ECLI:NL:RBAMS:2026:448

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/13/774412 / HA ZA 25-1408
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage facturatiesysteem wegens onvoldoende belang in bouwgeschil

By Bouw en [gedaagde] zijn partijen in een geschil over betaling van een aanneemsom voor renovatiewerkzaamheden aan een appartement. By Bouw vordert betaling van een restantbedrag van €31.960, terwijl [gedaagde] stelt dat hij dit bedrag al volledig heeft voldaan, deels contant en deels giraal.

In het incident vordert [gedaagde] inzage in het facturatiesysteem van By Bouw om te bewijzen dat een eindfactuur, gedateerd op 1 februari 2021, geantedateerd is en nooit aan hem is verzonden. By Bouw betwist dit en stelt dat [gedaagde] onvoldoende belang heeft bij deze inzage.

De rechtbank overweegt dat voor een recht op inzage op grond van artikel 194 Rv Pro voldoende belang vereist is. Omdat het geschil draait om de vraag of het bedrag daadwerkelijk is betaald, en het al dan niet opgemaakt zijn van de factuur niet bijdraagt aan het bewijs van contante betaling, is het belang van [gedaagde] onvoldoende. De vordering wordt daarom afgewezen.

[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, die worden begroot op €792, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten van betekening indien niet tijdig voldaan. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot inzage in het facturatiesysteem af wegens onvoldoende belang en veroordeelt de gedaagde in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/774412 / HA ZA 25-1408
Vonnis in incident van 21 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BY BOUW B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: By Bouw,
advocaat: mr. C. Houth,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. O.Y. Vrijhoef.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 augustus 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering ex art. 194 e.v. Rv, met producties,
- de conclusie van antwoord in het incident, tevens akte overleggen producties en vermeerdering van eis in de hoofdzaak, met producties,
- de antwoordakte in het incident en de vermeerdering van eis van [gedaagde] , met één productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten voor zover van belang in het incident

2.1.
By Bouw is een bouwbedrijf. [gedaagde] is in november 2020 eigenaar geworden van het appartementsrecht aan de [adres] (hierna: het appartement).
2.2.
In november 2020 hebben partijen een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de renovatie van het appartement. Partijen zijn een vaste aanneemsom van € 46.480 overeengekomen.
2.3.
By Bouw heeft in december 2020 en januari 2021 in totaal drie facturen van ieder € 4.840 aan [gedaagde] gestuurd en [gedaagde] heeft deze facturen giraal betaald. By Bouw heeft een eindfactuur van € 31.460 overgelegd die is gedateerd op 1 februari 2021.
2.4.
In een e-mail van 9 december 2021 heeft [gedaagde] aan By Bouw geschreven dat hij alle facturen voor de renovatie van het appartement heeft betaald.
2.5.
Bij brief van 16 juni 2025 heeft By Bouw [gedaagde] gesommeerd de eindfactuur en rente te betalen.
2.6.
Bij conclusie van antwoord in het incident heeft By Bouw creditfacturen overgelegd en een eindfactuur van € 31.960.

3.De vordering in de hoofdzaak

3.1.
By Bouw vordert na eiswijziging – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:
- € 31.960,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,
- € 1.089,60 aan buitengerechtelijke incassokosten,
- de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
By Bouw legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten en [gedaagde] is gehouden om de vaste aanneemsom van € 46.480 te betalen. [gedaagde] heeft tot op heden € 14.520 voldaan en moet daarom nog € 31.960 aan By Bouw betalen. Over dat bedrag is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd en hij moet ook de buitengerechtelijke incassokosten betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van By Bouw, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van By Bouw in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. [gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat hij de gehele aanneemsom, deels giraal en deels contant, aan By Bouw heeft betaald. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat de laatste termijn van de aanneemsom niet opeisbaar is geworden omdat niet aan de daarover in de overeenkomst opgenomen eisen is voldaan.

4.Het geschil in incident

4.1.
[gedaagde] vordert na wijziging van eis in incident dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, By Bouw beveelt om afschrift of inzage te verstrekken van een totaaloverzicht uit haar facturatiesysteem ( [systeem] ) van alle in het eerste kwartaal van 2021 uitgereikte facturen, op straffe van een dwangsom.
4.2.
[gedaagde] legt daaraan het volgende ten grondslag. By Bouw heeft een geantedateerde factuur van 1 februari 2021 overgelegd die nooit aan [gedaagde] is verzonden. Met die eindfactuur probeert By Bouw dubbele betaling af te dwingen. Uit een afschrift van het facturatiesysteem van By Bouw moet blijken of By Bouw de eindfactuur daadwerkelijk op 1 februari 2021 aan [gedaagde] heeft uitgereikt.
4.3.
By Bouw is het niet eens met de incidentele vordering en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Volgens By Bouw heeft [gedaagde] onvoldoende belang bij inzage in de gevraagde stukken.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
Voor een recht op afschrift moet op grond van artikel 194 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan een aantal voorwaarden zijn voldaan:
i) degene die om de informatie verzoekt is partij bij een rechtsbetrekking,
ii) degene van wie inzage wordt verlangd beschikt over de gevraagde informatie of kan deze makkelijk van een derde verkrijgen,
iii) er is sprake van voldoende belang bij het informatieverzoek,
iv) de verlangde informatie is voldoende bepaald.
5.2.
Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, is degene die over de gegevens beschikt verplicht daarvan afschrift te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten
[gedaagde] heeft onvoldoende belang
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende belang heeft bij inzage in een totaaloverzicht van het facturatiesysteem van By Bouw waaruit blijkt welke facturen in het eerste kwartaal van 2021 voor het eerst zijn uitgereikt. Daartoe geldt het volgende.
5.4.
In de hoofdzaak vordert By Bouw betaling van een deel van de aanneemsom die partijen zijn overeengekomen. [gedaagde] meent dat hij niet gehouden is om het gevorderde bedrag aan By Bouw te betalen. Primair voert hij aan dat hij het gevorderde bedrag al contant aan By Bouw heeft betaald en subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag (nog) niet opeisbaar is geworden.
5.5.
[gedaagde] wil inzage in het facturatiesysteem van By Bouw om te onderbouwen dat de eindfactuur na 1 februari 2021 is opgemaakt, is geantedateerd en nooit aan hem is verstrekt.
By Bouw beroept zich op deze factuur en omdat [gedaagde] betwist die factuur in 2021 te hebben ontvangen, zal By Bouw dat moeten bewijzen. Het staat By Bouw vrij te bepalen hoe zij dit bewijs wil leveren. Dit is echter hooguit van belang voor de vraag vanaf wanneer wettelijke rente verschuldigd is, als het openstaand bedrag nog niet is betaald.
De kern van het geschil is immers of dit bedrag betaald is. [gedaagde] stelt dat hij het openstaande bedrag contant heeft betaald, wat door By Bouw wordt betwist. [gedaagde] zal dat moeten bewijzen. Het al dan niet opgemaakt zijn van de factuur in 2021 kan echter niet bijdragen aan het bewijs dat het niet per bank betaalde bedrag contant betaald is, zoals [gedaagde] stelt. Daarom heeft [gedaagde] geen belang bij de gevraagde gegevens uit het facturatiesysteem van By Bouw.
5.6.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de eisen van artikel 194 Rv Pro. Dat betekent dat de incidentele vordering wordt afgewezen.
5.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten van By Bouw worden begroot op:
- salaris advocaat: € 614,00 (1 punt x tarief II: € 614,00)
- nakosten:
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 792,00
5.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.9.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worde uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst het gevorderde af,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.
6.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
6.5.
de zaak zal naar de rol van
woensdag 28 januari 2026worden verwezen voor beraad omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling in de hoofdzaak;
6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.