijke vrijspraken zaak C, feit 1 en feit 3
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor de vernieling van de Playstation en het slaan van [persoon 3] . De rechtbank spreekt verdachte van deze onderdelen vrij.
Bewezenverklaringen
Verdachte heeft de feiten in zaak A en C zoals bewezenverklaard bekend. De rechtbank volstaat ten aanzien van deze feiten met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
zaak A
ten aanzien van feit 1:
in de periode van 28 juni 2022 tot en met 25 januari 2024 te de
Kwakel en te Aalsmeer en te Kudelstaart meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
ten aanzien van feit 2:
op 25 januari 2024 te De Kwakel, gemeente Uithoorn om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne,
- meerdere telefoons en
- een geldbedrag van 665 euro
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te
vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;
zaak B
ten aanzien van feit 1:
op tijdstippen in de periode 11 april 2021 tot en met 28
juni 2022 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, tezamen en in vereniging met een ander , opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
ten aanzien van feit 2:
op 29 juni 2022 te Kudelstaart opzettelijk aanwezig heeft gehad
0,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne en
6 pillen, van een materiaal bevattende MDMA,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
ten aanzien van feit 3:
op 1 januari 2022 te Aalsmeer [persoon 1] heeft mishandeld door haar bij de keel te pakken en en tegen het jukbeen te slaan;
ten aanzien van feit 4:
op 1 januari 2022 te Aalsmeer [persoon 2] heeft mishandeld door hem meermaals tegen het hoofd te slaan
zaak C
ten aanzien van feit 1:
op 4 maart 2023 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer
opzettelijk en wederrechtelijk een lamp en glaswerk die geheel of ten dele aan [persoon 3] en [persoon 4] toebehoorden heeft vernield;
ten aanzien van feit 2:
op 4 maart 2023 in Nederland opzettelijk
aanwezig heeft gehad 1,95 gram van een materiaal
bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
ten aanzien van feit 3:
op 4 maart 2023 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer [persoon 3] heeft mishandeld door voornoemde [persoon 3] te duwen.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 140 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
7.2
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging de eis van de officier van justitie te matigen omdat verdachte kampt met een nekhernia.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich meerdere jaren bezig gehouden met de handel in cocaïne en had ook harddrugs in zijn huis liggen. Naar eigen zeggen handelde hij in drugs om in zijn eigen drugsverslaving te voorzien. Met het dealen van drugs heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit waarin harddrugs worden geproduceerd en verhandeld. Het gedrag van verdachte laat zien dat hij zich niet bekommerde om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van de gebruikers en de met harddrugs gepaard gaande overlast voor de samenleving. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat verdachte ook zijn zoon heeft betrokken in zijn handel. In plaats van zich als goed voorbeeld voor zijn zoon te gedragen, heeft hij hem bij de drugshandel betrokken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan drie mishandelingen. Een van deze mishandelingen ging bovendien gepaard met de vernieling van delen van een huisraad. Bij dit geweld was verdachte vaak onder invloed van verdovende middelen. Dit toont des te meer de overlast aan die de samenleving ervaart van de schadelijke werking van harddrugs.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte, waaruit naar voren komt dat verdachte alleen in een ver verleden is veroordeeld voor soortgelijke feiten en sinds de bewezenverklaarde feiten niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het door Reclassering Inforsa opgestelde adviesrapport van 1 april 2026. Hierin wordt, zakelijk weergegeven, gerapporteerd dat de diverse levensgebieden inmiddels op orde zijn. Hij heeft de beschikking over een eigen huurwoning, het contact met zijn familie is goed en hij heeft een positief sociaal netwerk. Ook heeft verdachte vrijwillig een ambulante behandeling ten aanzien van zijn middelengebruik afgerond en gebruikt hij sinds twee jaar geen drugs meer.
De op te leggen straf en de redelijke termijn
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Meestal worden lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd voor de duur van de periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs. Verdachte heeft 11 dagen in voorarrest gezeten. Omdat het gaat om strafbare feiten die lang geleden hebben plaats gevonden is en verdachte zijn leven eindelijk op orde lijkt te hebben zal de rechtbank verdachte niet terugsturen naar de gevangenis.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden het volgende. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting met een eindvonnis moet zijn afgerond binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Gelet op het procesverloop van deze zaak komt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn in alle zaken is overschreden. Deze overschrijding is niet te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak of door omstandigheden die aan de verdediging toe te schrijven zijn.
De rechtbank is al met al van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht overstijgt, niet meer passend is. Wel ziet de rechtbank aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een hoge taakstraf van 240 uur passend is. Dat verdachte medische klachten heeft, waaronder nekhernia, staat de uitvoering van een taakstraf niet in de weg. De reclassering kan voorzien in een passende invulling van de taakstraf.

8.Beslag

In zaak A zijn een geldbedrag en cocaïne in beslag genomen. In zaak B zijn onder verdachte geldbedragen, verdovende middelen, een weegschaal en plastic zakjes in beslag genomen. Deze in beslag genomen voorwerpen zijn niet teruggegeven.
De op de beslaglijst vermelde telefoon is inmiddels aan verdachte teruggegeven, zodat de rechtbank hierover niet meer hoeft te beslissen.
8.1
Verbeurdverklaring
De geldbedragen moeten verbeurd worden verklaard, nu die geldbedragen aan verdachte toebehoren en die geldbedragen geheel of grotendeels uit de baten van het bewezen geachte zijn verkregen (onder zaak B, feit 1) of het bewezen geachte met behulp van die geldbedragen is begaan (onder zaak A, feit 2).
De plastic zakjes en de weegschaal moeten verbeurd worden verklaard, nu met behulp van die goederen het bewezen geachte is begaan (onder zaak B, feit 1).
8.2
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven verdovende middelen moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang en de feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 55, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
zaak A, feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
zaak A, feit 2:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
zaak B, feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
zaak B, feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
zaak B, feit 3, feit 4; zaak C, feit 3:
telkens: mishandeling;
zaak C, feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
zaak C, feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
140 (honderdveertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
119 (honderdnegentien) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
120 (honderdtwintig) dagen.
Verklaart
verbeurd:
zaak A
1. EUR; ibgn 25-01-2024 (goednummer G6454267);
zaak B
1. EUR - ibgn; 29-06-2022 (goednummer: G6205287);
2. 1100 EUR - ibgn; 29-06-2022 (goednummer: G6205281);
3. 2100 EUR - ibgn; 29-06-2022 (goednummer: G6205276);
4. 260 EUR - ibgn; 29-06-2022 (goednummer: G6205266);
5. 3100 EUR - ibgn; 29-06-2022 (goednummer: G6205260);
6. 50 EUR - ibgn; 29-06-2022 (goednummer: G6205252);
7. 1 STK Plasticzakjes (goednummer: 6205319, verpakkingsmateriaal);
8. 1 STK Weegschaal (goednummer: 6205270, zwart, merk: Tangent).
Verklaart
onttrokken aan het verkeer:
zaak A
3. 1 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6454251, Cocaine Crack);
zaak B
9. 1 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205311, 28.3 g, hashish);
10. 1 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205316, 1.87g, hashish);
11. 1 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205317, 0.95g, hennep);
12. 1 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205320, 15.7g, hennep);
13. 1 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205279, hashish);
14. 1 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205308, 1.47g, hennep).
Ten aanzien van zaak A
Heft ophet - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. Loots, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en A.E. Wilbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2026.