Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4406

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/13/773836 / HA ZA 25-1374
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 RvArt. 220 RvArt. 2:8 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating natuurlijk persoon als tussenkomende partij in aandeelhoudersgeschil over verkoop en garanties

In deze zaak vordert een natuurlijk persoon, aandeelhouder en bestuurder van een vennootschap, toelating tot tussenkomst in een lopend aandeelhoudersgeschil tussen managementvennootschappen en een holdingmaatschappij. De hoofdzaak betreft betaling van koopprijs en terugbetaling van leningen na verkoop van aandelen in een energieleverancier, waarbij geschil bestaat over informatiegaranties en vermeende wanprestatie.

De tussenkomende partij stelt persoonlijk schade te hebben geleden door onjuiste en onvolledige informatie voorafgaand aan de aandelentransactie, waardoor hij zijn aandelenbelang tegen een lagere waarde moest verkopen en geconfronteerd werd met garantieclaims. De managementvennootschappen verzetten zich tegen toelating, stellende dat er geen zelfstandig belang is en dat de tussenkomende partij zijn standpunten via de vennootschap kan inbrengen.

De rechtbank oordeelt dat de tussenkomende partij een eigen vorderingsrecht heeft dat niet samenvalt met dat van de vennootschap, en dat zijn belang voldoende is om tussen te komen. Tussenkomst bevordert efficiënte procesvoering en voorkomt tegenstrijdige uitspraken. De beslissing over de kosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist. De tussenkomende partij krijgt een termijn van vier weken om zijn conclusie van eis in te dienen.

Uitkomst: Rechtbank Amsterdam staat de natuurlijk persoon toe als tussenkomende partij vanwege zijn persoonlijk belang en schade door onjuiste informatie voorafgaand aan de aandelentransactie.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/773836 / HA ZA 25-1374
Vonnis in incident van 1 april 2026
in de zaak van

1.DRIBIBU B.V.,

gevestigd te Schouwen-Duivenland,
2.
VAN KLAVEREN B.V.,
gevestigd te Vught,
eisende partijen in de hoofdzaak in conventie, gedaagde partijen in de hoofdzaak in reconventie,
verwerende partijen in het incident,
hierna te noemen: DBV en VKBV
advocaat: mr. D.F. Berkhout,
tegen
BAYFORD & CO LIMITED,
gevestigd te West Yorkshire (Groot-Brittannië),
gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie, eisende partij in de hoofdzaak in reconventie,
hierna te noemen: Bayford,
advocaat: mr. T. van Wijngaarden,
en in het incident tot tussenkomst dan wel voeging van
[eiser ih inc.]
wonende te [woonplaats] (Groot-Britannië)
eisende partij in incident,
advocaat: mr. T. van Wijngaarden,
hierna te noemen: [eiser ih inc.] ,
De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 augustus 2025, aan de zijde van DBV en VKBV, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele vorderingen tot inzage aanhouding, opheffing beslagen en zekerheidsstelling, tevens houdende eis in reconventie van 24 september 2025, aan de zijde van Bayford, met producties,
- de conclusie van antwoord in incidenten van 29 oktober 2025, aan de zijde van DBV en VKBV, met producties,
- de rolbeslissing van 26 november 2025, waarin is bepaald dat deze incidenten tegelijk met de hoofdzaak zullen worden behandeld,
- de incidentele conclusie tot tussenkomst althans voeging van 18 februari 2026 aan de zijde van [eiser ih inc.] ,
- de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomt althans voeging van 4 maart 2026 aan de zijde van DBV en VKBV.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten in de hoofdzaak en incident

Partijen en achtergrond
2.1.
DBV en VKBV zijn managementvennootschappen van respectievelijk [naam 1] en [naam 2] .
2.2.
Bayford is een naar Engels recht opgerichte holdingmaatschappij. [eiser ih inc.] is bestuurder en enig aandeelhouder van Bayford en zowel middellijk als persoonlijk aandeelhouder van GGP B.V. (hierna: GGP).
2.3.
GGP is een op 26 april 2017 opgerichte Nederlandse energieleverancier die zich richt op de zakelijke markt met de levering van gas en elektriciteit. Tot de aandeelhouders bij oprichting behoorden Bayford, [eiser ih inc.] , [naam 3] , DBV, VKBV en BSD Koornstra B.V. (hierna: BSD Koornstra).
2.4.
DBV, VKBV en BSD Koornstra waren daarnaast de bestuurders van GGP (hierna gezamenlijk: de managementaandeelhouders).
Samenwerking en overeenkomsten
2.5.
In november 2017 sloten GGP en Shell Energy Europe Limited (hierna: SEEL) een overeenkomst (hierna: de Global Agreement) voor de levering en handel in energie.
2.6.
Eind december 2017 sloten de aandeelhouders van GGP een aandeelhoudersovereenkomst (hierna: de SHA). Daarnaast verstrekte Bayford in december 2017 een aandeelhouderslening van € 5 miljoen aan GGP.
Voorgenomen uittreding en waardering
2.7.
In 2022 deelden de drie managementaandeelhouders mee hun aandelenbelang (ieder 5%) overeenkomstig de SHA te willen verkopen als “good leaver” aan de overige aandeelhouders. Tussen partijen ontstond discussie over de toe te passen waarderingsmethodiek.
2.8.
In dat verband werd een externe waardering uitgevoerd door Crossminds B.V. (hierna: Crossminds). Crossminds waardeerde GGP in december 2022 op circa € 109,1 miljoen en, na een update, in april 2023 op circa € 107,6 miljoen.
2.9.
Partijen maakten daarnaast op hoofdlijnen afspraken over de gefaseerde uittreding van de managementaandeelhouders, inhoudende dat DBV per 1 juli 2023, VKBV per 6 december 2024 en BSD Koornstra per 26 april 2027 zou uittreden.
Aandelentransactie en leningen
2.10.
Op 26 januari 2024 verkochten DBV en VKBV hun aandelen in GGP aan Bayford voor een bedrag van circa € 5,85 miljoen per partij. In dat kader werden koopovereenkomsten gesloten (hierna: de SPA’s). Bayford trad daarbij op als koper van de aandelen. Een deel van de koopprijs werd omgezet in leningsovereenkomsten (hierna: de vendor loans) waarbij Bayford als schuldenaar verplichtingen aanging jegens zowel DBV en VKBV. DBV zou € 2.410.595 van de koopsom ineens ontvangen en de rest van de koopsom (€ 3.439.404) werd omgezet in een lening van DBV aan Bayford. Voor VKBV geldt dat dat zij € 794.902 ineens van Bayford zou ontvangen een bedrag van € 5.055.298 werd omgezet in een lening.
2.11.
In de SPA’s zijn daarnaast onder meer bepalingen opgenomen met betrekking tot door verkopers (verstrekte garanties, waaronder informatiegaranties). Ook is voorzien in de mogelijkheid voor Bayford om betalingen op te schorten in geval van gestelde schending van garanties of wanprestatie.
Financiering en ontwikkelingen na de transactie
2.12.
Na de aandelentransactie ontstond tussen partijen discussie over de financiële positie van GGP.
2.13.
SEEL heeft zich in februari 2024 op het standpunt gesteld dat sprake was van een default onder de Global Agreement, onder meer wegens het niet voldoen aan bepaalde financiële verplichtingen in het laatste kwartaal van 2023.
2.14.
Op 27 februari 2024 werden aanvullende aandeelhoudersleningen verstrekt aan GGP door Bayford (€ 2 miljoen), DBV (€ 250.000), VKBV (€ 1.750.000) en BSD Koornstra (€ 1 miljoen).
2.15.
Op 21 maart 2024 verstrekte Bayford aanvullend € 500.000 aan GGP. In samenhang daarmee werd het door VKBV verstrekte bedrag met € 500.000 verminderd.
2.16.
In oktober 2024 werd in een uitzending van het tv-programma Radar aandacht besteed aan Fluent Energy B.V. (hierna: Fluent Energy), een tussenpersoon van GGP, en GGP zelf, waarbij onder meer kritiek werd geuit op verkooppraktijken en contractvoorwaarden.
2.17.
SEEL heeft zich vanaf oktober 2024 herhaaldelijk op het standpunt gesteld dat sprake was van (verdere) defaults onder de Global Agreement en heeft GGP verzocht om nadere toelichting, onder meer met betrekking tot de rol van tussenpersonen zoals Fluent Energy. In februari 2025 heeft SEEL de Global Agreement beëindigd.
2.18.
Op 6 februari 2025 verstrekte Bayford aan GGP aanvullende liquiditeit in de vorm van een achtergestelde aandeelhouderslening van € 5,5 miljoen.
Opeising en geschil
2.19.
In januari 2025 hebben DBV en VKBV Bayford aangesproken tot betaling van de openstaande bedragen uit hoofde van de SPA’s en de vendor loans.
2.20.
Bayford heeft betaling geweigerd en zich daarbij beroepen op opschorting, onder verwijzing naar gestelde defaults onder de Global Agreement met SEEL en vermeende schendingen van garanties.
2.21.
In maart 2025 hebben DBV en VKBV conservatoir beslag laten leggen op aandelen van Bayford in GGP en vervolgens deze procedure aanhangig gemaakt.
Onderzoek en garantieclaims
2.22.
Bayford heeft in 2025 een onderzoek laten uitvoeren door HKA Global B.V. Volgens Bayford blijkt uit de (voorlopige) bevindingen van dit onderzoek onder meer van onvolledige of onjuiste financiële informatie, niet gemelde transacties met gelieerde partijen, mogelijke margeverliezen, onverklaarde betalingen en van niet eerder gemelde defaults onder de Global Agreement.
2.23.
Op 24 juli 2025 heeft Bayford zich formeel beroepen op schending van garanties onder de SPA’s en haar betalingsverplichtingen opgeschort.
Verkoop aan Eneco en nadien
2.24.
Op 3 december 2025 hebben Bayford en [eiser ih inc.] hun aandelen in GGP verkocht en geleverd aan Eneco Zakelijk B.V. (hierna: Eneco).
2.25.
Volgens Bayford en [eiser ih inc.] heeft deze verkoop plaatsgevonden tegen een aanzienlijk lagere waarde dan eerder werd aangenomen.
2.26.
Na deze transactie zijn Bayford en [eiser ih inc.] geconfronteerd met door Eneco gestelde garantieclaims. Volgens Bayford en [eiser ih inc.] hebben deze claims (mede) betrekking op feiten en omstandigheden die dateren van vóór de aandelentransactie van 26 januari 2024.

3.Het geschil

in de hoofzaak in conventie en reconventie
3.1.
DBV en VKBV vorderen in conventie, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Bayford tot betaling van € 3.439.404 respectievelijk € 5.055.298, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling.
3.2.
Daarnaast vorderen DBV en VKBV, samengevat, veroordeling van Bayford in de (proces- en advocaat)kosten, althans subsidiair tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten (€ 6.775), beslagkosten (€ 10.835,60) en nakosten.
3.3.
DBV en VKBV onderbouwen hun vorderingen kort gezegd met de stelling dat Bayford uit hoofde van de tussen partijen gesloten SPA’s en de daarmee samenhangende vendor loans gehouden is tot betaling van de overeengekomen koopprijs en terugbetaling van de verstrekte leningen. Volgens DBV en VKBV zijn deze betalingsverplichtingen opeisbaar en weigert Bayford ten onrechte tot betaling over te gaan.
3.4.
Bayford vordert in reconventie, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van DBV en VKBV (hoofdelijk dan wel ieder afzonderlijk) tot: (i) vergoeding van schade wegens schending van de informatiegaranties en onrechtmatig handelen, bestaande uit de volledige koopprijs van de aandelen, (ii) opheffing binnen 24 uur van de gelegde beslagen op de aandelen in GGP, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag, (iii) vergoeding van de door Bayford als gevolg van die beslagen geleden en nog te lijden schade, en (iv) veroordeling in de kosten van de reconventie.
in het incident
3.5.
[eiser ih inc.] vordert, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair dat hij wordt toegelaten als tussenkomende partij in de hoofdzaak tussen Bayford enerzijds en VKBV en DBV anderzijds, met bepaling dat hem een termijn wordt gegund om zijn vorderingen nader te onderbouwen en te concretiseren, en dat zijn vorderingen jegens VKBV en DBV in de hoofdzaak in behandeling worden genomen. Subsidiair vordert [eiser ih inc.] dat hij wordt toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van Bayford. Tenslotte vordert [eiser ih inc.] veroordeling van VKBV en DBV in de kosten van het incident, inclusief nakosten.
3.6.
[eiser ih inc.] onderbouwt zijn vorderingen met de stelling dat hij een zelfstandig en rechtstreeks belang heeft bij deelname aan de hoofdzaak. Hij heeft, als aandeelhouder van GGP, persoonlijk schade geleden als gevolg van het door hem gestelde handelen van DBV en VKBV, bestaande uit onder meer het verstrekken van onjuiste en onvolledige informatie voorafgaand aan de aandelentransactie en het schenden van contractuele en wettelijke verplichtingen, waaronder de SHA en de norm van artikel 2:8 BW Pro en artikel 6:162 BW Pro.
3.7.
[eiser ih inc.] stelt dat deze normschendingen niet alleen Bayford, maar ook hem persoonlijk raken, hij houdt immers zelf aandelen in GGP, zodat geen sprake is van louter afgeleide schade. Dit heeft ertoe geleid dat hij zijn aandelenbelang in GGP uiteindelijk tegen een aanzienlijk lagere waarde heeft moeten verkopen en daarnaast is geconfronteerd met verdere (gevolg)schade, waaronder in verband met door derden gestelde garantieclaims. Hij heeft voldoende belang bij tussenkomst, omdat de uitkomst van de hoofdzaak van invloed kan zijn op zijn rechtspositie en op de beoordeling van een door hem in te stellen vordering. Indien hij niet tot de procedure wordt toegelaten, bestaat het risico dat in een latere procedure tegenstrijdige beslissingen worden genomen of dat zijn bewijspositie wordt benadeeld. Tenslotte draagt zijn deelname aan de procedure bij aan een efficiënte en consistente geschilbeslechting, aldus steeds [eiser ih inc.] .
3.8.
VKBV en DBV voeren verweer. Zij leggen daaraan ten grondslag dat [eiser ih inc.] niet voldoet aan de vereisten voor tussenkomst dan wel voeging als bedoeld in artikel 217 Rv Pro en verder. Volgens hen is geen sprake van een zelfstandige, van Bayford te onderscheiden vordering, nu de gestelde schade van [eiser ih inc.] voortvloeit uit hetzelfde feitencomplex en dezelfde gestelde normschendingen als die waarop Bayford zich beroept, en [eiser ih inc.] bovendien als enig aandeelhouder en bestuurder van Bayford volledig invloed uitoefent op de procesvoering. Daarnaast ontbreekt een voldoende belang bij tussenkomst of voeging, omdat een eventueel vonnis in de hoofdzaak geen gezag van gewijsde jegens [eiser ih inc.] heeft en hij zijn standpunten via Bayford naar voren kan brengen. Toelating zou bovendien in strijd zijn met de goede procesorde, nu dit leidt tot onnodige vertraging, uitbreiding van het geschil met een nieuw en afwijkend feitencomplex en extra proceskosten. Daarom dient de incidentele vordering te worden afgewezen, althans dient deze hooguit beperkte voeging zonder verdere schriftelijke ronde te worden toegestaan, aldus steeds VKBV en DBV.

4.De beoordeling

4.1.
Een partij kan op grond van artikel 217 Rv Pro in een aanhangig geding vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan. [1]
4.2.
[eiser ih inc.] baseert zijn verzoek tot tussenkomst op de stelling dat hij persoonlijk schade heeft geleden door het handelen van DBV en VKBV voorafgaand aan de aandelentransactie. Volgens [eiser ih inc.] is daarbij onjuiste of onvolledige informatie verstrekt, waardoor hij zijn persoonlijke aandelenbelang in GGP later tegen een aanzienlijk lagere waarde heeft moeten verkopen. Daarnaast stelt hij dat hij nadien is geconfronteerd met aansprakelijkheidstellingen van derden. Beoordeeld moet worden of [eiser ih inc.] hiermee een eigen (van Bayford te onderscheiden) vordering heeft en of hij om die reden voldoende belang heeft bij tussenkomst.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. [eiser ih inc.] stelt immers dat hij in privé in zijn vermogen is geraakt, doordat de waarde van zijn persoonlijke aandelenbelang is aangetast en hij zijn aandelen onder ongunstige omstandigheden heeft moeten verkopen. Daarmee is voldoende aannemelijk dat hij een eigen vorderingsrecht pretendeert dat niet zonder meer samenvalt met dat van Bayford. Dat de gestelde schade voortvloeit uit hetzelfde feitencomplex als waarop Bayford zich beroept, betekent niet dat deze uitsluitend als afgeleide schade moet worden gezien. [eiser ih inc.] legt juist aan zijn verzoek ten grondslag dat hij in privé is geraakt in zijn vermogen.
4.4.
De uitkomst van de hoofdzaak is bovendien van directe betekenis voor de beoordeling van die mogelijke vordering van [eiser ih inc.] . In de hoofdzaak staat immers centraal of DBV en VKBV hun informatieverplichtingen hebben geschonden en daarmee onrechtmatig hebben gehandeld. De beantwoording van die vragen zal ook mede bepalend zijn voor de beoordeling van de door [eiser ih inc.] gestelde aanspraken. Indien in deze procedure wordt geoordeeld dat van een dergelijke schending geen sprake is, kan dat zijn mogelijkheden om zijn gestelde schade te verhalen nadelig beïnvloeden. Daarmee is gegeven dat [eiser ih inc.] het risico loopt door de uitspraak in de hoofdzaak in zijn rechtspositie te worden benadeeld. Het feit dat [eiser ih inc.] als bestuurder en enig aandeelhouder van Bayford al invloed kan uitoefenen op de procesvoering in de hoofdzaak, maakt dit niet anders. Die betrokkenheid neemt niet weg dat hij een eigen belang heeft dat losstaat van dat van Bayford.
4.5.
Onder deze omstandigheden heeft [eiser ih inc.] een voldoende belang bij tussenkomst in de zin van artikel 217 Rv Pro. Daarbij weegt mee dat, indien tussenkomst wordt geweigerd, [eiser ih inc.] genoodzaakt zou zijn een afzonderlijke procedure aanhangig te maken over in belangrijke mate hetzelfde feitencomplex, hetgeen het risico van tegenstrijdige beslissingen met zich brengt (en/of er – dus – toe zou leiden dat de beide zaken zouden worden gevoegd op de voet van artikel 220 Rv Pro). Het betoog van DBV en VKBV dat [eiser ih inc.] met zijn incidentele vordering enige vertragingstechniek beoogt., wordt niet gevolgd. Met het oog op een efficiënte procesvoering (artikel 20 Rv Pro) zal de rechtbank bepalen dat [eiser ih inc.] een termijn van vier weken krijgt voor het nemen van de conclusie van eis in tussenkomst.
4.6.
Aangezien de primaire vordering tot tussenkomst wordt toegewezen, behoeft de subsidiaire vordering tot voeging geen bespreking.
4.7.
De beslissing in de hoofdzaak is bepalend voor de beantwoording van de vraag wie de kosten van het incident zal moeten dragen. Om die reden wordt de beslissing over de kosten aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
staat [eiser ih inc.] toe in de hoofdzaak onder zaaknummer C/13/773836 tussen te komen,
5.2.
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
5.3.
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van
29 april 2026voor het nemen van de conclusie van eis in tussenkomst door [eiser ih inc.] .
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768