Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4451

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
26/733
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.C.S. van Limburg Stirum
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbWet studiefinanciering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing omzetting prestatiebeurs en verlenging diplomatermijn

Eiseres, een studente die vanuit Iran naar Nederland is gekomen, verzocht de Minister van Onderwijs om haar prestatiebeurs om te zetten in een gift of om de diplomatermijn met terugwerkende kracht te verlengen. De minister wees deze verzoeken af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelt dat het gehanteerde toetsingskader niet duidelijk is en het besluit onvoldoende gemotiveerd is. Tevens is onvoldoende ingegaan op de persoonlijke en medische omstandigheden van eiseres.

De rechtbank erkent de bijzondere omstandigheden waaronder eiseres heeft gestudeerd, waaronder taalbarrières en het ontbreken van een sociaal netwerk, en benadrukt dat zij uiteindelijk haar opleiding succesvol heeft afgerond. De rechtbank stelt dat verweerder de verzoeken zorgvuldig en deugdelijk moet beoordelen en motiveren, en dat het bestreden besluit daaraan niet voldoet.

De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarin expliciet wordt ingegaan op de persoonlijke en medische omstandigheden van eiseres en de motieven voor afwijzing van de verzoeken. Tevens moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Er is geen aanleiding voor een bestuurlijke lus of het zelf voorzien in de zaak.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/733

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,verweerder
(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het afwijzen van haar verzoeken om de prestatiebeurs om te zetten in een gift of om de diplomatermijn met terugwerkende kracht te verlengen.
Met het primaire besluit van 8 oktober 2025 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 januari 2026 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Eiseres was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van de besluiten

1.1.
Eiseres is vanuit Iran naar Nederland geëmigreerd en is vervolgens in 2008 direct gestart met de opleiding [naam opleiding 1] aan de Hogeschool Rotterdam. Zij heeft hiervoor studiefinanciering aangevraagd. Aan haar zijn een basisbeurs, een OV-vergoeding en een rentedragende lening toegekend. Vanaf 2010 ontving zij daarnaast enkele jaren een collegegeldkrediet. Per 1 september 2013 heeft eiseres aangegeven te willen overstappen naar de opleiding [naam opleiding 2] aan Hogeschool INHOLLAND. Omdat zij hiervoor niet werd ingeloot, heeft zij zichzelf vanaf 2014 wederom ingeschreven voor haar oorspronkelijke opleiding, die zij uiteindelijk niet heeft afgerond. Op 1 september 2016 is eiseres begonnen met een vierjarige hbo-opleiding [naam opleiding 3] . Gelet op haar eerdere studieverleden en de duur van deze opleiding was het voor haar niet mogelijk om het diploma binnen de geldende diplomatermijn te behalen. Zij heeft daarom een verzoek gedaan om de diplomatermijn met 36 maanden te verlengen. Dit verzoek is door verweerder afgewezen.
1.2.
Eiseres heeft in 2021 de hbo-opleiding [naam opleiding 3] afgerond. Zij heeft over haar gehele studieperiode een studieschuld opgebouwd van € 95.686,93. Daarnaast moet zij een levenlanglerenkrediet van € 3.923,76 terugbetalen. Op 3 september 2025 heeft eiseres verweerder verzocht om kwijtschelding van de prestatiebeurs, omdat zij haar diploma niet binnen de geldende diplomatermijn heeft behaald. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit verzoek betrekking heeft op een bedrag van ongeveer € 20.000,-.
1.3.
Verweerder heeft vervolgens de in de inleiding genoemde besluiten genomen. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat eiseres niet binnen de diplomatermijn een afsluitend diploma in het hoger onderwijs heeft behaald. Eiseres heeft gedurende acht jaar de opleiding [naam opleiding 1] gevolgd, maar deze niet afgerond. Het lag op de weg van eiseres om tijdig contact met verweerder op te nemen en zich te informeren over de gevolgen van het niet afronden van de studie. Uit haar verzoek blijkt bovendien dat zij er zelf voor heeft gekozen de opleiding niet af te ronden. In zulke gevallen is het, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, niet de bedoeling dat de prestatiebeurs wordt terugbetaald, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de verzoeken van eiseres heeft afgewezen. De rechtbank wenst op te merken dat eiseres zowel in haar schriftelijke stukken als op de zitting gemotiveerd heeft toegelicht onder welke omstandigheden zij haar studie heeft gevolgd. Zij is vanuit Iran naar Nederland gekomen om te studeren, zonder de Nederlandse taal te beheersen en zonder een sociaal netwerk in Nederland. De rechtbank onderkent dat deze omstandigheden voor eiseres belastend zijn geweest en dat zij in die periode het nodige heeft moeten doorstaan, te meer nu zich tijdens haar studie ook gezondheidsklachten hebben opgetreden, al dan niet gerelateerd aan het alleen naar Nederland komen. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank aannemelijk dat haar studietijd niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met die van een student die in Nederland is opgegroeid en hier na de middelbare school een studie aanvangt. De rechtbank wil in dit geval benadrukken dat eiseres uiteindelijk met succes een opleiding heeft afgerond en nu werkzaam is in een richting die aansluit bij haar interesses en ambities. Dit is iets waar eiseres trots op mag zijn.
2.2.
De rechtbank begrijpt dat eiseres haar studietijd niet volledig als positief heeft ervaren. Zij heeft een studieschuld opgebouwd, welke hoger uitvalt doordat zij niet binnen de diplomatermijn een diploma heeft behaald. Om die reden heeft zij een verzoek ingediend om haar prestatiebeurs om te zetten in een gift, of – als dat niet mogelijk is – om de termijn waarbinnen zij haar diploma moest behalen met terugwerkende kracht te verlengen. Uit de wetgeschiedenis volgt echter dat slechts in uitzonderlijke gevallen, waarin sprake is van bijzondere omstandigheden, kan worden aangenomen dat een student redelijkerwijs niet aan de prestatie-eisen heeft kunnen voldoen. Een dergelijk verzoek wordt door verweerder daarom terughoudend beoordeeld. Dat neemt echter niet weg dat onder omstandigheden ruimte bestaat om een uitzondering te maken. Dit brengt met zich dat verweerder ieder verzoek zorgvuldig dient te beoordelen en deugdelijk dient te motiveren waarom een betrokkene niet voor toepassing van een uitzondering in aanmerking komt.
2.3.
Op de zitting is met partijen besproken welk toetsingskader verweerder in dit geval heeft gehanteerd om de verzoeken van eiseres te beoordelen. Verweerder heeft toegelicht dat in feite een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden van een eerdere aanvraag tot verlenging van de diplomatermijn. Een beoordeling of de prestatiebeurs wegens bijzondere omstandigheden dient te worden omgezet in een gift, zoals ook door eiseres was verzocht, heeft verweerder niet verricht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dit toetsingskader echter niet uit het bestreden besluit. Het besluit maakt niet inzichtelijk welke beoordeling precies heeft plaatsgevonden en op grond van welk toetsingskader dat is gebeurd. In het bestreden besluit wordt enkel in algemene zin besloten dat de prestatiebeurs niet wordt omgezet in een gift, omdat eiseres niet binnen de diplomatermijn een diploma heeft behaald. Van een inhoudelijke (her)beoordeling van een eventuele verlenging van de diplomatermijn blijkt niet. Voor zover verweerder heeft opgemerkt dat sprake is van vakjargon dat de begrijpelijkheid kan bemoeilijken, leidt dit niet tot een ander oordeel. Als zelfs voor de rechtbank onduidelijk is welk toetsingskader wordt gehanteerd en wat door verweerder wordt bedoeld, kan van een burger niet worden verwacht dat zij dit wel begrijpt. Het bestreden besluit is daarmee onvoldoende toereikend gemotiveerd.
2.4.
De rechtbank oordeelt voorts dat het bestreden besluit onvoldoende ingaat op beide verzoeken van eiseres. Eiseres heeft in eerste instantie verzocht om omzetting van haar prestatiebeurs in een gift en daarbij zowel haar persoonlijke als medische omstandigheden naar voren gebracht. Voor verweerder had daarmee voldoende duidelijk moeten zijn dat eiseres een beroep deed op omzetting wegens bijzondere omstandigheden. In dat kader had van verweerder mogen verwacht dat hij met eiseres meedacht en haar zo nodig in de juiste richting wees, dan wel de informatie opvroeg die nodig is voor de beoordeling van een dergelijke aanvraag. Dit volgt immers uit het dienstbaarheidsbeginsel. Door in het bestreden besluit alleen te volstaan met een verwijzing naar een nieuw aanvraagformulier, heeft verweerder dit onderdeel van het verzoek niet beoordeeld en evenmin de aandacht gegeven aan het verzoek die van een zorgvuldig handelend bestuursorgaan mag worden verwacht.
2.5.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit te vernietigen, omdat dit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende ingaat op beide verzoeken van eiseres. Ter voorkoming van een nieuw ondeugdelijk gemotiveerd besluit zal de rechtbank hierna uiteenzetten op welke wijze verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar dient te motiveren.
3. Eiseres heeft primair verzocht om omzetting van haar prestatiebeurs in een gift, vanwege haar persoonlijke en medische omstandigheden. Verweerder zal in een nieuwe beslissing op bezwaar alsnog gemotiveerd moeten ingaan op de door eiseres aangevoerde omstandigheden. Daarbij dient verweerder in ieder geval expliciet in te gaan op de omstandigheid dat eiseres afkomstig is uit Iran, destijds de Nederlandse taal niet beheerste en geen sociaal netwerk had, alsmede op haar gestelde medische omstandigheden. Indien verweerder van mening is dat voor een dergelijk verzoek nadere bewijsstukken nodig zijn, zoals bijvoorbeeld een verklaring van een studentendecaan of medische gegevens, dan zal verweerder eiseres in de gelegenheid moeten stellen deze stukken binnen een daartoe te stellen termijn alsnog over te leggen.
4. Eiseres heeft subsidiair verzocht om verlenging van de diplomatermijn met terugwerkende kracht, althans om de eerdere afwijzing van dit verzoek te heroverwegen. Op de zitting is gebleken dat verweerder dit verzoek heeft beoordeeld door een eerdere aanvraag van eiseres volledig te heroverwegen, maar dit blijkt niet uit de beslissing op bezwaar. Verweerder zal deze volledige heroverweging dan ook in een nieuwe beslissing op bezwaar deugdelijk moeten motiveren. Daarbij dient verweerder ook inzichtelijk te maken waarom, ondanks een ondersteunende verklaring van een studentdecaan, geen aanleiding wordt gezien de diplomatermijn te verlengen. Dit te meer nu verweerder zich in andere zaken vaak op het standpunt stelt dat de verklaring van een decaan leidend is. Voor zover verweerder daarbij gewicht toekent aan de stelling van eiseres dat zij, als zij zich bewust was geweest van de diplomatermijn, zou hebben geprobeerd haar eerste studie alsnog af te ronden, dient verweerder tevens in te gaan op het standpunt van eiseres dat dit slechts hypothetisch is geweest en dat zij niet weet of dit haar daadwerkelijk zou zijn gelukt.
5. De rechtbank geeft verweerder tot slot in overweging om, indien een afwijzende beslissing wordt overwogen, eiseres vooraf in de gelegenheid te stellen daarop te reageren voordat een definitieve beslissing op bezwaar wordt genomen. Op die manier heeft verweerder voldoende waarborgen dat op het volledige verzoek van eiseres is beslist en alle bezwaargronden zijn betrokken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder nog geen volledig gemotiveerd standpunt heeft ingenomen op beide verzoeken van eiseres.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal in een nieuw besluit gemotiveerd moeten ingaan op beide verzoeken van eiseres.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.