Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4473

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/13/786412 / KG ZA 26-302 EAM/JD
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 71 GrondwetArt. 552a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering opheffing beslag voor financiering rechtsbijstand mondkapjesdeal

In deze zaak vordert eiser, bestuurder en aandeelhouder betrokken bij de mondkapjesdeal, gedeeltelijke opheffing van een executoriaal derdenbeslag van €150.000 op zijn bankrekeningen om zijn kosten van rechtsbijstand in hoger beroep te kunnen betalen. Dit beslag is gelegd door Stichting Hulptroepen Alliantie (SHA) ter verzekering van vorderingen uit een eerdere civiele procedure.

De rechtbank weegt het belang van eiser om toegang tot de rechter te behouden tegen het belang van SHA om haar vorderingen te incasseren. Hoewel eiser stelt in financiële nood te verkeren, blijkt uit verstrekte informatie dat hij wel degelijk onbeslagen vermogen en inkomsten heeft, maar onvoldoende transparantie biedt over zijn financiële situatie. Eerdere verzoeken om onderbouwing zijn niet adequaat beantwoord.

De rechtbank oordeelt dat het belang van SHA zwaarder weegt dan het spoedeisende belang van eiser. Ook een eerdere strafrechtelijke beschikking tot gedeeltelijke opheffing van beslag werkt niet door in deze civiele procedure. Eiser wordt aangespoord om gefinancierde rechtsbijstand aan te vragen en krijgt voldoende tijd om zijn financiële nood aannemelijk te maken. De gevorderde voorzieningen worden geweigerd en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank weigert gedeeltelijke opheffing van het beslag van €150.000 voor financiering van rechtsbijstand wegens onvoldoende transparantie en weegt het belang van SHA zwaarder.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/786412 / KG ZA 26-302 EAM/JD
Vonnis in kort geding van 6 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
NOAH HOLDING B.V.,
te Workum,
3.
NOMI B.V.,
te Workum,
4.
STICHTING NOMI,
te Workum,
eisende partijen bij dagvaarding op verkorte termijn van 17 april 2026,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1] , Noah Holding, Nomi BV en Stichting Nomi, en gezamenlijk: [eiser 1] c.s. (meervoud),
advocaat: mr. G.C. Endedijk,
tegen

1.STICHTING HULPTROEPEN ALLIANTIE,

te Amsterdam,
2.
HULPTROEPEN ALLIANTIE B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: SHA en HABV, en gezamenlijk: SHA c.s. (meervoud),
advocaat: mr. I. Spinath.

1.De procedure

Ter zitting van 22 april 2026 heeft [eiser 1] c.s. de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. SHA c.s. heeft verweer gevoerd aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.
Ter zitting waren aanwezig:
aan de kant van [eiser 1] c.s.:
- [eiser 1] met mr. Endedijk;
aan de kant van SHA c.s.:
- [naam 1] , bestuurder van SHA, met mr. I. Spinath.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van Noah Holding. Samen met [naam 2] en [naam 3] is [eiser 1] ook (indirect) aandeelhouder van de besloten vennootschap Relief Goods Alliance B.V. (hierna: RGA). Deze vennootschap heeft in april 2020, tijdens de coronacrisis, een overeenkomst voor de levering van 40 miljoen mondkapjes gesloten (‘de mondkapjesdeal’). Over deze deal is grote maatschappelijke commotie ontstaan omdat de drie genoemde personen beweerden de mondkapjes tegen kostprijs te verkopen via SHA, een non-profitorganisatie die eveneens door de drie werd
bestuurd. De winst die RGA met de mondkapjesdeal heeft behaald is grotendeels als dividend uitgekeerd aan de aandeelhouders van RGA.
2.2.
[naam 2] en [naam 3] zijn op verzoek van het OM en een derde geschorst als bestuurder van SHA en later ontslagen. [eiser 1] was daarvoor al afgetreden als bestuurder van SHA.
2.3.
SHA is bestuurder en enig aandeelhouder van HABV.
2.4.
Over de mondkapjesdeal zijn meerdere bodemprocedures gevoerd, waarbij
jegens [eiser 1] , Van [naam 2] en [naam 3] aanzienlijke vorderingen zijn ingesteld, zowel door SHA als door de Staat der Nederlanden. SHA stelde zich in die procedures op het standpunt, kort gezegd, dat de opbrengsten van de mondkapjesdeal aan haar behoren toe te vallen in plaats van aan RGA. Door de opbrengsten niet aan SHA af te dragen handelen [eiser 1] , de medeaandeelhouders en de met hen verbonden (rechts)personen onrechtmatig jegens haar, aldus SHA. Ter verzekering van haar vorderingen heeft SHA conservatoire (derden)beslagen gelegd, ook ten laste van [eiser 1] c.s.
2.5.
Tegen [eiser 1] is strafrechtelijke aangifte gedaan, ook door SHA c.s. Zij heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Ook de Staat heeft (strafvorderlijk) beslag gelegd ten laste van [eiser 1] , onder andere op tegoeden op zakelijke- en privérekeningen, vorderingen op derden, voertuigen, en op zijn woonhuis.
2.6.
Bij vonnis van deze rechtbank van 5 februari 2025 zijn (onder meer) [eiser 1] c.s. – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan SHA c.s. van in hoofdsom € 20.733.550,00 bij wijze van voorschot op schadevergoeding. Voor het vaststellen van de schade is de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. De vorderingen van de Staat zijn afgewezen.
2.7.
Alle betrokken procespartijen (waaronder [eiser 1] c.s.) hebben geappelleerd van dit vonnis. In het hoger beroep heeft op 15 juli 2025 een regiezitting plaatsgehad. De uitkomst hiervan is dat er voor [eiser 1] c.s. een grote hoeveelheid proceshandelingen in het verschiet ligt.
2.8.
Op 7 november 2025 is [eiser 1] in privé en in hoedanigheid van bestuurder van Noah Holding, Nomi en Stichting Nomi, door de deurwaarder gesommeerd om informatie te verstrekken over zijn inkomenspositie en de vermogenspositie van deze entiteiten en de voor verhaal vatbare goederen vanaf 1 januari 2024, onderbouwd met bewijsstukken.
2.9.
Bij e-mail van 10 november 2025 heeft [eiser 1] opgave gedaan aan de gerechtsdeurwaarder van zijn bronnen van periodieke inkomsten en van de bankinstellingen waar hij één of meerdere rekeningen aanhoudt. Die opgave komt erop neer dat er geen periodieke inkomsten zijn (afgezien van een kleine maandelijkse vergoeding voor vrijwilligerswerk bij de brandweer) en dat alle privé- en zakelijke bankrekeningen zijn beslagen door het OM en/of SHA c.s.
2.10.
Dezelfde dag hebben [eiser 1] c.s. de e-mail aan de gerechtsdeurwaarder doorgestuurd aan SHA c.s. met het verzoek om € 100.000 vrij te maken uit het beslag op zijn rekeningen, zodat hij zijn kosten van rechtsbijstand voor het hoger beroep kan voldoen, nu het Hof heeft geoordeeld dat dit moet gebeuren ten aanzien van [naam 2] .
2.11.
Bij e-mail van 24 november 2025 heeft SHA c.s. gereageerd met vragen over de financiële positie van [eiser 1] en zijn partner en over de mogelijkheid om een toevoeging aan te vragen. Op deze e-mail is geen reactie gekomen.
2.12.
Bij brief van 9 januari 2026 heeft de advocaat van SHA c.s. aan [eiser 1] c.s. geschreven dat hij niet heeft voldaan aan de sommatie van 7 november 2025, nu de reactie (van 10 november 2025) niet is voorzien van bewijsstukken. SHA c.s. hebben [eiser 1] c.s. in de gelegenheid gesteld om alsnog te voldoen op uiterlijk 16 januari 2026. Nadat de advocaat van [eiser 1] c.s. bij e-mail van 15 januari 2026 vroeg welke specificaties of onderliggende bewijsstukken SHA c.s. nog menen te missen, hebben SHA c.s. bij e-mail van 16 januari 2026 toegelicht dat het haar op zijn minst gaat om een overzicht van de inkomenspositie van [eiser 1] c.s. vanaf 1 januari 2024, onderbouwd met bewijsstukken zoals overeenkomsten en bankafschriften, en van zijn vermogenspositie – zowel passief als actief – vanaf 1 januari 2024, onderbouwd met bewijsstukken zoals overeenkomsten, akten en bankafschriften.
2.13.
Bij brief van 19 januari 2026 heeft de advocaat van [eiser 1] c.s. aan de advocaat van SHA c.s. geschreven dat bij [eiser 1] c.s. sprake is van financiële nood, als gevolg waarvan de kosten van rechtsbijstand niet meer kunnen worden voldaan, en verzocht om te bevorderen dat SHA c.s. akkoord gaat met een gedeeltelijke opheffing van gelegde beslagen, waardoor een bedrag van € 100.000 wordt vrijgemaakt.
2.14.
In de strafzaak heeft [eiser 1] op 23 januari 2026 een klaagschrift op de voet van artikel 552a Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend. Daarin vraagt hij opheffing te bevelen van het beslag op de bankrekening van Noah Holding B.V, waarvan [eiser 1] bestuurder is, tot een bedrag van € 150.000, zodat [eiser 1] in staat is om juridische bijstand te kunnen financieren in de civiele procedure (in hoger beroep).
2.15.
Bij brief van 28 januari 2026 heeft de advocaat van SHA c.s. (voor zover hier van belang) als volgt gereageerd op de brief van 19 januari 2026 (zie 2.13).
“(…) Aan geen van de sommaties of informatieverzoeken is tot op heden voldaan. Namens SHA verzoek ik de heer [eiser 1] alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Na ontvangst daarvan kan SHA het verzoek van de heer [eiser 1] in behandeling nemen. (…)”
2.16.
Bij beschikking van 24 februari 2026 heeft de rechtbank Rotterdam het beklag van [eiser 1] gegrond verklaard en bevolen het beslag op de bankrekening van Noah Holding B.V. tot een bedrag van € 150.000 op te heffen ten behoeve van de financiering van de rechtsbijstand van [eiser 1] in de civiele procedure. De rechtbank heeft daartoe (voor zover hier van belang) als volgt overwogen.
“(…) Het recht om een eerlijk proces te kunnen voeren in de civiele procedure is een fundamenteel recht van de klager dat is vastgelegd in art. 6 lid 1 EVRM Pro en art. 71 Grondwet Pro. Het recht op toegang tot de rechter ziet niet alleen op het recht om een geschil aan de rechter voor te leggen, maar ook op het recht om ten aanzien van een bepaald geschil als verwerende partij bij de rechter verweer te voeren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de klager zich in de civiele procedure als gedaagde moet verweren tegen een vordering van ruim twintig miljoen euro, terwijl wordt verzocht om het beslag voor een geldbedrag van € 150.000,- op te heffen en het beslag voor het overige gehandhaafd blijft. Door de officier van justitie is dit persoonlijke belang van de klager onderkend. Tot slot is voldoende gebleken dat er geen andere mogelijkheden zijn om de rechtsbijstand in de civiele procedure te financieren. De officier van justitie heeft de onderbouwde stellingen van klager, behoudens de verwijzing naar de door de Stichting gestelde vragen, niet betwist.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van klager zwaarder weegt dan de strafvorderlijke belangen bij voortduring van het beslag en dat volledige voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.(…)”
2.17.
Bij e-mail van 18 maart 2026 heeft [eiser 1] financiële informatie aan SHA c.s. gestuurd met betrekking tot zijn rekening courant positie, leningen aan familie en partner, zijn inkomsten in 2024 en 2025, onderbouwd met een transactieoverzicht van de zakelijke rekening van “Nanook”, en grootboekkaarten van Noah Holding van de jaren 2020-2024.
2.18.
Bij e-mail van 26 maart 2026 heeft de advocaat van SHA c.s. nadere vragen gesteld. Bij e-mail van 10 april 2026 heeft de advocaat van [eiser 1] c.s. gereageerd dat hij een laatste gelegenheid geeft om te bewilligen in opheffing van de beslagen, zodat een bedrag van € 150.000 kan vrijvallen, en dat anders om verhinderdata voor een kort geding wordt verzocht.

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] c.s. vorderen – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. het door SHA c.s. onder Rabobank gelegde executoriale derdenbeslag ten laste van Noah Holding tot een bedrag van € 150.000 op te heffen;
II. te bepalen dat een bedrag van € 150.000 zonder korting en verrekening wordt voldaan op de derdenrekening van de procesadvocaat van [eiser 1] c.s., en SHA c.s. dus hoofdelijk te veroordelen om hun medewerking te verlenen aan zonder korting en verrekening voldoening van een bedrag van € 150.000 aan [eiser 1] c.s.;
III. dan wel en meer subsidiair een voorziening te treffen die geraden wordt geacht met het oog op effectieve toegang van eisers tot de rechter;
IV. SHA c.s. te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
SHA c.s. voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toetsingskader
4.1.
Gevorderd wordt gedeeltelijke opheffing van een executoriaal derdenbeslag. Dat impliceert de (gedeeltelijke) schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 februari 2025. Dat vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de veroordeling direct al kan worden uitgevoerd en de uitkomst van het hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet buiten beschouwing worden gelaten.
Eerdere uitspraken
4.2.
Inmiddels zijn drie uitspraken gedaan met betrekking tot gedeeltelijke opheffing van beslagen ten laste van procespartijen die in hoger beroep zijn gegaan tegen het vonnis van deze rechtbank van 5 februari 2025, te weten:
  • het vonnis van 7 mei 2024 van deze rechtbank (kenmerk: C/13/749574 / KG ZA 24-325), waarin (voor zover hier van belang) het door SHA c.s. gelegde conservatoire beslag ten laste van [naam 3] is opgeheven tot een bedrag van € 100.000, op grond van een belangenafweging waarin de effectieve toegang tot de rechter voor [naam 3] c.s. zwaarder woog dan de mate van zekerheid die SHA c.s. zullen hebben bij het verhaal van (een deel van) de gestelde vordering;
  • het vonnis van 6 oktober 2025 van deze rechtbank (kenmerk: C/13/774813 / KG ZA 25-690), waarin (voor zover hier van belang) het door SHA c.s. gelegde executoriale beslag ten laste van [naam 2] gedeeltelijk werd opgeheven tot een bedrag van € 150.000, op grond van een belangenafweging waarin het belang van [naam 2] om rechtsbijstand te kunnen inschakelen voor het aanhangige hoger beroep zwaarder woog dan het belang van SHA c.s. om haar volledige vordering nu te kunnen verhalen.
  • het arrest van 7 november 2025 van het Gerechtshof Amsterdam (kenmerk: 200.360.101/01), waarin (voor zover hier van belang) een belangenafweging eveneens tot de conclusie leidde dat het door SHA c.s. gelegde executoriale beslag gedeeltelijk moest worden opgeheven, met dien verstande dat het Hof het aannemelijk achtte dat [naam 2] c.s. in redelijkheid ongeveer € 100.000 (inclusief btw) aan kosten voor rechtsbijstand zal moeten maken voor het hoger beroep.
4.3.
Bij de gemaakte belangenafwegingen in voornoemde uitspraken was doorslaggevend dat onvoldoende aannemelijk was dat [naam 3] c.s. / [naam 2] c.s. nog ergens geld hebben verstopt en dat het niet onaannemelijk is dat niemand [naam 2] c.s. de aanzienlijke som die zij nodig hebben voor rechtsbijstand kan of wil lenen. Daarmee kwam het zwaarwegende belang van deze partijen bij effectieve toegang tot de rechter in de knel.
4.4.
In dit kort geding leidt de belangenafweging echter tot een andere uitkomst. Het belang van SHA c.s. om de vorderingen te incasseren die zij met het vonnis hebben verkregen op [eiser 1] c.s. weegt zwaarder dan het gestelde spoedeisende belang van [eiser 1] c.s. om te kunnen beschikken over € 150.000 van deze beslagen gelden om daarmee hun advocatenkosten van het nu lopende hoger beroep te betalen. De volgende overwegingen zijn voor dit oordeel redengevend.
Geen transparant, consistent inzicht in inkomens- en vermogenspositie
4.5.
[eiser 1] c.s. stellen in dit kort geding dat zij geen financiële middelen meer hebben om in het hoger beroep verweer te voeren, zodat voor hen de effectieve toegang tot de rechter op het spel staat. Het is aan [eiser 1] c.s. om dit aannemelijk te maken.
4.6.
De inkomens- en vermogenspositie van [eiser 1] c.s. is al sinds november 2025 onderwerp van correspondentie tussen partijen. Op 10 november 2025 (zie 2.9 en 2.10) hebben [eiser 1] c.s. aan SHA c.s. verzocht om € 100.000 van het ten laste van hem gelegde beslag vrij te maken, waarbij hij schrijft dat al zijn vermogen onder beslag ligt, en hij slechts € 20 tot € 150 maandelijks inkomen geniet uit zijn werkzaamheden voor de vrijwillige brandweer. Aan verzoeken om onderbouwende stukken hebben [eiser 1] c.s. vervolgens geen gehoor gegeven (zie 2.11 en 2.12). In plaats daarvan hebben zij het verzoek om opheffing herhaald (zie 2.13) omdat sprake zou zijn van financiële nood waardoor de kosten van rechtsbijstand niet meer kunnen worden voldaan. Nadat SHA c.s. dit weigerde (zie 2.15) heeft [eiser 1] op 18 maart 2026 alsnog financiële informatie verstrekt (zie 2.17), waarbij hij het bericht besloot met:
“Mocht u nog vragen hebben, stel ze gerust”.
4.7.
Uit die op 18 maart 2026 verstrekte informatie volgt dat [eiser 1] – anders dan eerder opgegeven – wel degelijk onbeslagen vermogen heeft (indirecte aandelen in Nanook B.V.) en in 2024 en 2025 inkomsten heeft genoten (ongeveer € 120.000 in totaal). Verder blijkt onder meer dat de rekening courant positie van Noah Holding in 2022 ongeveer € 290.000 lager was dan eerder aan de gerechtsdeurwaarder opgegeven, dat grote leningen zijn verstrekt (onder andere aan de partner van [eiser 1] ), en dat de advocaatkosten voor de eerste aanleg € 47.211,66 lager zijn dan eerder opgegeven. Dit alles roept terechte vragen op over de transparantie die [eiser 1] heeft betracht ten aanzien van de inkomens- en vermogenspositie van hemzelf en de rechtspersonen waar hij (indirect) bij betrokken is. Vragen die SHA c.s. vervolgens ook aan [eiser 1] c.s. hebben gesteld (zie 2.18). Op die vragen is echter geen antwoord meer gekomen. In reactie heeft de advocaat van [eiser 1] c.s. geschreven:
“(…) Het is duidelijk: uw cliënte en haar bestuurders blijven mijn cliënt in de hoek drijven, en houden de ogen stijf gesloten voor de gerechtvaardigde belangen van hun wederpartijen. Deze zeer offensieve wijze van opereren past hen niet. (…)”
4.8.
Nu [eiser 1] c.s. zich in dit kort geding op geldnood beroepen, had het op hun weg gelegen om deze terechte vragen te adresseren middels een onderbouwd overzicht met verificatoire bescheiden. Dit hebben [eiser 1] c.s. niet gedaan. Zij hebben weliswaar een overzicht overgelegd (‘Grootboekkaart rekening courant 2020-2024’) waaruit kan worden afgeleid dat er eind 2024 een negatieve rekening-courant verhouding tussen [eiser 1] en Noah Holding was (een schuld van ruim € 509.000), maar dit overzicht is niet verifieerbaar en beantwoordt de voornoemde vragen niet. Verder hebben [eiser 1] c.s. zonder onderbouwing gesteld dat er in 2024 tot en met 2026 zeer beperkte inkomsten zijn geweest die onvoldoende waren om in het levensonderhoud te voorzien, en dat de uitgaven aanzienlijk zijn geweest (vooral de juridische kosten). Ook dit is onvoldoende om de gestelde geldnood aannemelijk te maken.
4.9.
Slotsom is dat nog altijd geen transparant beeld kan worden gevormd over de inkomens- en vermogenspositie van [eiser 1] c.s.. Nu in het verleden wisselende opgaven zijn gedaan die achteraf niet bleken te kloppen, bestaat ook geen aanleiding zonder onderbouwing uit te gaan van de juistheid van het overzicht dat [eiser 1] c.s. in dit kort geding heeft verstrekt. Uit de wisselende opgaven blijkt dat verantwoording ontbreekt voor grote sommen geld. Dat [eiser 1] c.s. er niet in zijn geslaagd daarover helderheid te scheppen dient voor hun rekening te komen. Zonder nadere toelichting en onderbouwing kan in dit kort geding niet worden aangenomen dat die gelden daadwerkelijk niet ter beschikking van [eiser 1] c.s. staan en dat zij daadwerkelijk in financiële nood verkeren, waardoor de effectieve toegang tot de rechter in het gedrang zou komen.
Uitspraak van de strafrechter
4.10.
[eiser 1] c.s. wijzen op de beschikking van 24 februari 2026 van de rechtbank Rotterdam, waarin de rechtbank heeft bevolen het (strafvorderlijk) beslag op de bankrekening van Noah Holding B.V. tot een bedrag van € 150.000 op te heffen ten behoeve van de financiering van de rechtsbijstand van [eiser 1] in de civiele procedure. Maar dit strafrechtelijke vonnis maakt niet dat de belangenafweging in dit civielrechtelijke vonnis anders uitvalt.
4.11.
In de beschikking van 24 februari 2026 heeft de rechtbank de belangen van SHA c.s. uitdrukkelijk niet meegewogen omdat zij in dat strafvorderlijk kader geen belanghebbende is. Binnen dat kader (waarin de rechtbank uitsluitend heeft gekeken naar de relatie OM-verdachte) heeft de rechtbank een op de feiten van het geval toegesneden belangenafweging gemaakt, die niet (zonder meer) doorwerkt in de civiele verhouding tussen [eiser 1] c.s. en SHA c.s..
4.12.
In deze civiele procedure worden de belangen van SHA c.s. wél afgewogen tegen de belangen van [eiser 1] c.s.. In dit kader hebben SHA c.s. gemotiveerd betwist dat sprake is van financiële nood bij [eiser 1] c.s..
Onvoldoende spoedeisend belang
4.13.
Intussen hebben [eiser 1] c.s. op 31 maart 2026 van grieven gediend in de zaak tegen SHA c.s. en van antwoord in de zaak tegen de Staat, waaruit blijkt dat [eiser 1] c.s. – anders dan zij schreven in de brief van 9 januari 2026 – wel degelijk in staat zijn gebleken in middelen voor rechtsbijstand te voorzien. [eiser 1] c.s. hebben niet weersproken dat voorlopig (tot aan het eerste kwartaal van 2027) geen gewichtige proceshandelingen nodig zullen zijn. Daarmee is er voldoende tijd om de gestelde financiële nood alsnog te onderbouwen, door de op 26 maart 2026 gestelde vragen te beantwoorden en de gegeven antwoorden op transparante wijze aan SHA c.s. te onderbouwen. Als daaruit blijkt dat daadwerkelijk sprake is van onvoldoende middelen om de advocaatkosten voor de aanhangige procedure te financieren, dan zullen SHA c.s. mogelijk alsnog moeten overgaan tot vrijgave van benodigde gelden, afhankelijk van alle dan relevante omstandigheden van het geval.
4.14.
De advocaat van SHA c.s. heeft verder aangevoerd dat [eiser 1] c.s. aanspraak kunnen maken op gefinancierde rechtsbijstand. [eiser 1] c.s. wijzen dit van de hand en stellen dat zij dit al hebben geprobeerd en dat ook een nieuwe aanvraag zal worden afgewezen omdat de regels daarvoor uitgaan van vereenzelviging van een natuurlijk persoon met een rechtspersoon waardoor dit als zakelijk geschil zal worden gezien. SHA c.s. hebben toegelicht dat [eiser 1] in dit geval in privé, als oud-bestuurder van SHA, wordt aangesproken en op die basis wel degelijk in aanmerking komt voor een toevoeging. Met het verkrijgen van een toevoeging zou de effectieve toegang van [eiser 1] c.s. tot de rechter kunnen worden geborgd. Het ligt dan ook op de weg van [eiser 1] c.s. om zich hiervoor in te spannen, waartoe zij zich ook bereid hebben verklaard in de e-mail van 18 maart 2026. Gelet op het voorgaande is ook hiervoor voldoende tijd.
Conclusie
4.15.
Slotsom is dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd. [eiser 1] c.s. worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SHA c.s. worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. Dekker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. [1]

Voetnoten

1.Coll: EB