Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4471

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
13-023935-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opgelegde ISD-maatregel voor recidiverende diefstal en vernieling in Amsterdam

De rechtbank Amsterdam heeft op 6 mei 2026 uitspraak gedaan in twee aan verdachte ten laste gelegde strafbare feiten: diefstal van sokken, parfum en een tas op 23 januari 2026 en vernieling van een autospiegel op 3 september 2025. Verdachte heeft de diefstal bekend en de vernieling is bewezen door getuigenverklaringen en zijn eigen bekentenis.

De rechtbank achtte de feiten strafbaar en vond geen rechtvaardigingsgrond of omstandigheden die strafbaarheid uitsluiten. Verdachte heeft een strafblad met meerdere eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en vertoont een hoog recidiverisico. De reclassering adviseerde een ISD-maatregel vanwege de ernst van de feiten, het ontbreken van stabiele woon- en leefomstandigheden, en problematiek rondom middelengebruik en psychopathologie.

De rechtbank legde de maximale ISD-maatregel van twee jaar op zonder aftrek van voorarrest. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €217,08 schadevergoeding aan de benadeelde partij voor de vernieling, vermeerderd met wettelijke rente en met een gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.

De maatregel is bedoeld om recidive te voorkomen en passende hulp te bieden, gezien het falen van eerdere straffen om gedragsverandering te bewerkstelligen. De uitspraak weerspiegelt de noodzaak van een beschermend kader voor stelselmatige daders met een hoog risico op herhaling.

Uitkomst: Verdachte krijgt een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd en moet schadevergoeding betalen voor vernieling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/023935-26 (zaak A) en 13/232326-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 6 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieadres].

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 april 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ettalhaoui, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van zaak A:
hij op of omstreeks 23 januari 2026 te Amsterdam sokken en/of parfum en/of een tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Zara, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van zaak B:
hij op of omstreeks 3 september 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een autospiegel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Zaak A
[persoon] heeft namens de Zara, gevestigd aan de [adres], aangifte gedaan van diefstal van sokken, parfum en een tas op 23 januari 2026. [2] Ter terechtzitting van 22 april 2026 heeft verdachte deze diefstal bekend.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 23 januari 2026 sokken, parfum en een tas heeft weggenomen.
Zaak B
[benadeelde partij] heeft aangifte gedaan van vernieling van de spiegel van zijn auto met kenteken [kenteken] op 3 september 2025 in de [straatnaam] in Amsterdam. [3] Getuige [getuige] heeft gezien dat een persoon een trap gaf tegen een auto en dat deze persoon is aangehouden door de politie. [4] De verbalisanten ter plaatse hebben verdachte aangehouden en zagen dat de linker spiegel van de auto met het kenteken [kenteken] vernield was. [5] Op 4 september 2025 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij een spiegel van een auto stuk heeft gemaakt. [6]
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 3 september 2025 een autospiegel heeft vernield.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A:
op 23 januari 2026 te Amsterdam sokken, parfum en een tas, die aan Zara toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van zaak B:
op 3 september 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een autospiegel, die aan een ander, te weten aan [benadeelde partij], toebehoorde heeft vernield.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een ISD-maatregel van een jaar op te leggen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en vernieling. Dit zijn vervelende feiten waarmee verdachte overlast heeft veroorzaakt.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 5 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waarbij onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 1 april 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker]. Uit het rapport volgt onder meer dat het verdachte ontbreekt aan een structureel inkomen, een stabiele woonplek en een ondersteunend sociaal netwerk in Nederland. Daarnaast zijn er aanwijzingen van verdovende middelenproblematiek en psychopathologie, welke hebben bijgedragen aan het ontstaan van justitiecontacten. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is een procedure opgestart om het EU-verblijfsrecht van verdachte in te trekken en hem ongewenst te verklaren. Verdachte heeft onvoldoende rechten opgebouwd om aanspraak te kunnen maken op sociale voorzieningen in Nederland waardoor aan een hulpverleningstraject onvoldoende inhoud gegeven kan worden. Een reclasseringstoezicht is derhalve niet uitvoerbaar. Het recidiverisico blijft daardoor hoog. De reclassering is van oordeel dat verdachte aan zowel de harde als de zachte criteria van de ISD-maatregel voldoet en adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Indien verdachte ongewenst wordt verklaard, komt hij in aanmerking voor de Vreemdelingen (VRIS) ISD-maatregel.
De rechtbank heeft reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] ter zitting als deskundige gehoord. Zij heeft het advies bevestigd.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De vele tot nu toe aan verdachte opgelegde straffen hebben er niet toe geleid dat verdachte zijn gedrag heeft veranderd. Het beschermende kader van een ISD-maatregel is dan ook noodzakelijk om het hoge recidiverisico in te perken en verdachte passende hulp te kunnen bieden.
Om de beëindiging van de recidive en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 217,08 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (3 september 2025).
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A:
diefstal
ten aanzien van zaak B:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaar.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 217,08 (tweehonderdzeventien euro en acht eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 217,08 (tweehonderdzeventien euro en acht eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 (twee) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en A.L. op 't Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. K.M.S. Kamp en M.H.G. Brinkman, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2026.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van aangifte met nummer 260123-2313-794, p. 5.
3.Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2025222487-2, p. 12.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 250903-2516-533, p. 7.
5.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025222072-7, p. 9.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2025222072-8, p. 14.