Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4469

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
1308703625
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging TBS met voorwaarden na bedreiging en vernieling in Amsterdam

De rechtbank Amsterdam heeft op 6 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van bedreiging met een misdrijf tegen het leven en vernieling van een kast van een zorgambulance. In een tussenvonnis van 11 februari 2026 werd feit 1 (bedreiging) bewezen verklaard en feit 2 (vernieling) niet strafbaar geacht wegens volledige ontoerekenbaarheid.

De rechtbank achtte het noodzakelijk dat verdachte een intensieve en langdurige behandeling ondergaat om het recidiverisico te beperken. Op grond van de adviezen van deskundigen en de reclassering werd een TBS-maatregel met voorwaarden opgelegd, zonder dwangverpleging, maar met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel volgens artikel 38z Sr.

De voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst vanaf opname in de kliniek, met dezelfde voorwaarden als de TBS-maatregel, en duurt tot het vonnis onherroepelijk is. De rechtbank legde diverse voorwaarden op, waaronder medewerking aan behandeling, verbod op middelengebruik, naleving van toezicht en dagbesteding.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €1.231,90 aan materiële schadevergoeding aan de benadeelde partij, met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling. De uitspraak is dadelijk uitvoerbaar verklaard vanwege het gevaar op recidive en de noodzaak van behandeling en toezicht.

Uitkomst: Verdachte wordt TBS met voorwaarden opgelegd en veroordeeld tot schadevergoeding, met geschorste voorlopige hechtenis onder voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/087036-25
Datum uitspraak: 6 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 28 januari 2026 en 22 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Bond, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.C.R. Gijsen, naar voren hebben gebracht.

2.Procesgang

De rechtbank heeft op 11 februari 2026 een tussenvonnis gewezen in de onderhavige strafzaak. De rechtbank heeft in het tussenvonnis bewezen verklaard dat verdachte:
feit 1:
in de periode van 3 maart 2025 tot en met 20 maart 2025 in Amsterdam en/of Amstelveen, ten overstaan van [aspirant 1] en [aspirant 2] , aspiranten van de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, slachtoffer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk ten overstaan van voornoemde aspiranten van de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, de volgende woorden geuit:
"Als ik weer thuis ben uit de kliniek dan ga ik hem vermoorden",
van welke bedreiging voornoemd slachtoffer [slachtoffer] kennis heeft genomen (door tussenkomst van de politie);
feit 2
op 3 maart 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een kast van een zorgambulance, heeft vernield.
Ten aanzien van feit 1 heeft de rechtbank verdachte verminderd toerekenbaar geacht. Ten aanzien van feit 2 heeft de rechtbank verdachte volledig ontoerekenbaar geacht en ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank is na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting op 28 januari 2026 tot het oordeel gekomen dat zij zich niet volledig voorgelicht achtte over alle bestaande mogelijkheden van afdoening. De rechtbank heeft daarom in het tussenvonnis het onderzoek ter terechtzitting heropend om de reclassering te laten rapporteren omtrent de te stellen voorwaarden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden.
Het onderzoek ter terechtzitting is op 22 april 2026 voortgezet om onder meer het advies van de reclassering omtrent de te stellen voorwaarden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden te bespreken en is vervolgens gesloten.
In dit vonnis geeft de rechtbank enkel een oordeel over de afdoening. Dit vonnis moet in samenhang worden gelezen met het tussenvonnis van 11 februari 2026. De rechtbank zal de rubrieken 2 tot en met 8 van het tussenvonnis van 11 februari 2026 als hier ingelast beschouwen.

3.Op te leggen maatregel

Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het tussenvonnis van 11 februari 2026 omtrent de persoon van verdachte, acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte eerst een behandeling ondergaat om het recidiverisico in te perken voordat verdachte meer vrijheden gaat genieten. De rechtbank overweegt dat verdachte, gelet op de conclusies en adviezen van de deskundigen, gebaat is bij een intensief en langdurig behandeltraject en dat deze behandeling aansluitend op detentie moet plaatsvinden.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen die worden gesteld aan oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden is voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de bewezen geachte feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Feit 1 is een misdrijf genoemd in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van deze maatregel. De rechtbank zal aan verdachte dan ook de tbs-maatregel opleggen. De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met het stellen van de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en dat een bevel tot dwangverpleging niet noodzakelijk is. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden en de rechtbank acht de dreiging van een tbs-maatregel met dwangverpleging als verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt op dit moment voldoende.
GVM
Op basis van de rapportages en het reclasseringsrapport is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om na de tbs-maatregel langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom, naast de tbs-maatregel met voorwaarden, ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Voorlopige hechtenis
Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek (of een plek voor overbruggingszorg). Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden.
Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank noodzakelijk, omdat omzetting van de tbs-maatregel met voorwaarden in een tbs-maatregel met dwangverpleging (bij overtreding van de voorwaarden van de tbs-maatregel) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in duur beperkt is tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
Dadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden
Gelet op de noodzaak van de behandeling en het gevaar voor recidive en het uit te oefenen toezicht, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

4.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

5.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals in rubriek 4 van het tussenvonnis van 11 februari 2026 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], voor feit 1 strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], voor feit 2 niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.
Gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden stelt daarbij de volgende voorwaarden:
1.
Geen strafbaar feit plegen
Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
  • Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
  • Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.
  • Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
  • Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
  • Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.
  • Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
  • Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
  • Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
3.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4.
Niet naar het buitenland
Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5.
Opneming in een zorginstelling
Veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door [zorginstelling] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het abstinent blijven van middelen, voortzetting van antipsychotische medicatie, psychotherapie, behandeling gericht op eventuele trauma’s en behandeling voor de gestelde diagnostiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door een in de toekomst te bepalen instelling of zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
7.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
8.
Verbod verdovende middelen
Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
9.
Alcoholverbod
Veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
10.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt de
dadelijke uitvoerbaarheidvan de terbeschikkingstelling met voorwaarden.
Legt aan veroordeelde op de
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 1.231,90 (duizend tweehonderdeenendertig euro en negentig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 1.231,90 (duizend tweehonderdeenendertig euro en negentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Schorst de voorlopige hechtenisvan verdachte met ingang van het moment dat verdachte in het kader van de klinische behandeling zoals omschreven in voorwaarde 5 zal worden opgenomen in de kliniek, dan wel een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 10 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarden dat:
  • veroordeelde, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;
  • veroordeelde, in het geval hij wegens een feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot een andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. K.M.S. Kamp en M.H.G. Brinkman, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2026.