ECLI:NL:RBAMS:2026:4470

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/13/772340 / HA ZA 25-1281
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
  • E.A. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:127 BWArt. 6:136 BWArt. 6:127 lid 2 BWArt. 6:127 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging langdurige samenwerking met onrechtmatige uitlatingen en financiële afrekening

MH Dienstverlening en HSR werkten ruim zes jaar samen in bulktransporten bij Tata Steel. Eind april 2024 beëindigde HSR de samenwerking abrupt zonder de vereiste opzegtermijn van zes maanden in acht te nemen. De rechtbank kwalificeerde de relatie als een duurovereenkomst en oordeelde dat HSR de winst die MH Dienstverlening in die periode zou hebben gemaakt, moet vergoeden. MH Dienstverlening kreeg gelegenheid de schade nader te specificeren.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat HSR zich onrechtmatig heeft uitgelaten over MH Dienstverlening in e-mails aan Tata Steel, met beschuldigingen van fraude, sabotage en omkoping, zonder voldoende feitenbasis. HSR moet hiervoor een schadevergoeding van €7.994,75 betalen. Een vordering tot rectificatie werd afgewezen vanwege het verstreken tijdsverloop en beperkte actuele impact.

Verder heeft MH Dienstverlening recht op betaling van onbetaalde facturen, waarvan een deel door HSR betwist werd. De rechtbank bepaalde dat MH Dienstverlening onvoldoende bewijs leverde voor een te hoog gehanteerd uurtarief voor een planner, en gaf opdracht tot nadere specificatie. Het verrekeningsverweer van HSR slaagde gedeeltelijk tot €97.806,34. De rechtbank hield verdere beslissing aan en gaf partijen gelegenheid aanvullende specificaties te verstrekken.

Uitkomst: HSR moet een opzegvergoeding betalen, schadevergoeding voor onrechtmatige uitlatingen en onbetaalde facturen voldoen, met nadere specificatie en gedeeltelijke verrekening.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/772340 / HA ZA 25-1281
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
MH DIENSTVERLENING EN HANDEL B.V.,
te Heerhugowaard,
eisende partij,
hierna te noemen: MH Dienstverlening,
advocaat: mr. I. Epe,
tegen
HAVENSERVICE ROZENBURG B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: HSR,
advocaat: mr. S.M.P. Jacobs.

1.Samenvatting

1.1.
MH Dienstverlening en HSR hebben ruim zes jaar lang met elkaar samengewerkt. Eind april 2024 zijn zij met ruzie uit elkaar gegaan. Deze procedure gaat enerzijds over de financiële afrekening: (i) wat staat er over en weer nog aan betalingsverplichtingen open en (ii) is HSR daarnaast verplicht een opzegvergoeding te betalen aan MH Dienstverlening? Verder stelt MH Dienstverlening dat HSR zich onrechtmatig over haar heeft uitgelaten richting Tata Steel. MH Dienstverlening wenst hier schadevergoeding voor te ontvangen.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst die MH Dienstverlening en HSR met elkaar hebben gesloten, kwalificeert als duurovereenkomst en dat HSR deze overeenkomst niet heeft opgeschort, maar heeft opgezegd. Naar het oordeel van de rechtbank had HSR hierbij een opzegtermijn in acht moeten nemen van zes maanden. Dat heeft zij niet gedaan. Daarom moet zij de winst die MH Dienstverlening in deze periode zou hebben gemaakt, vergoeden. MH Dienstverlening wordt in de gelegenheid gesteld de door haar gestelde winstmarge van 24,2% bij nadere akte te specificeren. Ook oordeelt de rechtbank dat HSR zich in haar e-mails van 7 mei 2024 en 24 juni 2024 op onrechtmatige wijze over MH Dienstverlening heeft uitgelaten. Zij moet hiervoor aan MH Dienstverlening een schadevergoeding betalen van in totaal € 7.994,75. Tot slot, oordeelt de rechtbank dat MH Dienstverlening recht heeft op betaling van haar onbetaalde facturen. De exacte hoogte daarvan is echter afhankelijk van de kosten die MH Dienstverlening voor een van haar planners/monteurs, de heer [naam 1] , in rekening heeft gebracht. De rechtbank stelt MH Dienstverlening in de gelegenheid ook deze kosten te specificeren. Het verrekeningsverweer van HSR slaagt gedeeltelijk, tot een bedrag van € 97.806,34. Dit bedrag zal op de vordering van MH Dienstverlening uit hoofde van openstaande facturen in mindering worden gebracht. In afwachting van de door MH Dienstverlening te verstrekken specificaties, en de reactie daarop van HSR, wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 juni 2025;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 8 oktober 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald en
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, en de daarin genoemde processtukken.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
MH Dienstverlening en HSR zijn beiden actief op het gebied van het laden, lossen en uitvoeren van bulktransporten.
3.2.
Sinds 2018 huurt HSR MH Dienstverlening in voor het uitvoeren van transporten en het aanleveren van arbeidskrachten, zoals shovelmachinisten, kraanmachinisten en chauffeurs, voor verschillende opdrachtgevers van HSR. Het onderhavige geschil heeft betrekking op de werkzaamheden die MH Dienstverlening voor HSR bij Tata Steel verrichtte.
Facturatie; stilleggen samenwerking HSR en MH Dienstverlening
3.3.
In 2023 is tussen HSR en MH Dienstverlening een geschil ontstaan over de facturatie. Partijen hebben toen met elkaar afgesproken dat MH Dienstverlening voortaan, naast haar eigen factuur, ook een door Tata Steel afgetekende werkbon zou toesturen aan HSR. Daarnaast zijn zij met elkaar overeengekomen dat MH Dienstverlening aan HSR een bedrag van € 50.000,- zou betalen, als tegemoetkoming voor de kosten en/of misgelopen omzet van HSR in Q1 2023. In een e-mail van 8 maart 2024 heeft HSR deze afspraak bevestigd en aangegeven dat dit bedrag verrekend zou worden “met (toekomstige) facturen voor het rijwerk dat MH voor HSR uitvoert”. Op 11 maart 2024 heeft MH Dienstverlening hiervoor een creditfactuur verstrekt aan HSR.
3.4.
Eind april 2024 is tussen MH Dienstverlening en HSR opnieuw een geschil ontstaan over de samenwerking. Dit heeft ertoe geleid dat MH Dienstverlening op 25 april 2024 haar werkzaamheden voor HSR bij Tata Steel heeft neergelegd. De werkzaamheden van MH Dienstverlening zijn hierna overgenomen door Shoveldiensten B.V.
3.5.
Op 1 mei 2024 heeft tussen de heren [naam 2] ( [functie 1] van MH Dienstverlening, hierna:
[naam 2]), [naam 3] ( [functie 2] HSR, hierna:
[naam 3]) en [naam 4] ( [functie 3] HSR) een gesprek plaatsgevonden over de geschilpunten. HSR heeft per e-mail van 3 mei 2024 verslag gedaan van dit gesprek. Kort samengevat, staat hierin dat:
  • MH Dienstverlening heeft toegezegd dat zij aan HSR € 80.000,- zal betalen ter vergoeding van, onder andere, brandstof;
  • MH Dienstverlening heeft toegezegd dat zij aan HSR € 35.000,- zal betalen voor de aanpassing van een zeefmachine van HSR die door MH Dienstverlening gebruikt is voor een proef bij een ander bedrijf (Braam Recycling B.V., hierna:
  • MH Dienstverlening heeft aangegeven dat zij bereid is mee te denken over het verlies van € 600.000,- dat HSR dat jaar gemaakt had bij Tata Steel.
3.6.
In dezelfde e-mail constateert HSR hiernaast dat de monteurs van MH Dienstverlening de machines van HSR niet goed hebben onderhouden en dat MH Dienstverlening voor € 15.000,- aan gereedschap en € 5.500,- aan persoonlijke beschermingsmiddelen (hierna:
PBM’s) heeft besteld (totaal: € 20.500). HSR stelt voor de hiervoor genoemde kosten (€ 80.000 + € 35.000 + € 20.500 = € 135.500) te verrekenen met de kosten die MH Dienstverlening heeft gemaakt voor de aanschaf van een loods en heftruck van € 11.000,-. Ook stelt zij voor dat MH Dienstverlening aan HSR € 200.000,- crediteert ter tegemoetkoming voor het door HSR geleden verlies in 2024. HSR geeft aan dat als MH Dienstverlening hiermee akkoord gaat, dit een opening biedt naar een verdere samenwerking.
3.7.
Op 21 mei 2024 heeft de heer [naam 5] , [functie 4] van MH Dienstverlening (hierna:
[naam 5]), namens MH Dienstverlening op deze e-mail gereageerd. Voor zover hier relevant, geeft [naam 5] hierin het volgende aan:
  • Over de eerste post van € 80.000,- inzake een te hoog berekend tontarief en de compensatie in de kosten van Q1 2023 kan worden gesteld dat deze zijn verrekend.
  • MH Dienstverlening zal de kosten voor de reparatie van de zeefmachine vergoeden, na ontvangst en controle van de werkorder, bijbehorende materialen en de verkoopfactuur.
  • MH Dienstverlening zal de post van € 15.000,- voor gereedschap aan HSR vergoeden, na overleg en controle van de inkoopfacturen.
  • Tussen MH Dienstverlening en HSR bestaat de afspraak dat zij de kosten voor PBM's voor 50% draagt. Na overleg en controle van de inkoopfacturen, zal MH Dienstverlening 50% van de post van € 5.500,- (dus: € 2.750,-) vergoeden.
  • De aangekochte loods, kantine en kantoren op het aannemerscentrum en de heftruck (post van € 11.000,-) blijven voorlopig in eigendom van MH Dienstverlening.
  • MH Dienstverlening gaat niet akkoord met het voorstel aan HSR € 200.000,- te crediteren voor geleden verlies.
3.8.
Eind mei / begin juni 2024 heeft HSR MH Dienstverlening verzocht om inzage in haar volledige administratie. MH Dienstverlening heeft dit geweigerd, maar aangeboden de relevante werkbonnen aan HSR toe te sturen. HSR heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt.
3.9.
Op 13 juni 2024 heeft HSR drie facturen toegestuurd aan MH Dienstverlening:
Factuurnr.
Omschrijving
Factuurbedrag
[nummer 1]
Doorbelasting kosten Kleeman mobiele zeef:
- Meerwerk Kleeman: € 35.000,-
- Schade n.a.v. ongeautoriseerde inzet zeef (schatting): € 15.000,-
- Compensatie omzetderving door stilstand: € 5.000,-
- Transportkosten: € 900,-
- Overheadkosten 10%: € 5.590,-
€ 74.402,90
(€ 61.490,- excl. btw)
[nummer 2]
Doorbelasting gereedschappen en PBM’s 2023-2024:
- Gereedschap: € 15.044,23
- PBM’s 50%: € 2.762,11
- Overheadkosten 10%: € 1.780,63
€ 23.700,24
(€ 19.586,97 excl. btw)
[nummer 3]
Factuur tarief planner / voorman – uren week 35-2023 t/m 17-2024 = 35 weken – ten onrechte tarief monteur gehanteerd:
- Correctie tarief € 38,- i.p.v. € 45,- à 72 uur per week: € 17.640,-
- Overheadkosten 10%: € 1.764,-
€ 23.478,84
(€ 19.404,- excl. btw)
Totaal
€ 121.581,98
3.10.
Op haar beurt, heeft MH Dienstverlening HSR op 3 juli 2024 bericht dat verschillende facturen van haar nog openstonden (totaal: € 178.327,10). MH Dienstverlening heeft hierop een factuur van HSR van € 42.568,16 in mindering gebracht en HSR verzocht het resterende bedrag van € 135.758,94 aan haar te voldoen.
3.11.
Hierna heeft HSR MH Dienstverlening op 27 september 2024 bericht dat zij een vordering van € 177.963,- van MH Dienstverlening zou verrekenen met een vordering van
€ 178.122,- van HSR. Daarbij verzoekt zij MH Dienstverlening een bedrag van € 48.000,- te crediteren vanwege inefficiënt werken voor Tata Steel.
3.12.
Geen van beide partijen heeft aan de betaalverzoeken genoemd onder 3.9 tot en met 3.11 voldaan.
Onderzoek door Tata Steel
3.13.
Parallel aan de discussie over de facturen, hebben zich in deze periode verschillende gebeurtenissen voorgedaan.
3.14.
Op 6 juni 2024 heeft Tata Steel MH Dienstverlening voorlopig een aanbesteding gegund genaamd ‘intern transport HOO Slakzand’ (hierna:
project Slakzand).
3.15.
Op 26 juni 2024 heeft HSR MH Dienstverlening bericht dat zij vernomen had dat MH Dienstverlening machinisten van de door HSR ingeschakelde onderaannemer Shoveldiensten B.V. had benaderd om, tegen betaling van € 500,-, de werkzaamheden bij Tata Steel neer te leggen. Dezelfde dag is MH Dienstverlening ook door Tata Steel gebeld, die hierover door HSR in kennis was gesteld. MH Dienstverlening heeft de genoemde beschuldigingen betwist, onder verwijzing naar verklaringen die door verschillende machinisten zijn afgegeven.
3.16.
In augustus 2024 is MH Dienstverlening door Tata Steel gecontacteerd met het bericht dat HSR over MH Dienstverlening verschillende meldingen had gedaan en dat zij besloten had deze te onderzoeken. In het kader van dit onderzoek, heeft Tata Steel de
e-mailcorrespondentie die tussen HSR en Tata Steel was gewisseld, met MH Dienstverlening gedeeld. De volgende berichten zijn in dit kader relevant.
3.17.
Op 6 mei 2024 stuurt [naam 3] (HSR) aan Tata Steel:
“Er is de laatste tijd veel gaande bij HSR waar ik me erg druk over maak.
[naam 6] zit thuis en daar krijg ik absoluut geen contact mee en ik heb een vreemd gevoel van wat er zich allemaal afspeelt. Sinds [naam 7] is aangesteld komen er steeds meer vreemde zaken naar boven waar ik niet vrolijk van wordt. Graag wil ik je daarover persoonlijk spreken want het zit me gewoon niet lekker.
Kunnen wij een dezer dagen een half uurtje afspreken bij jullie op Tata of als het niet uitkomt een telefonisch overleg hebben?”
3.18.
Vervolgens stuurt [naam 3] een dag later, op 7 mei 2024, aan Tata Steel het volgende bericht:
“Ik kom binnenkort zeker op de koffie maar zal je even kort uitleggen wat er is gebeurt.
[…]
Wij hebben enige tijd geleden geconstateerd dat de omzet bij jullie terug liep in vergelijking met vorig jaar. Dus ik ben vanaf januari bezig geweest om het lek boven te krijgen waarom wij minder werk hadden maar de inhuur personeel en kosten waaronder brandstof gelijk bleven. […] Ik kreeg de vinger er niet achter waar het zat, ook mijn financiële mensen zien.
[…]
Ik heb toen vorige week besloten om op een dag alle MH inhuur te vervangen voor twee andere partijen, ik was het zat. Tevens heb ik meteen alle machines die op jullie terrein rond zwermde en niet vast op een werk waren ingedeeld op laten halen en veilig laten stelten. De machines zijn nu terug maar zijn helaas in een slechte staat door zwaar achterstallig onderhoud. We kunnen nu constateren dat wij al jaar en dag 3 monteurs vast aan MH betalen voor onderhoud aan onze machines maar dat dat onderhoud door MH nooit is uitgevoerd.
Door de actie van vorige week kan ik vanaf nu wel gaan zien wat er gebeurt.
Ik heb zeer sterk het vermoeden dat MH ons gewoon vol heeft gefactureerd wat ze altijd gewend waren ondanks het minder werk wat door HSR wordt uitgevoerd. Ze hebben namelijk exact op 5 uur nauwkeurig de uren van vorig jaar gefactureerd in vergelijking, terwijl wij een kwart minder aan Tata hebben uit gefactureerd. Het kan niet anders zijn dan dat ze onze machines elders hebben ingezet terwijl daar voor HSR geen opbrengst tegenover stond. Ook het brandstof verbruik is namelijk hoog gebleven en klopt dus ook niet met de werkelijkheid. Ze moeten dus wel werk met onze machines voor andere partijen hebben uitgevoerd maar dat kan ik nu niet meer achterhalen, ik hoop alleen dat ik het nu heb afgekapt.
[…] ik vind het spijtig dat ik jullie niet eerder hierover heb ingelicht maar ik moest even de knuppel in het hoenderhok gooien, ik wil niet bestolen worden, door niemand. MH heeft over onze rug zeker tonnen verdiend die niet aan ze toebehoren en waardoor wij zwaar verlies hebben geleden.”
3.19.
Tot slot, volgt uit de door Tata Steel aan MH Dienstverlening verstrekte correspondentie dat [naam 3] (HSR) Tata Steel op 25 juni 2024 over het volgende heeft geïnformeerd:
“Wij zijn met [naam 2] in een vreemde situatie beland wat er steeds meer uit gaat zien dat we gezamenlijk de dupe zijn geworden van zijn gedrag.
Hij heeft gisteren namelijk aan diverse machinisten 500 euro geboden als ze het werk meteen zouden verlaten. Dit soort praktijken vind ik echt onder de maat maar kan wel gevolgen hebben voor de productie bij jullie.
We proberen er alles aan te doen om dit soort acties te voorkomen maar ik weet niet wanneer het ophoudt of wanneer echt iemand tegen een nog hoger bedrag het bijltje erbij neer gaat gooien”.
3.20.
Naast deze correspondentie, heeft Tata Steel op 7 oktober 2024 aan MH Dienstverlening een agenda verstrekt waarop de met MH Dienstverlening te bespreken onderwerpen staan vermeld:
 “Uw werkzaamheden op het Tata Steel terrein
 Samenwerking met Haven Service Rozenburg (HSR) en de beëindiging daarvan
 Facturen van werkzaamheden aan HSR
 Onderhoud aan HSR shovels, graafmachines en zeefinstallaties
 Verduistering HSR zeefinstallatie
 Verduistering HSR aanhanger
 Sabotage HSR-shovels, graafmachines, metsobrekers en brand HSR zeefinstallatie(s)
 Sabotage vrachtwagen Aege Breg
 Verzoek moedwillige sabotage productieproces
 Mogelijke belangenverstrengeling (privé-zakelijk)
 Betalingsovereenkomst met 3B Group
 Relatieverklaring en Bin nr.
 MH Dienstverlening Gedragscode:
 Tata Steel Gedragscode”
3.21.
MH Dienstverlening heeft medewerking verleend aan het onderzoek en in dat kader verschillende gesprekken gevoerd met de bedrijfsrecherche van Tata Steel. Na afronding van het onderzoek, heeft Tata Steel hiervan aan partijen geen rapport uitgebracht.
3.22.
In mei 2025 heeft Tata Steel de aanbesteding voor project Slakzand (alsnog) definitief aan MH Dienstverlening gegund.
Vervolg discussie HSR en MH Dienstverlening over financiële afrekening
3.23.
Op 14 februari 2025 heeft MH Dienstverlening HSR in gebreke gesteld en gesommeerd om (i) de openstaande facturen te betalen, ten bedrage van € 135.758,94,
(ii) zich te onthouden van verdere lasterlijke uitlatingen over MH Dienstverlening aan Tata Steel en (iii) aan Tata Steel een rectificatie te sturen van de gedane beschuldigingen. Daarnaast stelt zij HSR aansprakelijk voor de schade die zij hierdoor lijdt, alsmede voor de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de opzegging van de overeenkomst en het door HSR afhandig maken van voor MH Dienstverlening werkzame zzp’ers.
3.24.
Op 24 juni 2025 heeft MH Dienstverlening HSR gedagvaard.
3.25.
Hierna heeft HSR op 9 juli 2025 nog één factuur toegestuurd aan MH Dienstverlening voor een bedrag van € 11.990,19. Deze factuur heeft betrekking op de doorbelasting van energiekosten voor een hal die MH Dienstverlening op het terrein van Tata Steel heeft.

4.Het geschil

4.1.
MH Dienstverlening vordert – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
  • i) HSR veroordeelt om aan MH Dienstverlening te betalen een bedrag van
  • ii) HSR veroordeelt om aan MH Dienstverlening te betalen een bedrag van € 544.500,- aan schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van een redelijke opzegtermijn, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente;
  • iii) voor recht verklaart dat HSR zich met haar e-mails van 6 mei 2024, 7 mei 2024 en 25 juni 2024 onrechtmatig jegens MH Dienstverlening heeft uitgelaten;
  • iv) HSR verbiedt onrechtmatige uitlatingen over MH Dienstverlening te doen, op welke wijze dan ook, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per onrechtmatige uitlating;
( v) HSR gebiedt een rectificatie te versturen aan de werknemers van de afdeling inkoop van Tata Steel, waaronder de heren [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] , van de onrechtmatige uitlatingen die zij over MH Dienstverlening heeft gedaan, overeenkomstig de door MH Dienstverlening opgestelde en in de dagvaarding weergegeven tekst;
  • vi) HSR gebiedt om de rectificatie genoemd onder 4.1. onder (v) onmiddellijk, althans binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis, uit te doen spreken zonder commentaar dat de inhoud van de rectificatie ontkracht, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat HSR hier niet aan voldoet;
  • vii) HSR veroordeelt om aan MH Dienstverlening te betalen een bedrag van € 300.494,75 aan (im)materiële schadevergoeding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente;
  • viii) HSR veroordeelt om aan MH Dienstverlening te betalen een bedrag van € 6.775,- aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • ix) HSR veroordeelt in de proceskosten van MH Dienstverlening, inclusief nakosten.
4.2.
Het totaalbedrag van de vordering van MH Dienstverlening bedraagt hiermee
€ 135.758,94 + € 544.500,- + € 300.494,75 + € 6.775,- = € 987.528,69, vermeerderd met de gevorderde wettelijke (handels)rente en kosten.
4.3.
HSR voert verweer. HSR concludeert tot niet-ontvankelijkheid van MH Dienstverlening, dan wel tot ongegrondverklaring of afwijzing van de vorderingen van MH Dienstverlening, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van MH Dienstverlening in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente. Voor zover een bedrag van de vordering van MH Dienstverlening wordt toegewezen, verzoekt HSR dit te verrekenen met de vorderingen die HSR op MH Dienstverlening heeft.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

I. Heeft MH Dienstverlening recht op schadevergoeding vanwege het niet in acht nemen van redelijke opzegtermijn?
5.1.
MH Dienstverlening en HSR hebben ruim zes jaar lang met elkaar samengewerkt. Eind april 2024 zijn zij met ruzie uit elkaar gegaan. MH Dienstverlening stelt dat tussen partijen een duurovereenkomst bestond en vordert op die grond betaling van € 544.500,- wegens het niet in acht nemen van een redelijke opzegtermijn. Volgens MH Dienstverlening is zij gedurende de samenwerking in grote mate afhankelijk geworden van de opdrachten van HSR en heeft zij daarvoor diverse investeringen gedaan. Zij stelt daarnaast dat HSR de verwachting heeft gewekt dat de samenwerking nog lang zou voortduren en dat de gedane investeringen zich weer zouden terugverdienen.
5.2.
HSR betwist dit. Volgens HSR was geen sprake van een duurovereenkomst, maar van een flexibel contract zonder vaste afnameplicht. Daarbij heeft niet HSR de overeenkomst beëindigd, maar MH Dienstverlening. HSR had de overeenkomst enkel opgeschort, aldus HSR. Voor zover al een opzegtermijn in acht genomen had moeten worden, zou volgens HSR een opzegtermijn van twee maanden redelijk zijn geweest. Uitgaande van die termijn, heeft MH Dienstverlening volgens HSR echter geen schade geleden, omdat zij, na beëindiging van de samenwerking, de zzp’ers die eerst voor HSR werkten, gedurende twee maanden aan Shoveldiensten B.V. heeft uitgehuurd. MH Dienstverlening heeft de werkzaamheden die zij eerder voor HSR verrichtte, hiermee feitelijk via Shoveldiensten B.V. voortgezet, aldus HSR.
Kwalificatie als duurovereenkomst
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat het belangrijkste kenmerk van duurovereenkomsten is dat deze niet verplichten tot eenmalige, voorbijgaande prestaties, maar tot prestaties die gedurende bepaalde of onbepaalde tijd voortduren, herhaald worden of elkaar opvolgen. Het antwoord op de vraag of een duurovereenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit deze verklaringen hebben afgeleid of, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs mochten afleiden. Als partijen een duurovereenkomst zijn aangegaan, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (vgl. Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141).
5.4.
Onder omstandigheden kan een langdurige handelsrelatie in het kader waarvan opeenvolgende transacties worden verricht, na verloop van tijd uitgroeien tot een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voor de beantwoording van de vraag of er (al) sprake is van een duurovereenkomst, zijn, onder andere, de volgende omstandigheden relevant: de duur van de relatie, de exclusiviteit van de samenwerking, de intensiteit van het contact, het steeds op dezelfde wijze inzetten van een partij en het doen van bijzondere investeringen in het kader van samenwerking en exclusiviteit.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat ook als de overeenkomst tussen MH Dienstverlening en HSR in eerste instantie een flexibel karakter had, zoals HSR stelt, deze in de loop der tijd is uitgegroeid tot een duurovereenkomst. Daarbij acht zij de volgende omstandigheden relevant. Vast staat dat MH Dienstverlening gedurende een periode van zes jaar op (zeer) regelmatige basis werkzaamheden heeft uitgevoerd voor Tata Steel, in opdracht van HSR. Tussen partijen is niet in geschil dat deze werkzaamheden in de loop der jaren zijn toegenomen, waarbij MH Dienstverlening in de laatste drie jaar van de samenwerking (2021-2023) uit de werkzaamheden voor HSR een gemiddelde omzet genereerde van € 3.000.000,- per jaar. Daarnaast heeft MH Dienstverlening onweersproken gesteld dat hoewel HSR ook met andere partijen samenwerkte, zij in de praktijk vrijwel exclusief gebruik maakte van de diensten van MH Dienstverlening. Hierdoor was MH Dienstverlening nagenoeg permanent aanwezig op het terrein van Tata Steel en degene die de aan HSR uitbesteedde processen feitelijk draaiende hield. Mede om deze reden heeft MH Dienstverlening verschillende investeringen gedaan, waaronder de aanschaf van een vaste loods op het terrein van Tata Steel.
5.6.
De gedragingen van HSR wijzen er daarnaast op dat ook zij de relatie met MH Dienstverlening als duurzaam beschouwde. Juist het door HSR gevoerde toezicht op de efficiëntie van MH Dienstverlening is kenmerkend voor een duurzame relatie en ligt bij het uitvoeren van een eenmalige prestatie minder voor de hand. Daarnaast schreef HSR in haar e-mail aan MH Dienstverlening van 8 maart 2024 nog expliciet dat zij de tegemoetkoming van MH Dienstverlening in het verlies van Q1 2023 zou verrekenen “met (toekomstige) facturen voor het rijwerk dat MH voor HSR uitvoert”. Ook dit wijst erop dat HSR zelf ook nog langere tijd met MH Dienstverlening door wilde.
5.7.
Geconcludeerd wordt dan ook dat op het moment dat de werkzaamheden eind april 2024 werden stilgelegd, tussen partijen een duurzame rechtsverhouding was ontstaan, waarin MH Dienstverlening er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat HSR haar zou blijven inzetten.
Heeft MH Dienstverlening recht op een opzegvergoeding?
5.8.
Nu de onderlinge verhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, dient te worden beoordeeld of HSR de overeenkomst heeft beëindigd en, zo ja, of zij hiervoor een opzegvergoeding verschuldigd is aan MH Dienstverlening.
5.9.
HSR stelt zich op het standpunt dat zij de overeenkomst niet heeft beëindigd, maar slechts tijdelijk heeft opgeschort totdat was opgehelderd of de uren die MH Dienstverlening voor haar werkzaamheden bij Tata Steel in rekening bracht, correct waren. Daarnaast stelt zij dat MH Dienstverlening degene is die zelfstandig en zonder HSR hierover in te lichten besloot om niemand van de avondploeg van 25 april 2024 aan het werk te zetten. De facto, beëindigde MH Dienstverlening daarmee zelf de overeenkomst, aldus HSR.
5.10.
MH Dienstverlening betwist dit. HSR heeft haar nooit laten weten de werkzaamheden op te schorten. Bovendien staat dit haaks op de verklaringen die HSR richting Tata Steel heeft gedaan, aldus MH Dienstverlening. Ook heeft HSR nooit gevraagd om een verklaring voor de gestelde daling in productiviteit.
5.11.
Vast staat dat MH Dienstverlening haar werkzaamheden in de avond van 25 april 2024 heeft neergelegd. Hoe de communicatie hierover is gegaan, en wie daarbij wat aan de ander heeft verklaard, is in het kader van deze procedure niet geheel duidelijk geworden. Dat HSR op dat moment de bedoeling had de overeenkomst op te schorten, wordt echter niet door de tussen partijen gevoerde correspondentie ondersteund. Uit geen van de door partijen overgelegde e-mails volgt dat HSR aan MH Dienstverlening heeft medegedeeld dat zij de overeenkomst opschort totdat duidelijkheid bestaat over de door MH Dienstverlening gefactureerde uren. Het schikkingsvoorstel dat HSR op 3 mei 2024 aan MH Dienstverlening toestuurde, doet over de urenfacturatie in het geheel geen uitspraak.
5.12.
Het bericht dat HSR op 7 mei 2024 aan Tata Steel stuurde, wijst er daarentegen op dat HSR wel de bedoeling had de overeenkomst te beëindigen. In dit bericht geeft HSR aan dat zij al enige tijd het vermoeden had dat MH Dienstverlening te veel factureerde en de machines ook gebruikte voor werkzaamheden voor derden. Daarin schrijft HSR: “ik heb toen vorige week besloten om op een dag alle MH inhuur te vervangen voor twee andere partijen, ik was het zat. […] ik vind het spijtig dat ik jullie niet eerder hierover heb ingelicht maar ik moest even de knuppel in het hoenderhok gooien, ik wil niet bestolen worden, door niemand.” Anders dan HSR stelt, volgt uit dit bericht dat het initiatief voor het stilleggen van de werkzaamheden niet bij MH Dienstverlening lag, maar bij HSR. Dat dit voornemen MH Dienstverlening heeft bereikt voordat HSR hier zelf mededeling over kon doen, maakt dat niet anders.
5.13.
Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee met voldoende zekerheid komen vast te staan dat de overeenkomst met ingang van 26 april 2025 op initiatief van HSR is beëindigd.
5.14.
Vast staat dat partijen geen opzegtermijn zijn overeengekomen. En dus is de vraag of de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat HSR desalniettemin een opzegtermijn in acht had moeten nemen. Anders dan MH Dienstverlening stelt, bestaat voor de berekening daarvan geen vaste wiskundige formule. Een redelijke termijn dient steeds te worden vastgesteld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
5.15.
Allereerst komt betekenis toe aan de duur van de overeenkomst. Vast staat dat de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen ruim zes jaar heeft geduurd en dat daarbij een intensieve samenwerking tot stand is gekomen. Hoewel de exacte omvang van de investeringen niet is komen vast te staan, heeft HSR niet gemotiveerd betwist dat MH Dienstverlening substantiële investeringen heeft gedaan ten behoeve van de werkzaamheden voor HSR, zoals de aanschaf van een vaste loods op het terrein van Tata Steel.
5.16.
Ook komt betekenis toe aan de redenen voor de beëindiging van de overeenkomst. HSR geeft aan dat zij al enige tijd vermoedde dat MH Dienstverlening te veel factureerde. Er zou volgens HSR sprake zijn geweest van een productiviteitsdaling van 18,8 %. Met uitzondering van de correspondentie waarin HSR dit vermoeden uitspreekt, heeft HSR dit vermoeden echter op geen enkele manier onderbouwd. Dat MH Dienstverlening geweigerd heeft HSR volledige inzage te geven in haar administratie maakt dit niet anders. Ook als HSR haar vermoeden nog niet kon bevestigen, was het aan HSR om inzicht te geven in de overwegingen die volgens haar dermate ernstig en urgent waren, dat zij de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigden.
5.17.
Niet is gebleken dat HSR de samenwerking en/of het voortduren daarvan op enig moment voor het eindigen van de overeenkomst ter discussie heeft gesteld. Aan de andere kant is ook niet gebleken dat HSR een specifieke verwachting heeft gewekt omtrent een bepaalde (lange) duur. Dit betekent dat MH Dienstverlening, ondanks de door HSR gedane toezegging dat de financiële tegemoetkoming voor Q1 2023 met ‘toekomstig rijwerk’ zou worden verrekend (zie 3.3 hiervoor), er wel in enige mate rekening mee moest houden dat de samenwerking op termijn zou kunnen eindigen. Tot slot, is tussen partijen niet in geschil dat MH Dienstverlening gedurende twee maanden na het eindigen van de overeenkomst, via Shoveldiensten B.V. werkzaamheden is blijven verrichten voor Tata Steel, en daarmee circa 45% van de maandelijkse omzet die zij daarvoor maakte, heeft kunnen compenseren.
5.18.
Alles overziend acht de rechtbank in dit geval een opzegtermijn van zes maanden redelijk en billijk. Dit betekent dat HSR aan gedaagde een schadevergoeding dient te betalen over de periode van 26 april 2024 tot en met 26 oktober 2024.
Hoogte van de schadevergoeding.
5.19.
Als niet of onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat MH Dienstverlening in de periode 2021-2023 per jaar gemiddeld € 3.000.000,- aan omzet genereerde uit de werkzaamheden voor HSR. Uitgaande van deze gemiddelde omzet, is de marge die MH Dienstverlening op deze omzet zou hebben behaald volgens MH Dienstverlening 24,2% oftewel € 2.250.000,- per jaar. MH Dienstverlening verwijst hiervoor naar een door Fiks Accountants en Adviseurs B.V. opgestelde schadeberekening, die in haar opdracht is opgesteld. HSR betwist deze schadeberekening. Volgens HSR nam de omzet van HSR op de opdracht van Tata Steel van 2023 naar 2024 met afgerond 45% af en is het derhalve niet realistisch dat MH Dienstverlening, gelet op deze afnemende vraag, hetzelfde verdienpotentieel zou behouden. Daarnaast houdt de schadeberekening er geen rekening mee dat MH Dienstverlening gedurende twee maanden zzp’ers is blijven inzetten via Shoveldiensten B.V. en dat de aanbesteding uiteindelijk alsnog aan MH Dienstverlening is gegund. Voorts wijst HSR erop dat Fiks Accountants geen assurance-opdracht heeft verricht en dat HSR daarbij ook geen mogelijkheid is geboden tot wederhoor.
5.20.
De rechtbank overweegt als volgt. HSR heeft haar standpunt dat de opdracht van Tata Steel terugliep en dat MH Dienstverlening ten gevolge daarvan rekening moest houden met minder werkzaamheden, niet gemotiveerd onderbouwd. Zij heeft daartoe ook geen concreet bewijsaanbod gedaan. Dat betekent dat deze omstandigheden geen rol kunnen spelen in de schadeberekening. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat MH Dienstverlening, via Shoveldiensten B.V., gedurende twee maanden werkzaamheden is blijven verrichten voor Tata Steel. Dit heeft de rechtbank reeds meegewogen bij de vaststelling van de opzegtermijn (zie 5.17-5.18 hiervoor).
5.21.
Dat ligt echter anders voor de door Fiks Accountants berekende marge van 24,2 %. De rechtbank begrijpt dat Fiks Accountants met de term ‘marge’ doelt op de winst die MH Dienstverlening bij voortzetting van de overeenkomst met HSR zou hebben gemaakt. Uit de overgelegde schadeberekening kan echter niet worden opgemaakt of en, zo ja, in hoeverre de gunning van project Slakland is meegenomen in de berekening van deze winstmarge. De rechtbank ziet hierin aanleiding MH Dienstverlening gelegenheid te bieden de berekening van deze marge nader te onderbouwen, op de wijze die wordt beschreven onder 5.65 tot en met 5.68 hierna. Anders dan HSR, ziet de rechtbank geen aanleiding om het debat over de schadeberekening volledig te heropenen, nu HSR buiten de hierboven genoemde punten niet heeft aangegeven op welke overige punten zij het niet eens is met de schadeberekening van Fiks Accountants. Dat het rapport van Fiks Accountants niet het resultaat is van een assurance-opdracht en dat HSR bij het opstellen daarvan geen gelegenheid is geboden tot wederhoor, maakt dit niet anders.
Tussenconclusie
5.22.
HSR had een opzegtermijn moeten betrachten van 6 maanden. HSR is gehouden de winst die MH Dienstverlening in deze periode zou hebben gemaakt, te vergoeden. MH Dienstverlening wordt gelegenheid geboden de berekening van deze winst nader te onderbouwen.
II. Zijn de uitlatingen van HSR onrechtmatig?
5.23.
MH Dienstverlening stelt dat HSR MH Dienstverlening bij de afdeling inkoop van Tata Steel valselijk en ongefundeerd heeft beschuldigd van, onder andere, brandstichting, verduistering, diefstal, fraude en sabotage. Zij verwijst hiervoor naar e-mails die HSR op 6 en 7 mei 2024 en 25 juni 2024 aan Tata Steel heeft gestuurd, alsmede de agenda die de bedrijfsrecherche van Tata Steel in het kader van haar onderzoek op 7 oktober 2024 aan MH Dienstverlening heeft verstrekt. MH Dienstverlening vordert om deze reden (i) een verklaring voor recht dat HSR zich met haar e-mails van 6 en 7 mei 2024 en 25 juni 2024 onrechtmatig over MH Dienstverlening heeft uitgelaten, (ii) een rectificatie van de door HSR geuite beschuldigingen en (iii) vergoeding van de schade die MH Dienstverlening hierdoor heeft geleden.
5.24.
Ter beoordeling is dus of HSR zich op onrechtmatige wijze over MH Dienstverlening heeft uitgelaten tegenover Tata Steel. Uitgangspunt bij beantwoording van deze vraag is dat de toewijzing van de vorderingen van MH Dienstverlening een beperking inhoudt van het in artikel 10, lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van HSR op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10, lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van HSR onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.25.
Het belang van HSR is dat zij zich kritisch moet kunnen uitlaten over haar ervaringen met personen of organisaties. Daarbij moet het haar ook vrij staan derden, zoals Tata Steel, te waarschuwen voor of te informeren over mogelijke misstanden of wanpraktijken. Het belang van MH Dienstverlening is erin gelegen dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan beschuldigingen die haar reputatie aantasten. Welke van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer worden betrokken of de beschuldigingen steun vinden in de feiten, de aard en wijze waarop de uitlatingen zijn gedaan, degene aan wie deze uitlatingen zijn gedaan en de ernst van de beschuldigingen en daarvan te verwachten gevolgen. Ook als de mededelingen waar zijn, kan sprake zijn van onrechtmatig handelen. In dat geval gaat het erom of degene die de mededelingen doet daarvan op dat moment op de hoogte was en, zo nee, of deze de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
5.26.
HSR betwist de door MH Dienstverlening gestelde uitlatingen richting Tata Steel niet. Zij stelt echter dat zij hier gegronde redenen voor had en dus niet onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens HSR heeft zij slechts haar bedenkingen geuit en constateringen naar voren gebracht richting haar opdrachtgever, Tata Steel, en was zij hier in haar relatie tot Tata Steel ook toe verplicht.
5.27.
De rechtbank zal de door HSR gedane uitlatingen hierna afzonderlijk bezien, om vervolgens alle omstandigheden af te wegen. Gelet op de formulering van de door MH Dienstverlening gevorderde verklaring voor recht, zal zij zich hierbij beperken tot de e-mails van HSR van 6 en 7 mei 2024 en 25 juni 2024. De op 7 oktober 2024 door Tata Steel aan MH Dienstverlening verstrekte agenda maakt geen onderdeel van deze vordering en zal daarom niet op rechtmatigheid worden beoordeeld.
E-mail van 6 mei 2024
5.28.
Op 6 mei 2024 heeft HSR Tata Steel het volgende bericht: “Sinds [naam 7] is aangesteld komen er steeds meer vreemde zaken naar boven waar ik niet vrolijk van wordt. Graag wil ik je daarover persoonlijk spreken want het zit me niet lekker” (zie 3.17 hiervoor). Wat HSR met ‘vreemde zaken’ bedoelt, wordt in deze e-mail niet gespecificeerd. De uitlating in deze e-mail kan daarmee op zichzelf genomen niet als onrechtmatig worden beschouwd.
E-mail van 7 mei 2024 – facturatiefraude
5.29.
Op 7 mei 2024 heeft HSR Tata Steel bericht dat zij ‘zeer sterk het vermoeden had’ dat MH Dienstverlening meer had gefactureerd dan zij aan werk had uitgevoerd (zie 3.18 hiervoor).
5.30.
HSR licht toe dat zij dit bericht heeft verstuurd, nadat zij in 2024 het vermoeden kreeg dat MH Dienstverlening te veel uren in rekening bracht. Het aantal uren dat MH Dienstverlening had gewerkt bleef namelijk gelijk, terwijl het werk bij Tata Steel afnam en HSR zelf met dat werk verlies maakte. Toen HSR MH Dienstverlening om een verklaring vroeg, bleef deze uit, aldus HSR. MH Dienstverlening weigerde daarnaast ook om HSR volledige inzage te geven in haar administratie. MH Dienstverlening betwist dit. Volgens MH Dienstverlening is zij nooit om een verklaring gevraagd en heeft zij HSR daarnaast nooit toegezegd inzage te krijgen in MH Dienstverlening’s volledige administratie. Wel heeft MH Dienstverlening aangeboden de door Tata Steel getekende werkbonnen (nogmaals) aan HSR toe te zenden.
5.31.
De rechtbank heeft er begrip voor dat voor een volledig onderzoek naar de juistheid van de facturatie, de medewerking van MH Dienstverlening vereist is. HSR heeft in de onderhavige procedure echter geen enkel stuk overgelegd dat haar vermoeden dat MH Dienstverlening mogelijk te veel in rekening bracht, onderbouwt. Dit terwijl zij aangeeft op basis van de haar beschikbare informatie een ‘zeer sterk vermoeden’ te hebben gehad. Daarbij heeft HSR Tata Steel al op 7 mei 2024 over dit zeer sterke vermoeden geïnformeerd, terwijl zij MH Dienstverlening, naar eigen zeggen, pas op 22 mei 2024 heeft gevraagd om inzage in haar administratie. Een en ander brengt mee, dat, tegenover de gemotiveerde betwisting van MH Dienstverlening, de door HSR gestelde en tegenover Tata Steel geuite vermoedens geen steun vinden in de feiten. Daar komt bij dat HSR wist dat MH Dienstverlening ook in de toekomst werkzaamheden zou verrichten voor Tata Steel en dus had moeten begrijpen dat deze uitlatingen de samenwerking tussen MH Dienstverlening en Tata Steel negatief zouden kunnen beïnvloeden. Deze omstandigheden samengenomen maken dat HSR zich, naar het oordeel van de rechtbank, op onnodig grievende en te lichtvaardige wijze over MH Dienstverlening heeft uitgelaten, door, zonder eerst zorgvuldig onderzoek te doen, aan Tata Steel te berichten dat zij een zeer sterk vermoeden had dat MH Dienstverlening te veel uren in rekening bracht.
E-mail van 7 mei 2024 – nalatig onderhoud machines
5.32.
Op 7 mei 2024 heeft HSR Tata Steel bericht dat zij geconstateerd had dat zij MH Dienstverlening al jaar en dag voor drie monteurs betaalt, maar dat deze de machines van HSR nooit hebben onderhouden, waardoor deze nu in slechte staat verkeren (zie 3.18 hiervoor).
5.33.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat HSR MH Dienstverlening er voor het eerst per e-mail van 3 mei 2024 mee heeft geconfronteerd dat zij de machines niet zou onderhouden, terwijl zij hier wel voor betaald werd door HSR. Zonder de reactie van MH Dienstverlening hierop af te wachten, heeft HSR Tata Steel vervolgens op 7 mei 2024 in ongeclausuleerde bewoordingen geïnformeerd dat het onderhoud waarvoor zij MH Dienstverlening betaalt nooit is uitgevoerd.
5.34.
Ook hiervoor geldt dat deze beschuldiging, tegenover de door MH Dienstverlening geformuleerde betwisting, onvoldoende steun vindt in de feiten. MH Dienstverlening heeft in haar reactie op de e-mail van 3 mei 2024 (de brief van [naam 5] van 21 mei 2024) aangegeven dat zij bij HSR herhaaldelijk gemeld heeft dat zij geen mogelijkheid en ruimte had voor het verrichten van groot onderhoud en dat HSR dit zou oppakken. Uit deze brief volgt daarnaast dat de monteurs wel klein onderhoud verrichtten. HSR heeft dit niet betwist. Zij stelt alleen dat het, in dat licht, onbegrijpelijk is dat 17,2% (2023) respectievelijk 18% (2024) van de door MH Dienstverlening in rekening gebrachte kosten, betrekking hebben op monteurswerk. Of HSR in deze berekening de kosten van de heer [naam 1] heeft meegenomen, waarvan MH Dienstverlening heeft erkend dat deze onterecht als monteurskosten zijn opgevoerd (zie 5.52 en 5.63 hierna), volgt niet uit deze berekening. Wat echter ook zij van het vermoeden van HSR dat MH Dienstverlening te veel monteurskosten in rekening heeft gebracht: dit was niet de strekking van haar bericht aan Tata Steel. Aan Tata Steel heeft HSR bericht dat MH Dienstverlening nooit onderhoud heeft verricht en dat dat zo is, is niet komen vast te staan. Onder de omstandigheid dat HSR de reactie van MH Dienstverlening niet heeft afgewacht, terwijl zij had moeten begrijpen dat dit de relatie van MH Dienstverlening met Tata Steel zou kunnen schaden, was deze uitspraak over MH Dienstverlening onnodig grievend.
E-mail van 7 mei 2024 – inzet machines elders
5.35.
Op 7 mei 2024 heeft HSR Tata Steel bericht dat ‘het niet anders kan zijn’ dan dat MH Dienstverlening machines van HSR elders heeft ingezet, zonder dat daar een opbrengst tegenover stond voor HSR (zie 3.18 hiervoor).
5.36.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals volgt uit 5.61 hierna, heeft MH Dienstverlening erkend dat zij deze heeft gebruikt voor een proef bij Braam. en heeft zij ook aangeboden de kosten voor het aanpassen van de zeefmachine te vergoeden. Daarnaast heeft zij echter gemotiveerd toegelicht dat zij voor de inzet van de zeefmachine bij Braam toestemming had van [naam 11] , de [functie 5] van HSR. Volgens HSR ging [naam 11] hier niet over, maar zij heeft niet gemotiveerd waarom MH Dienstverlening dat ook zo had moeten begrijpen. Uit de e-mail van 3 mei 2024 van [naam 3] (HSR) aan MH Dienstverlening volgt daarnaast dat MH Dienstverlening al had toegezegd de kosten voor de aanpassing van de zeef te vergoeden. Voorts heeft HSR niet betwist dat zij zowel huur- als transportkosten voor de zeefmachine in rekening heeft gebracht bij Braam respectievelijk MH Dienstverlening zelf. Dat betekent dat de stelling dat HSR hier niet voor zou worden gecompenseerd, geen steun vindt in de feiten, terwijl het een ernstige beschuldiging is waarvan HSR had moeten begrijpen dat deze de samenwerking tussen MH Dienstverlening en Tata Steel kon schaden. Dat MH Dienstverlening, naast de zeefmachine, ook nog andere machines van HSR elders heeft ingezet, heeft HSR in het geheel niet gemotiveerd.
E-mail 25 juni 2024 – omkoping
5.37.
Op 25 juni 2024 heeft HSR Tata Steel geïnformeerd dat MH Dienstverlening diverse machinisten 500 euro had aangeboden als ze het werk meteen zouden verlaten (zie 3.19 hiervoor). Pas een dag later, op 26 juni 2024, heeft HSR ook MH Dienstverlening hiermee geconfronteerd. MH Dienstverlening heeft naar aanleiding hiervan onderzoek gedaan naar deze beschuldiging en deze, onder overlegging van verklaringen van machinisten die ontkennen dat hen geld is aangeboden, gemotiveerd betwist. HSR heeft hier geen nadere onderbouwing tegenover gesteld en destijds aangegeven het daarbij te laten. Ter zitting heeft HSR erkend dat zij hier geen nader onderzoek naar heeft gedaan en dat heeft overgelaten aan Tata Steel. Deze omstandigheden brengen mee dat HSR, naar het oordeel van de rechtbank, MH Dienstverlening op lichtvaardige wijze heeft blootgesteld aan ernstige beschuldigingen, waarvan zij had moeten begrijpen dat deze de relatie van MH Dienstverlening en Tata Steel negatief zou kunnen beïnvloeden.
Gevolgen van de onrechtmatige uitlatingen
Verklaring voor recht
5.38.
De onder 4.1(iii) gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen voor zover deze ziet op de e-mails van 7 mei 2024 en 25 juni 2024.
Verbod
5.39.
MH Dienstverlening vordert hiernaast dat het HSR wordt verboden om, op welke wijze dan ook, onrechtmatige uitlatingen te doen over MH Dienstverlening, op straffe van een dwangsom. Dit verbod zou een grote beperking zijn van de vrijheid van meningsuiting van HSR. Uit de vordering volgt namelijk dat het verbod en de daaraan gekoppelde dwangsom ook van toepassing zou zijn op uitlatingen die geen onderdeel vormen van dit geschil. Daar komt bij dat er, op basis van de door partijen gegeven toelichting, geen aanwijzingen zijn dat HSR zich sinds de e-mails van 7 mei 2024 en 24 juni 2024 op negatieve wijze over MH Dienstverlening heeft uitgelaten, noch dat het risico bestaat dat HSR dat in de toekomst zal doen. Vordering 4.1 onder (iv) zal daarom worden afgewezen.
Rectificatie
5.40.
MH Dienstverlening vordert HSR op te dragen dat zij aan Tata Steel een rectificatie verstuurt van de onrechtmatige uitlatingen die zij over MH Dienstverlening heeft gedaan (vordering 4.1 onder (v)). De rechtbank wijst deze vordering af. De reden hiervoor is als volgt.
5.41.
Het doel van een rectificatie is om het geleden nadeel weg te nemen door de geschonden eer en goede naam van de benadeelde te herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit doel met de door MH Dienstverlening gevraagde rectificatie niet bereikt. Sinds HSR zich in de e-mails van 7 mei en 24 juni 2024 op onrechtmatige wijze uitliet over MH Dienstverlening, is (bijna) twee jaar verstreken. Het is niet gebleken dat de schending in haar eer en goede naam van destijds ook op dit moment nog voor MH Dienstverlening voelbaar is. Daarnaast is Tata Steel in mei 2025 uiteindelijk toch overgegaan tot de definitieve gunning van project Slakzand aan MH Dienstverlening, waardoor de door MH Dienstverlening veronderstelde negatieve impact van de uitlatingen en de geleden reputatieschade sowieso beperkt lijkt te zijn. Een en ander samengenomen, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de door MH Dienstverlening gevraagde rectificatie het nadeel dat zij destijds aan de e-mails van 7 mei 2024 en 24 juni 2024 heeft ondervonden, niet zal wegnemen.
Schadevergoeding
5.42.
MH Dienstverlening stelt zich op het standpunt dat zij door de onrechtmatige beschuldigingen van HSR zowel materiële als immateriële schade heeft geleden. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade, heeft MH Dienstverlening aangevoerd dat de definitieve gunning van project Slakzand door het onderzoek van de bedrijfsrecherche van Tata Steel met negen maanden is uitgesteld. Uitgaande van een opdrachtwaarde van € 1.500.000 per jaar, komt de misgelopen omzet volgens de door MH Dienstverlening gecontracteerde registeraccountant neer op 9/12 x 1.500.000 = € 1.125.000. Met een toepassing van een bruto winstmarge van 24,2%, bedraagt de door MH Dienstverlening geleden vertragingsschade € 272.250,-, aldus MH Dienstverlening.
5.43.
Hiernaast stelt MH Dienstverlening dat zij kosten heeft moeten maken voor het onderzoek door de bedrijfsrecherche van Tata Steel. Zij heeft zich daarvoor laten adviseren door een recherchebureau, dat hiervoor € 2.994,75 in rekening heeft gebracht. Voorts stelt MH Dienstverlening dat de beschuldigingen van HSR haar in haar reputatie hebben geschaad en emotionele en psychologische gevolgen hebben gehad voor MH Dienstverlening en haar medewerkers, waaronder verlies van vertrouwen, stress en onzekerheid binnen de organisatie. MH Dienstverlening acht om deze reden een immateriële schadevergoeding van € 25.000,- gerechtvaardigd. In totaal, komt de materiële en immateriële schade die MH Dienstverlening stelt te hebben geleden neer op € 272.250 + € 2.994,75 + € 25.000 = € 300.244,75.
5.44.
HSR betwist dat MH Dienstverlening schade heeft geleden doordat project Slakzand pas in mei 2025 definitief aan MH Dienstverlening is gegund. Volgens HSR was de vertraging van deze gunning niet het gevolg van het rechercheonderzoek van Tata Steel, maar het gevolg van capaciteitstekort aan de zijde van Tata Steel. Ook als de definitieve gunning wel vertraging heeft opgelopen door het rechercheonderzoek, is hier volgens HSR geen schade door ontstaan. Het werk dat haar via project Slakzand gegund werd, verrichte MH Dienstverlening namelijk al in onderaanneming, aldus HSR. Daarnaast betekent de vertraagde start van de gunning dat deze ook langer doorloopt. De omzet uit deze tender is dus alleen vertraagd. Voorts betwist HSR de door MH Dienstverlening gehanteerde winstmarge van 24,2%. Volgens HSR kan het niet kloppen dat MH Dienstverlening zowel voor haar werkzaamheden voor HSR als voor project Slakzand (exact) dezelfde marge maakt.
5.45.
De rechtbank overweegt als volgt. MH Dienstverlening heeft het standpunt van HSR, dat MH Dienstverlening geen schade heeft geleden omdat project Slakzand slechts is uitgesteld en MH Dienstverlening dezelfde werkzaamheden reeds in onderaanneming verrichtte, niet betwist. Dat betekent dat, onafhankelijk van de vraag of de door MH Dienstverlening gehanteerde winstmarge correct is, de door MH Dienstverlening gevorderde schade uit hoofde van de vertraagde gunning van project Slakzand, niet voor vergoeding in aanmerking komt.
5.46.
Dat is anders voor de kosten die MH Dienstverlening heeft moeten maken voor de bijstand in het rechercheonderzoek door Tata Steel. HSR heeft deze kosten niet betwist. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat Tata Steel het rechercheonderzoek heeft geïnitieerd naar aanleiding van de beschuldigingen van HSR. Er is dus sprake van een direct causaal verband tussen de onrechtmatige beschuldigingen van HSR en de kosten die MH Dienstverlening heeft moeten maken om zich daartegen te verweren. De vordering tot vergoeding van deze kosten is dus toewijsbaar.
5.47.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding staat voorop dat ook aan een commerciële onderneming immateriële schadevergoeding kan worden toegekend (zie onder meer EHRM 6 april 2000, NJ 2000, 612). Omstandigheden die daartoe aanleiding kunnen geven zijn, onder meer, schending van de reputatie van de onderneming, verstoring van de bedrijfsvoering en, tot op zekere hoogte, de zorgen en het ongemak die door het onrechtmatig handelen zijn veroorzaakt. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, acht de rechtbank een bedrag van in totaal € 5.000,- in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Daarbij neemt zij in overweging dat Tata Steel uiteindelijk toch overgegaan is tot de definitieve gunning van project Slakzand aan MH Dienstverlening, waardoor de geleden reputatieschade beperkt lijkt te zijn.
5.48.
Concluderend, betekent dit dat de vordering onder 4.1(vii) zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.994,75 + € 5.000 = € 7.994,75.
III. Zijn er nog onbetaalde facturen?
5.49.
Volgens MH Dienstverlening staat op het moment van dagvaarden een bedrag van
€ 178.327,10 open aan onbetaalde facturen. MH Dienstverlening verwijst hiervoor naar het overzicht dat zij bij dagvaarding heeft overlegd. MH Dienstverlening heeft hierop een (onbetwiste) vordering van HSR van € 42.568,16 in mindering gebracht en vordert in deze procedure betaling van het restant van € 178.327,10 - € 42.568,16 = € 135.758,94, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. De vordering van MH Dienstverlening uit hoofde van onbetaalde facturen is weergegeven in figuur 1.
Figuur 1: gestelde vorderingen MH Dienstverlening op HSR
Factuurnr.
Datum
Bedrag
Omschrijving
Divers
29 maart 2024 t/m 17 mei 2024
€ 178.327,10
-
-
-
€ -42.568,16
creditfactuur
Totaal
€ 135.758,94
5.50.
HSR stelt dat de vorderingen van MH Dienstverlening door verrekening teniet zijn gegaan en/of in deze procedure dienen te worden verrekend met de facturen van HSR die zijn opgenomen in onderstaande figuur 2. Daarnaast betwist HSR de facturen van MH Dienstverlening voor zover deze zien op de monteurskosten van de heer [naam 1] , waarvoor MH Dienstverlening volgens HSR een te hoog uurtarief heeft gehanteerd.
Figuur 2: gestelde vorderingen HSR op MH Dienstverlening
Factuurnr.
Datum
Bedrag (incl. btw)
Omschrijving
-
21 mei 2024
€ 80.000,-
Compensatie voor brandstof
[nummer 1]
13 juni 2024
€ 74.402,90
Reparatie en schade door ongeautoriseerde inzet van de zeefmolen
[nummer 2]
13 juni 2024
€ 23.700,24
Compensatie voor gereedschap en PBM’s (50%)
[nummer 3]
13 juni 2024
€ 23.478,84
Correctie tarief monteur/planner x 35 weken
[nummer 4]
9 juli 2025
€ 11.990,19
Doorbelasting van energiekosten
Totaal
€ 213.572,17
Heeft MH Dienstverlening een vordering op HSR uit hoofde van onbetaalde facturen?
5.51.
Met uitzondering van de facturen die betrekking hebben op de hierna te bespreken monteurskosten, heeft HSR de facturen die volgens MH Dienstverlening nog openstaan (
figuur 1hiervoor) niet betwist. Gelet op artikel 149 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), moet de schuld uit hoofde van deze facturen daarom als vaststaand worden beschouwd. MH Dienstverlening heeft recht op betaling van deze facturen, vermeerderd met wettelijke handelsrente.
5.52.
Ten aanzien van de door HSR betwiste monteurskosten, zijn de standpunten van partijen als volgt. HSR stelt dat MH Dienstverlening voor een van haar planners, de heer [naam 1] , gedurende 35 weken een te hoog uurtarief in rekening heeft gebracht. Voor hem is door MH Dienstverlening een tarief gehanteerd van € 45,- per uur, terwijl dit tarief volgens HSR alleen geldt voor voormannen en monteurs. Voor planners geldt een tarief van € 38,- per uur (€ 7,- verschil), aldus HSR. MH Dienstverlening betwist dit. Volgens haar geldt voor monteurs en planners hetzelfde tarief van € 45,- per uur en klopt het dus niet dat er te veel in rekening is gebracht.
5.53.
MH Dienstverlening heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat tussen de onbetaalde facturen ook facturen zitten die betrekking hebben op de werkzaamheden van de heer [naam 1] . Omdat MH Dienstverlening degene is die om betaling verzoekt, geldt op grond van artikel 150 Rv Pro dat zij dient te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, dient te bewijzen dat de betreffende facturen terecht bij HSR in rekening zijn gebracht.
5.54.
De rechtbank oordeelt dat MH Dienstverlening onvoldoende heeft onderbouwd dat de tarieven die zij voor de heer [naam 1] in rekening heeft gebracht, juist zijn. Zij heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt welke tarieven zijn afgesproken. Daarnaast heeft zij ook geen concreet aanbod gedaan om hier alsnog bewijs van aan te leveren. Dat betekent dat voor zover de onbetaalde facturen van MH Dienstverlening betrekking hebben op werkzaamheden van de heer [naam 1] , deze slechts voor vergoeding in aanmerking komen tot het onbetwiste bedrag van € 38,- per uur. Omdat de rechtbank op basis van het overzicht van MH Dienstverlening niet kan opmaken welke openstaande facturen zien op de werkzaamheden van de heer [naam 1] , draagt de rechtbank MH Dienstverlening op deze facturen bij nadere akte te overleggen, op de wijze zoals vermeld onder 5.65 e.v. hierna.
Kan HSR de vorderingen van MH Dienstverlening verrekenen?
5.55.
Allereerst stelt HSR zich op het standpunt dat de openstaande facturen van MH Dienstverlening voorafgaand aan deze procedure al door een verrekeningsverklaring teniet zijn gegaan. Voor zover dat niet het geval is, stelt HSR dat de vorderingen van MH Dienstverlening in deze procedure alsnog moeten worden verrekend met de facturen van HSR die zijn opgenomen in
figuur 2(zie 5.50 hiervoor). Beide verrekeningsverweren worden door MH Dienstverlening betwist.
5.56.
Bij een bevrijdend verweer van verrekening is het aan de verweerder (hier: HSR) om voldoende gemotiveerd te stellen en, bij betwisting, te bewijzen dat zijn schuld aan eiser (hier: MH Dienstverlening) door verrekening teniet is gegaan. Daarbij geldt op grond van artikel 6:136 BW Pro dat de gegrondheid van het beroep op verrekening (dat wil zeggen: de gegrondheid van de vordering die ter verrekening is/wordt ingeroepen) op eenvoudige wijze moet kunnen worden vastgesteld.
5.57.
Ter onderbouwing van haar beroep op verrekening, verwijst HSR naar het e-mailbericht van 27 september 2024 van HSR aan MH Dienstverlening (3.11 hiervoor). Hierin staat, kort gezegd, dat tussen partijen overeengekomen is dat de op dat moment openstaande posten met elkaar worden verrekend en dat dat (in ieder geval) neerkomt op het verrekenen van een vordering van € 177.963,- van MH Dienstverlening met een vordering van € 178.122,- van HSR. Uit deze e-mail kan echter niet worden afgeleid op welke facturen deze verrekening betrekking heeft. Dit kan ook niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld op basis van de vorderingen die HSR op MH Dienstverlening stelt te hebben, zoals opgenomen in bovenstaande
figuur 2. De rechtbank zal daarom per vordering nagaan of deze voor verrekening in aanmerking komt.
Brandstof
5.58.
In de e-mail van 3 maart 2024 van HSR aan MH Dienstverlening schrijft HSR dat tussen partijen is afgesproken dat MH Dienstverlening een bedrag van € 80.000,- zal betalen ter compensatie van, onder andere, brandstof. In de brief van 21 mei 2024 van [naam 5] ( [functie 4] van MH Dienstverlening) wordt dit bevestigd en aangegeven dat dit bedrag zal worden verrekend. MH Dienstverlening stelt dat deze bereidheid gestoeld was op de veronderstelling dat MH Dienstverlening hierdoor op korte termijn haar werkzaamheden voor HSR weer zou kunnen hervatten. Voor zover zij hiermee bedoelt te zeggen dat deze toezegging voorwaardelijk was, gaat de rechtbank hier niet in mee. De brief van [naam 5] ondersteunt deze uitleg niet en MH Dienstverlening heeft dit ook niet op andere wijze onderbouwd. Dat betekent dat op eenvoudige wijze is komen vast te staan dat HSR een vordering heeft op MH Dienstverlening ter hoogte van € 80.000,- en dat deze vordering, mede gelet op artikel 6:127, lid 2 BW, met vorderingen van MH Dienstverlening op HSR kan worden verrekend.
Gereedschap en PBM’s
5.59.
Ook de vordering van HSR van € 19.586,97 ter compensatie van de kosten voor gereedschap en PBM’s (factuurnummer [nummer 2] ), komt gedeeltelijk voor verrekening in aanmerking. [naam 5] heeft in dezelfde brief van 21 mei 2024 aangegeven dat MH Dienstverlening de kosten van de gereedschappen voor 100% en de kosten van de PBM’s voor 50% zal vergoeden, mits HSR deze kosten met inkoopfacturen onderbouwt. HSR heeft bij haar factuur alle inkoopfacturen verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft HSR de verschuldigdheid van de bedragen van € 15.044,23 (gereedschap) en € 2.762,11 (PBM’s – 50%) hiermee voldoende onderbouwd. Dat geldt niet voor het bedrag van € 1.780,63, dat HSR aan ‘overheadkosten’ in rekening heeft gebracht. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat is afgesproken dat ook die kosten aan HSR zullen worden vergoed. De factuur komt daarmee tot een bedrag van € 15.044,23 + € 2.762,11 = € 17.806,34 voor verrekening in aanmerking. Anders dan MH Dienstverlening stelt, acht de rechtbank het niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid om MH Dienstverlening aan deze toezegging te houden, nu ook ten aanzien van deze vordering uit de brief van [naam 5] niet blijkt dat deze toezegging is gedaan onder de voorwaarde dat de samenwerking weer zou worden hervat.
Zeefmolen, monteurskosten en energiekosten
5.60.
Anders dan voor bovengenoemde twee vorderingen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vorderingen uit hoofde van het gebruik en de reparatie van de zeefmolen
(€ 74.402,90), de monteurskosten (€ 19.404,-) en de doorbelasting energiekosten
(€ 11.990,19) niet op eenvoudige wijze kunnen worden vastgesteld en daarom niet voor verrekening in aanmerking komen. Zij licht dit toe.
5.61.
HSR heeft MH Dienstverlening op 13 juni 2024 een factuur toegestuurd met factuurnummer [nummer 1] , waarin de volgende kosten in rekening worden gebracht: (i) reparatie zeefmolen - € 35.000, (ii) schade n.a.v. ongeautoriseerde inzet zeef (schatting):
€ 15.000, (iii) transportkosten - € 900,- en (iv) overheadkosten van 10% - € 5.590
(totaal: € 61.490,- incl. / € 74.402,90 excl. btw). Deze vordering wordt door MH Dienstverlening betwist. MH Dienstverlening stelt dat deze herstelkosten al door HSR aan MH Dienstverlening zijn gefactureerd en dat HSR deze kosten nu dubbel in rekening brengt. Daarnaast betwist zij dat de door HSR in rekening gebrachte kosten allemaal voor vergoeding in aanmerking komen. Zij wijst erop dat de offerte van Wirtgen Group, die HSR ter onderbouwing van de reparatiekosten heeft meegestuurd, ook kosten bevat voor werkzaamheden die in februari en maart 2024 hebben plaatsgevonden, terwijl de zeef pas op 4 april 2024 door MH Dienstverlening werd gebruikt. Daarnaast betwist MH Dienstverlening dat afgesproken is dat MH Dienstverlening ook de posten genoemd onder (ii) tot en met (iv) aan HSR zou vergoeden en wijst zij erop dat HSR zowel bij MH Dienstverlening, als bij Braam, al transportkosten voor de zeef in rekening heeft gebracht. HSR heeft dit niet gemotiveerd betwist. Dit betekent dat de vordering van HSR uit hoofde van de zeefmolen niet eenvoudig kan worden vastgesteld.
5.62.
Hetzelfde geldt voor de factuur van 9 juli 2025 (factuurnummer [nummer 4] ) ten bedrage van € 11.990,19. Deze factuur heeft betrekking op de doorbelasting van energiekosten voor een hal die MH Dienstverlening op het terrein van Tata Steel in gebruik heeft, die bij HSR in rekening zijn gebracht. MH Dienstverlening betwist niet dat zij voor deze energiekosten moet betalen, maar geeft aan dat HSR de eindafrekeningen waarop deze factuur is gebaseerd, niet heeft overgelegd, waardoor zij deze niet kan controleren. Dit betekent dat ook de vordering van HSR uit hoofde van de doorbelasting van energiekosten niet eenvoudig kan worden vastgesteld. Dat MH Dienstverlening hier pas op de mondelinge behandeling mee werd geconfronteerd, is een risico dat voor rekening komt van HSR, nu zij bewust af heeft gezien van het instellen van een reconventionele vordering.
5.63.
Tot slot, overweegt de rechtbank ten aanzien van de monteurskosten (€ 19.404,-) als volgt. Zoals volgt uit 5.52-5.54 hiervoor, stelt HSR zich op het standpunt dat MH Dienstverlening een te hoog uurtarief in rekening heeft gebracht voor een van de door haar ingezette zzp’ers, de heer [naam 1] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft MH Dienstverlening erkend dat in ieder geval een gedeelte van deze vordering betrekking heeft op de openstaande facturen waarvan MH Dienstverlening betaling vordert. Zoals de rechtbank onder 5.53 heeft toegelicht, draagt MH Dienstverlening ten aanzien daarvan de bewijslast. Dat ligt anders voor zover HSR bij wijze van ‘terugbetaling’ verrekening vordert van facturen die zij al heeft voldaan. Voor deze vordering geldt (i) dat HSR op grond van artikel 150 Rv Pro de bewijslast draagt en (ii) dat deze op eenvoudige wijze moet kunnen worden vastgesteld. Dit laatste is niet het geval, nu MH Dienstverlening betwist dat zij een onjuist uurtarief heeft toegepast en partijen geen stukken hebben overgelegd waaruit kan worden opgemaakt welke afspraken hierover zijn gemaakt. Dat betekent dat de vordering van HSR uit hoofde van te veel betaalde monteurskosten niet voor verrekening in aanmerking komt. De stelling van MH Dienstverlening dat de vordering van MH Dienstverlening door rechtsverwerking teniet is gegaan, behoeft hierdoor geen bespreking meer.
5.64.
Een en ander betekent dat het verrekeningsverweer van HSR gedeeltelijk slaagt, tot een bedrag van € 80.000,- + € 17.806,34 = € 97.806,34. Wat dit betekent voor (de hoogte van) de vordering van MH Dienstverlening, is afhankelijk van de informatie die zij overeenkomstig de hierna genoemde opdracht moet verstrekken.
IV. Vervolg
5.65.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen onder 5.21 en 5.54, ziet zij aanleiding om MH Dienstverlening de gelegenheid te bieden haar standpunten op twee punten te specificeren: (i) de winstmarge die is opgenomen in de schadeberekening van Fiks Accountants en (ii) de facturen die betrekking hebben op de werkzaamheden van de heer [naam 1] .
5.66.
Ad (i) draagt de rechtbank MH Dienstverlening op om, door overlegging van een door Fiks Accountants opgestelde specificatie, toe te lichten hoe de in de schadeberekening opgenomen winstmarge van 24,2% tot stand is gekomen en of de gunning van project Slakzand daaraan is meegenomen. Voor zover dat laatste het geval is, verzoekt de rechtbank MH Dienstverlening om, onder overlegging van een door Fiks Accountants opgestelde berekening, gemotiveerd toe te lichten hoe deze winstmarge eruit zou zien als de (vertraagde) gunning van project Slakzand buiten beschouwing zou worden gelaten en op basis daarvan de schadevergoeding die zij vordert onder 4.1(ii) her te berekenen, met inachtneming van de door de rechtbank vastgestelde opzegtermijn van zes maanden over de periode van 26 april 2024 tot en met 26 oktober 2024 (zie 5.18 hiervoor).
5.67.
Ad (ii) draagt de rechtbank MH Dienstverlening op om de facturen te overleggen die zijn opgenomen in het overzicht in productie 11 bij de dagvaarding, voor zover deze betrekking hebben op de werkzaamheden van de heer [naam 1] , met een specificatie van het aantal gewerkte uren voor zover dat niet al blijkt uit de betreffende factuur. De rechtbank draagt MH Dienstverlening hiernaast op om de door haar gevorderde betaling van de openstaande facturen her te berekenen, met in achtneming van het oordeel van de rechtbank dat de openstaande facturen die betrekking hebben op de werkzaamheden van de heer [naam 1] , slechts tot een bedrag van € 38,- per uur voor vergoeding in aanmerking komen (zie 5.54 hiervoor).
5.68.
MH Dienstverlening dient de betreffende specificaties bij nadere akte te overleggen, op de wijze die wordt voorgeschreven in de beslissing. HSR zal vervolgens de gelegenheid krijgen hier binnen drie weken bij akte op te reageren. De beide aktes dienen zich te beperken tot de genoemde winstmarge en de facturen die betrekking hebben op de werkzaamheden van de heer [naam 1] . Het is niet de bedoeling dat partijen in deze aktes ook op andere punten ingaan. Als dat wel gebeurt, zullen de aktes op die punten buiten beschouwing worden gelaten.
5.69.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 3 juni 2026 voor het indienen door MH Dienstverlening van een akte waarmee wordt voldaan aan hetgeen hiervoor onder 5.65 tot en met 5.68 is overwogen, waarna HSR op de rol van drie weken daarna (24 juni 2026) een antwoordakte kan nemen;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Bavinck en in het openbaar uitgesproken op
13 mei 2026.