Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[eiser 1] ,
2.
NOAH HOLDING B.V.,
3.
NOMI B.V.,
4.
STICHTING NOMI,
1.STICHTING HULPTROEPEN ALLIANTIE,
2.
HULPTROEPEN ALLIANTIE B.V.,
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
- het vonnis van 7 mei 2024 van deze rechtbank (kenmerk: C/13/749574 / KG ZA 24-325), waarin (voor zover hier van belang) het door SHA c.s. gelegde conservatoire beslag ten laste van [naam 3] is opgeheven tot een bedrag van € 100.000, op grond van een belangenafweging waarin de effectieve toegang tot de rechter voor [naam 3] c.s. zwaarder woog dan de mate van zekerheid die SHA c.s. zullen hebben bij het verhaal van (een deel van) de gestelde vordering;
- het vonnis van 6 oktober 2025 van deze rechtbank (kenmerk: C/13/774813 / KG ZA 25-690), waarin (voor zover hier van belang) het door SHA c.s. gelegde executoriale beslag ten laste van [naam 2] gedeeltelijk werd opgeheven tot een bedrag van € 150.000, op grond van een belangenafweging waarin het belang van [naam 2] om rechtsbijstand te kunnen inschakelen voor het aanhangige hoger beroep zwaarder woog dan het belang van SHA c.s. om haar volledige vordering nu te kunnen verhalen.
- het arrest van 7 november 2025 van het Gerechtshof Amsterdam (kenmerk: 200.360.101/01), waarin (voor zover hier van belang) een belangenafweging eveneens tot de conclusie leidde dat het door SHA c.s. gelegde executoriale beslag gedeeltelijk moest worden opgeheven, met dien verstande dat het Hof het aannemelijk achtte dat [naam 2] c.s. in redelijkheid ongeveer € 100.000 (inclusief btw) aan kosten voor rechtsbijstand zal moeten maken voor het hoger beroep.
“Mocht u nog vragen hebben, stel ze gerust”.