Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4491

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
AMS 25/5924
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10.5 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Art. 2.10.8 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Art. 2.10.11 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag urgentieverklaring wegens inwoning en algemene weigeringsgrond

Eiseres, een alleenstaande vrouw met psychische klachten, vroeg een urgentieverklaring aan voor passende woonruimte. Het college wees deze aanvraag af op grond van de algemene weigeringsgrond wegens inwoning bij derden, zoals bepaald in artikel 2.10.5 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv).

Eiseres voerde aan dat zij onder valse voorwendselen naar Nederland was gekomen en dat de weigeringsgrond niet op haar van toepassing zou zijn, ook niet in een hypothetische situatie van een koop- of huurwoning. De rechtbank oordeelde echter dat het college terecht de algemene weigeringsgrond toepaste, omdat eiseres feitelijk inwoonde bij haar ex-schoonmoeder zonder eigen adequate woonruimte.

De medische gronden voor urgentie werden niet beoordeeld omdat de algemene weigeringsgrond voorgaat. De hardheidsclausule, die in schrijnende situaties een uitzondering kan maken, werd niet toegepast omdat het dossier geen actuele aanwijzingen bevatte voor een acuut levensbedreigend probleem. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard vanwege toepassing van de algemene weigeringsgrond wegens inwoning.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5924

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] eiseres

(gemachtigde: mr. N. Rastegar),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [gemachtigde ] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een medische aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Bentaib als tolk en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van de zaak
3.1.
Eiseres is een 36-jarige alleenstaande vrouw. Zij is op [datum 1] 2018 gehuwd met de heer [persoon] . Het huwelijk is op [datum 2] 2021 ontbonden. Tussen 2018 en 2020 woonde eiseres samen met haar ex-partner in bij haar ex-schoonmoeder aan de [adres 1] . Eiseres stond echter in deze periode ingeschreven op het adres van haar ex-schoonzus in Zaandam. Na oktober 2020 heeft eiseres op verschillende tijdelijke adressen in Amsterdam ingewoond. Momenteel verblijft eiseres in Hoofddorp. Eiseres heeft sinds 17 december 2024 een briefadres op het adres [adres 2] . Daarvoor had zij een briefadres van 20 augustus 2024 tot 17 december 2024 op het adres [adres 3] . Daarvoor heeft eiseres ingeschreven gestaan op de volgende adressen:
  • [adres 4] van 29 juni 2021 tot 20 augustus 2024
  • [adres 5] van 13 november 2020 tot 29 juni 2021.
3.2.
Bij de aanvraag heeft eiseres diverse stukken overgelegd. Een GZ-psycholoog verzoekt passende woonruimte toe te kennen omdat het ontbreken daarvan de psychische en lichamelijke gezondheid van eiseres ernstig schaadt. Eiseres is slachtoffer van langdurige psychische mishandeling met traumatische klachten en PTSS, ervaart herbelevingen en depressie en heeft geen sociaal netwerk. Huisvesting buiten Amsterdam zou volgens de psycholoog het isolement verergeren en behandeling bemoeilijken. Een verklaring uit 2020 bevestigt dat eiseres sinds september 2020 wordt behandeld voor depressie, suïcidale gedachten, angst en mishandeling. Door dreiging kon zij niet meer bij haar echtgenoot en familie verblijven en heeft sindsdien geen vaste woonruimte of stabiel steunsysteem. Herstel is volgens de psycholoog alleen mogelijk bij veiligheid en stabiliteit.
Algemene weigeringsgrond
4.1.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv) worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de Hvv brengt mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Het college toetst de aanvraag dan niet meer aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, zoals medische urgentie.
4.2.
Het college heeft de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onder e, van de Hvv. Het woonprobleem is ontstaan als een gevolg van verwijtbaar doen of nalaten, omdat eiseres naar Amsterdam is gekomen zonder te zorgen voor adequate woonruimte. Eiseres is in 2018 in het kader van haar huwelijk vanuit Marokko naar Nederland gekomen. In die periode stond eiseres ingeschreven bij haar schoonzus in Zaandam, terwijl zij feitelijk verbleef bij haar schoonmoeder en kennissen in Amsterdam. Er was sprake van inwoning bij derden. De Hvv en de Nadere regels voorzien niet in een uitzondering voor situaties van afhankelijkheid binnen een huwelijk. Indien sprake is van inwoning bij derden zonder eigen adequate woonruimte, moet de aanvraag worden geweigerd, ongeacht de achterliggende omstandigheden.
4.3.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij onder valse voorwendselen naar Nederland is gekomen. Volgens haar is geen sprake van verwijtbaar handelen. Indien zij dit wel had geweten, was zij niet naar Nederland gekomen. Bovendien voert eiseres aan dat ook als er geen sprake zou zijn van inwoning, dus in het geval dat eiseres in een koop- of huurwoning met haar ex-partner zou samenwonen, zij in dezelfde situatie zou zijn beland omdat een koop- of huurwoning na scheiding dan niet aan eiseres zou zijn toebedeeld maar aan haar ex-partner. Volgens eiseres had weigeringsgrond e daarom niet aan haar mogen worden tegengeworpen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college de algemene weigeringsgrond, zoals vermeld in artikel 2.10.5, aanhef en onder e van de Hvv, terecht aan eiseres heeft tegengeworpen. Niet in geschil is dat eiseres wist dat zij tijdelijk bij haar ex-schoonmoeder zou verblijven, totdat zij en haar ex-partner een woning zouden hebben gevonden. Hierdoor is sprake van inwoning. Het college hoeft daarom niet te beoordelen wat de redenen van deze inwoning zijn. De stelling van eiseres dat zij zich in dezelfde situatie zou bevinden als sprake zou zijn geweest van een koop- of huurwoning die na de scheiding verlaten had moeten worden, en dat de weigeringsgrond daarom niet tegengeworpen mag worden, kan de rechtbank niet volgen. In dit geval is immers wel degelijk sprake van inwoning. In de door eiseres geschetste hypothetische situatie had het college de aanvraag sowieso anders beoordeeld omdat dan andere bepalingen uit de Nadere regels van toepassing waren geweest.
Medische toets
5.1.
Voor zover eiseres aanvoert dat aan haar een urgentieverklaring om medische of sociale redenen op grond van artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv verleend had moeten worden, faalt dit betoog. Immers, in artikel 2.10.8, eerste lid, van de Hvv is bepaald dat verlening van een urgentieverklaring aan een aanvrager die tot een van de in dat artikellid genoemde urgentiecategorieën behoort, pas aan de orde kan zijn, indien zich geen van de in artikel 2.10.5, eerste en tweede lid, van de Hvv opgenomen algemene weigeringsgronden voordoet.
5.2.
Zoals hierboven geoordeeld heeft het college de urgentieverklaring terecht geweigerd op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Hvv, daarom hoefde het college geen medisch advies op te vragen bij de GGD.
5.3.
De rechtbank zal de beroepsgronden die zien op de verlening van een urgentieverklaring om medische of sociale redenen daarom beoordelen in het licht van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 2.10.11, eerste lid, van de Hvv.
Hardheidsclausule
6.1.
Als algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, kan onder omstandigheden toch een urgentie worden verleend, op grond van de hardheidsclausule. Deze is vastgelegd in artikel 2.10.11 van de Hvv. Daarin is bepaald dat sprake moet zijn van een schrijnende situatie en bijzondere omstandigheden die, gelet op het doel van de verordening, redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
6.2.
Eiseres voert aan dat zij al gedurende enkele jaren onder behandeling is voor haar psychische problemen. Meerdere behandelaren hebben aangegeven dat haar mentale situatie niet zal verbeteren zolang de onzekerheid over de huisvesting in stand blijft en zo lang zij telkens tijdelijk bij iemand onderkomen moet vinden. Ook heeft eiseres aangevoerd dat genegeerd wordt dat zij tijdens het huwelijk slachtoffer is geweest van vrijheidsbeneming en huiselijk geweld.
6.3.
De rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een moeilijke situatie bevindt.
Maar uit het bestreden besluit blijkt dat het college de stukken met betrekking tot huiselijk geweld en vrijheidsbeneming wel heeft meegewogen. Het dossier biedt echter geen aanwijzingen voor een schrijnende situatie of een acuut levensbedreigend probleem op grond waarvan een urgentieverklaring verleend zou moeten worden. Bovendien zijn de overgelegde stukken verouderd (2020 en 2024). De rechtbank kan het college dan ook volgen dat de hardheidsclausule niet hoefde te worden toegepast en dat in dat kader geen medisch advies is gevraagd aan de GGD.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.