Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4484

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
AMS 25/2141
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7.2 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Art. 2.7.4 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Art. 7:274c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag startpunten voor jongerenwoning van particuliere verhuurder bevestigd

Eiser huurde sinds 2016 een jongerenwoning van een particuliere verhuurder en vroeg in november 2024 startpunten aan. De aanvraag werd afgewezen omdat hij geen jongerencontract met een woningcorporatie had, zoals vereist in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024. Eiser stelde dat de regelgeving onduidelijk was en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat zijn huurcontract materieel gelijkwaardig was aan een corporatiecontract.

De rechtbank oordeelde dat de verwijzing naar verschillende verordeningen een kennelijke verschrijving was en dat eiser niet kon vertrouwen op niet in werking getreden regelgeving. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden omdat particuliere verhuurders niet gebonden zijn aan het woningtoewijzingssysteem van corporaties. Ook het beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel faalde omdat eiser geen bijzondere omstandigheden had aangetoond en voldoende woonpunten had opgebouwd.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser het griffierecht niet terugkrijgt. De uitspraak werd gedaan door rechter M.H. van Haeften op 8 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor startpunten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/2141

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor startpunten. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser huurde met ingang van 2 februari 2016 een jongerenwoning van particulier verhuurder [huisvestingsgroep] . Eiser heeft op 4 november 2024 een aanvraag ingediend voor startpunten. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van
22 november 2024 afgewezen omdat eiser geen jongerencontract heeft met een woningcorporatie als bedoeld in artikel 2.7.2, onder a, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (hierna: Hvv). Daarnaast heeft eiser volgens verweerder op de datum van zijn aanvraag geen jongerencontract als bedoeld in artikel 274c van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft de motivering aangevuld met de weigeringsgrond in artikel 2.7.4, eerste lid, van de Hvv.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toepasselijke regelgeving
3.1.
Eiser voert aan dat verweerder wisselend en tegenstrijdig verwijst naar de toepasselijke Huisvestingsverordening. In het bestreden besluit wordt namelijk zowel de Hvv 2020 als de Hvv 2024 genoemd. Daarnaast stond in de Wijzigingsverordening, zoals vermeld in het Gemeenteblad 2021/33920, niet het vereiste van een huurovereenkomst met een woningcorporatie. De tekst die uiteindelijk per 16 januari 2023 in werking trad, bleek een andere tekst dan die gepubliceerd was in het Gemeenteblad in 2021 en bevatte wel dit vereiste. Dit is volgens eiser in strijd met het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel: een burger moet kunnen vertrouwen op gepubliceerde regelgeving.
3.2.
De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit zowel de Hvv 2020 als de Hvv 2024 wordt genoemd. Het van toepassing zijnde artikel 2.7.2 van de Hvv is in beide verordeningen echter hetzelfde. Inhoudelijk maakt dit voor eiser dus geen verschil. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Hvv 2020 in het bestreden besluit kan worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving. Daarnaast volgt de rechtbank eiser in het standpunt dat in 2021 in het Gemeenteblad 2021/33920 niet het vereiste van een huurovereenkomst met een woningcorporatie is opgenomen. Deze regelgeving is echter nooit in werking getreden waardoor eiser hier niet op kon vertrouwen. Eiser heeft zijn aanvraag voor startpunten ook pas veel later ingediend, namelijk op 4 november 2024. Op dat moment gold de Hvv 2024 met daarin het vereiste van een huurovereenkomst met een woningcorporatie. Verweerder mocht de aanvraag van eiser daarom toetsen aan dit vereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
4.1.
Eiser voert aan dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het huurcontract van eiser vermeldt letterlijk artikel 7:274c van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een huurprijs van € 498,86 (sociale huur) en dat de woning opnieuw aan een jongere wordt verhuurd. Er is volgens eiser materieel geen verschil met een corporatiecontract. Het onderscheid is uitsluitend gebaseerd op de identiteit van de verhuurder, een kenmerk dat hij niet heeft gekozen.
4.2.
De rechtbank overweegt dat de regelgeving omtrent het verlenen van startpunten voortvloeit uit afspraken die zijn gemaakt met woningcorporaties omdat deze woningen via het toewijzingssysteem WoningNet van de corporaties worden verdeeld. Woningzoekenden die reageren op jongerenwoningen via WoningNet maken voornamelijk kans met de inschrijfduur en opgebouwde woonpunten in WoningNet. Een particuliere verhuurder voert geen wettelijke taak uit en is niet gebonden aan het verdeelsysteem van sociale huurwoningen via WoningNet. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom geen sprake van een vergelijkbaar geval. Eiser huurde namelijk een sociale jongerenwoning van een particuliere verhuurder. Deze jongerenwoning is niet via het verdeelsysteem van WoningNet aan eiser toegewezen. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is daarom niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheid en hardheidsclausule
5.1.
Eiser voert aan dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en doet een beroep op de hardheidsclausule. Zijn huurcontract bepaalt dat de woning na beëindiging opnieuw wordt verhuurd aan een jongere. De doorstroming is dus gegarandeerd, precies zoals bij een corporatie. Volgens eiser zou een minder vergaande maatregel ook volstaan; namelijk dat startpunten kunnen worden toegekend aan alle jongerencontracthouders. Verder zijn de gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zwaar volgens eiser. Sinds
4 februari 2026 is hij namelijk feitelijk dakloos omdat hij zijn jongerenwoning moest verlaten. Hij verblijft sindsdien bij familie en vrienden. Ook is hij zijn bedrijf in de taxibranche verloren doordat de KvK geen briefadres accepteert. Zonder zijn bedrijf heeft eiser geen inkomen. Daarnaast heeft eiser uitgebreide medische problematiek.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de hardheidsclausule niet toegepast omdat geen sprake is van een bijzondere hardheid. De situatie van eiser is niet schrijnend en uniek genoeg om af te wijken van de regels en er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs een grond vormen voor toekenning van startpunten. Veel jongeren verkeren in een vergelijkbare situatie en komen ook niet in aanmerking voor startpunten, omdat zij niet voldoen aan de vereisten. Daarnaast heeft eiser inmiddels 12 wachtpunten en 30 zoekpunten opgebouwd. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat het met 42 woonpunten heel goed mogelijk moet zijn om op eigen kracht een woning te vinden, mits eiser gericht zoekt naar geschikte woningen. Verweerder heeft hierbij voorbeelden overgelegd van woningen in Amsterdam die recent zijn toebedeeld aan mensen met minder punten dan eiser nu heeft. Een één of tweekamerwoning moet daarom met de door eiser gespaarde punten binnen afzienbare termijn mogelijk zijn. Eiser maakt hierbij meer kans op kleine woningen, minder populaire woningen en woningen zonder voorrangslabels. Wellicht zijn deze woningen niet volledig passend bij de wensen van eiser maar het is dus wel mogelijk om überhaupt een woning te vinden. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is derhalve ook geen sprake.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.