Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4485

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
AMS 25/414
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Parkeerverordening 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bedrijfsvergunning parkeren wegens nulplafond in Amsterdam

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een bedrijfsvergunning parkeren in een gebied waar het vergunningenplafond op nul is gesteld. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013, dat een weigering voorschrijft zodra het nulplafond is bereikt.

Eiseres betoogt dat het nulplafond buiten toepassing moet worden gelaten op basis van een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2024. De rechtbank oordeelt echter dat die uitspraak specifiek betrekking had op intrekkingen van bestaande vergunningen en niet op nieuwe aanvragen zoals in deze zaak. Daarom is het nulplafond hier wel van toepassing.

Daarnaast stelt eiseres dat de afwijzing onevenredig is vanwege de hoge kosten die zij moet maken voor parkeren. De rechtbank overweegt dat het besluit een gebonden besluit is waarbij de belangenafweging reeds bij de regelgeving is gemaakt. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een bedrijfsvergunning parkeren wordt ongegrond verklaard vanwege het geldende nulplafond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/414

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een bedrijfsvergunning parkeren. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een bedrijfsvergunning parkeren. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2024 afgewezen omdat in het gebied waarvoor eiseres de vergunning heeft aangevraagd het vergunningenplafond op nul is gesteld. Met het bestreden besluit van 6 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en [persoon] . Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Nulplafond
3.1.
Eiseres voert aan dat het nulplafond buiten beschouwing moet worden gelaten gelet op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2024 [1] . Volgens eiseres is in die uitspraak geoordeeld dat het nulplafond niet meer van toepassing is. Sinds deze uitspraak is de situatie niet veranderd waardoor verweerder haar nieuwe aanvraag voor een bedrijfsvergunning niet mocht weigeren op grond van het nulplafond.
3.2.
De rechtbank overweegt allereerst dat het vestigingsadres van eiseres, [adres] , is gelegen in deelvergunninggebied [naam] . Dit adres is gelegen in een vergunninggebied waarvan het vergunningenplafond op nul is gesteld. In artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013 (de Parkeerverordening), is bepaald dat een parkeervergunning wordt geweigerd indien het vergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt. Omdat artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening dwingendrechtelijk is geformuleerd, heeft verweerder bij de weigering van een vergunning geen beleids- of beoordelingsvrijheid en is er geen ruimte voor een belangenafweging. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dergelijk beleid redelijk geacht om de parkeerdruk in een bepaald gebied te reguleren. [2] Dat betekent dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat het nulplafond in beginsel leidt tot een afwijzing van de aanvraag.
3.3.
Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat het nulplafond buiten beschouwing moet worden gelaten op grond van de uitspraak van de rechtbank van 19 februari 2024, is de rechtbank van oordeel dat de nu voorliggende nieuwe aanvraag van eiseres niet te vergelijken is met de zaken die hebben geleid tot die uitspraak. In de uitspraak van
19 februari 2024 heeft de rechtbank namelijk het volgende overwogen:

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het college een belangenafweging heeft verricht bij het instellen van het nulplafond in het deelvergunninggebied. Niet is gebleken dat het college bij het voorbereiden en nemen van (dit onderdeel van) het Uitwerkingsbesluit de negatieve gevolgen daarvan vooreen bepaalde groep, namelijk vergunninghouders die al een vergunning haddennadrukkelijk heeft betrokken en de afweging deugdelijk heeft gemotiveerd. Niet is gebleken dat de gemeente onderzoek heeft gedaan naar de eventuele negatieve gevolgen die het instellen van het nulplafond zou kunnen hebben voor vergunninghouders. Er hebben bijvoorbeeld geen inspraakavonden plaatsgevonden waarbij belanghebbenden hun zienswijzen naar voren hebben kunnen brengen. Ook is niet gebleken dat op andere manieren de belangen vanbestaande vergunninghoudersin kaart zijn gebracht. Er is dan ook sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van (dit onderdeel van) het Uitwerkingsbesluit. Ook is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank laat dan ook in het geval van eisers het nulplafond buiten toepassing.”
Uit de hier toegevoegde onderstrepingen blijkt dat deze uitspraak specifiek betrekking heeft op intrekkingen van parkeervergunningen van bestaande vergunninghouders. In de nu voorliggende zaak van eiseres gaat het om de weigering van een parkeervergunning op een nieuwe aanvraag die is ingediend na vaststelling van het nulplafond. Er is dus geen sprake van een intrekking en eiseres is bij deze aanvraag geen bestaande vergunninghouder. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Evenredigheid
4.1.
Verder voert eiseres aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Door het nulplafond verdwijnen er geen parkeerplekken in Zuid 7.2 terwijl eiseres geconfronteerd wordt met hoge kosten voor het parkeren. Een ondernemersjaarkaart voor dezelfde parkeerplek kost eiseres € 1.900,- en het huren van een parkeerplek in de garage € 400,-.
4.2.
De rechtbank begrijpt eiseres zo, dat de afwijzing voor haar onevenredig uitpakt en dat verweerder het financiële belang van eiseres om een parkeervergunning te krijgen, had moeten afwegen tegen het belang van verweerder om deze te weigeren. Het gaat hier echter om een gebonden besluit, waarbij de belangenafweging al bij het opstellen van de regelgeving is verricht. Daarom is de evenredigheid in beginsel gegeven. Dit kan anders zijn als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van het voorschrift in het specifieke geval onevenredig is [3] . De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval niet is gebleken. Dat eiseres financieel wordt geraakt door de afwijzing betekent niet dat het besluit onevenredig is. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij door het besluit ernstig in financiële problemen komt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:750 en van 17 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2018:3372.
3.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.