ECLI:NL:RBAMS:2026:439

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/13/780218 / FA RK 25/9569
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening zorgmachtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg na afwijzing second opinion

De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 januari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan een psychotische stoornis. Betrokkene betwistte de diagnose en vroeg om een onafhankelijke second opinion, welke door de rechtbank werd afgewezen vanwege overeenstemming tussen twee psychiaters.

Tijdens de mondelinge behandeling werd vastgesteld dat betrokkene een beïnvloedingswaan heeft die de ontwikkeling van haar jonge dochter bedreigt en dat er geen steunsysteem voor de dochter is. De psychiater benadrukte het belang van het starten van een behandelrelatie en het betrekken van jeugdzorg alvorens opname. Er is onvoldoende vrijwillige medewerking van betrokkene, waardoor verplichte zorg noodzakelijk is.

De rechtbank concludeerde dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door haar stoornis, waaronder psychische schade en maatschappelijke teloorgang, en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn. Daarom werd een zorgmachtiging verleend voor zes maanden, met maatregelen zoals medicatietoediening, medische controles, bewegingsbeperkingen, insluiting, toezicht, en opname in een accommodatie.

De beschikking werd mondeling gegeven op 2 januari 2026 en schriftelijk uitgewerkt op 15 januari 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg voor zes maanden aan betrokkene.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/780218 / FA RK 25/9569
kenmerk: ZM/IND/183510
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 2 januari 2026van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] (Eritrea),
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. R.M.G. Sussenbach te Amsterdam,
zorgaanbieder: GGZ inGeest.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 11 december 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 2 januari 2026 in het gebouw van de rechtbank.
1.3.
De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door een tolk Tigrinja;
- de raadsman;
- dhr. C. van Slooten, psychiater;
- mw. [naam] , casemanager.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.Beoordeling

2.1.
Door en namens betrokkene wordt afwijzing van het verzoek verzocht danwel het verzoek aan te houden om een onafhankelijke psychiater een second opinion te laten verrichten en onderzoek te doen naar de wilsbekwaamheid van betrokkene. Betrokkene betwist de vastgestelde diagnose en het door de onafhankelijke psychiater vastgestelde ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel is onvoldoende onderbouwd. Indien de rechtbank meent dat de zorgmachtiging moet worden verleend, verzoekt de advocaat namens betrokkene verplichte zorg in de vorm van ‘opname in een accommodatie’ af te wijzen. Betrokkene heeft een jong dochtertje en als betrokkene zal worden opgenomen zal dat ook traumatiserend zijn voor haar dochter.
2.2.
De psychiater licht toe dat twee psychiaters los van elkaar dezelfde conclusie hebben getrokken dus dat er geen onduidelijkheid bestaat over de diagnose. Er is sprake van een beïnvloedingswaan die de ontwikkeling van de dochter bedreigt. Betrokkene sluit familieleden buiten en de dochter heeft alleen haar moeder om van te leren. Het is belangrijk om een behandelrelatie op te starten en de psychose te behandelen. Alvorens betrokkene eventueel zal worden opgenomen dient jeugdzorg bij de dochter te worden betrokken. Op dit moment is het niet mogelijk om zorg te leveren en het is niet wenselijk die zorg langer uit te stellen. Er is onvoldoende samenwerking met betrokkene om op vrijwillige basis door te gaan.
2.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de zin van de Wvggz, in de vorm van een psychotische stoornis, meest waarschijnlijk in het kader van schizofrenie. Betrokkene betwist deze stoornis. De rechtbank neemt in aanmerking dat die diagnose is onderbouwd in de overgelegde medische verklaring van een onafhankelijke psychiater en door J.G. van Mill, de behandelend psychiater. Het verzoek van de advocaat om een second opinion te laten verrichten wordt door de rechtbank gelet op het voorgaande afgewezen.
2.4.
Uit de medische verklaring volgt dat betrokkene psychotische ideeën heeft over haar dochter en dat er geen steunsysteem is voor haar dochter. Daarnaast zijn er meldingen van overlast gekomen vanuit de buren en is er een risico dat betrokkene agressie over zich afroept. Naar aanleiding van het verweer van de raadsman dat dit onvoldoende onderbouwd is heeft de psychiater aangegeven dat het niet aan de hulpverlening is om dit soort informatie te verzamelen. Er zijn meldingen binnengekomen bij de GGD en via de GGD is de GGZ betrokken geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat de stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in: ernstige psychische schade, maatschappelijke teloorgang, ernstig verstoorde ontwikkeling van betrokkene of een ander en de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
2.5.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.6.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk voor de duur van zes maanden:
  • toedienen van medicatie;
  • het verrichten van medische controles, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
  • beperken van de bewegingsvrijheid (
  • insluiten (
  • uitoefenen van toezicht op betrokkene (
  • aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het nakomen van afspraken met het ambulant behandelteam;
  • opnemen in een accommodatie (
2.7.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.8.
Hetgeen namens en door betrokkene als verweer is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af.
2.9.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden.

3.Beslissing

De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] (Eritrea), inhoudende dat
gedurende de looptijd van de machtigingbij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 2.6 genoemde maatregelen kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 2 juli 2026.
Deze beschikking is op 2 januari 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. M.J.M. Marseille, rechter, bijgestaan door D.L. Overduin als griffier en op 15 januari 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.