ECLI:NL:RBAMS:2026:4499

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
11988244
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 3 lid 1 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling schadevergoeding en parkeergeld na treintje rijden in parkeergarage

Op 6 september 2025 maakte gedaagde gebruik van de parkeergarage van Q-Park in Amsterdam en verliet deze door middel van treintje rijden, waarbij hij achter een andere auto onder de slagboom doorreed zonder te betalen. Q-Park vorderde betaling van het verschuldigde parkeergeld, een schadevergoeding en buitengerechtelijke incassokosten.

Gedaagde voerde verweer dat hij leed aan een longontsteking en daardoor niet opzettelijk onrechtmatig handelde. De kantonrechter stelde vast dat er een geldige parkeerovereenkomst was en dat de algemene voorwaarden, waaronder het verbod op treintje rijden en de vastgestelde schadevergoeding, niet oneerlijk waren.

De kantonrechter wees het verweer van gedaagde af en oordeelde dat de vorderingen van Q-Park toewijsbaar zijn. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het parkeergeld, de schadevergoeding, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van parkeergeld, schadevergoeding, incassokosten en proceskosten wegens treintje rijden in parkeergarage.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11988244 \ CV EXPL 25-16619
Vonnis van 23 april 2026
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Q-Park,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 november 2025, met producties,
- de e-mail van [gedaagde] , ontvangen op 14 januari 2026 om 10:00 uur,
- de e-mail van [gedaagde] , ontvangen op 14 januari 2026 om 10:09 uur,
- het tussenvonnis van 29 januari 2026 waarin is besloten dat de procedure schriftelijk wordt voortgezet,
- de conclusie van repliek van 26 februari 2026 met producties en daarbij gedeponeerde usb-stick met video-opname.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft met zijn voertuig met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) op 6 september 2025 gebruik gemaakt van de parkeergarage van Q-park, locatie Amsterdam-Centrum Oost. [gedaagde] heeft de parkeerkosten niet voldaan.
2.2.
Q-park heeft [gedaagde] gesommeerd om een bedrag van € 382,41 aan schadevergoeding en € 2,00 aan verschuldigd parkeergeld te betalen. [gedaagde] heeft dit niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
Q-park vordert dat gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2,00 aan verschuldigd parkeergeld, € 382,41 aan schadevergoeding en € 57,66 aan buitengerechtelijke kosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Q-park legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een (parkeer)overeenkomst tot stand gekomen. Met het voertuig waarvan het kenteken op naam van [gedaagde] staat, is op 6 september 2025 treintje gereden en daarmee is in strijd gehandeld met de overeenkomst en de algemene voorwaarden. Gedaagde partij is op grond van artikel 5.5 van de algemene voorwaarden schadevergoeding en parkeergeld verschuldigd. Omdat [gedaagde] deze bedragen niet heeft betaald, moet hij ook de wettelijke rente hierover en de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten betalen.
3.3.
Volgens Q-Park is het bedrag aan parkeergeld berekend aan de hand van het parkeertarief per uur in de betreffende parkeergarage, uitgaande van het tijdstip waarop het voertuig is binnen gereden en het tijdstip van de gedraging. De schadevergoeding is gebaseerd op de schade die Q-Park lijdt wanneer parkeerders treintje rijden, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden, gedane en toekomstige investeringen en het inschakelen van derden. In veel gevallen is ook schade toegebracht aan de slagboom, aldus Q-Park.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat hij tijdens het treintje rijden aan een longontsteking leed. Zijn fysieke toestand speelde een rol in zijn handelen op dat moment. Van opzettelijk onrechtmatig handelen was geen sprake, aldus [gedaagde] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vast staat dat er tussen partijen een parkeerovereenkomst tot stand is gekomen, aangezien [gedaagde] erkent dat hij in de betreffende parkeergarage heeft geparkeerd.
Ambtshalve toetsing consumentenrecht
4.2.
De overeenkomst waarop Q-park zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd.
4.3.
De overeenkomst is tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte. Q-park heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.
4.4.
De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Bij die beoordeling gaat het erom of een beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met alle andere bedingen van die overeenkomst.
4.5.
In artikelen 5.5, 6.6 en 7.5 van de in deze zaak overgelegde versie van de algemene voorwaarden (versie 02.2025) zijn bepalingen opgenomen over de door de consument te vergoeden schade:
‘5. Gebruikersvoorschriften(…)
5.5
Het met een Motorvoertuig of enig ander voertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd Parkeerbewijs (bijvoorbeeld door langs de slagboom te rijden of door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt,) is onder geen beding toegestaan. Indien Q-Park gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in dit artikel constateert, is de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd, alsmede een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 382,41 (prijspeil 2025).
(…)

6.Parkeergeld en betaling

(…)
Kortparkeren
(…)
6.6
In geval van verlies of ontbreken van het Parkeerbewijs is de Parkeerder het door Q-Park voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd. De Parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de Parkeerfaciliteit te voldoen. Indien de Klant achteraf door middel van de klachtenprocedure aan kan tonen wat de daadwerkelijke parkeertijd was, zal eventuele restitutie op basis daarvan plaats vinden. De bewijslast met betrekking tot de daadwerkelijke parkeertijd berust bij de Klant.
(…)
7Aansprakelijkheid
(…)
7.5
De Klant is aansprakelijk voor alle schade die door hem is veroorzaakt aan de Parkeerfaciliteit of de daarbij behorende apparatuur en installaties.’
4.6.
Op grond van artikel 5.5 kan Q-park het tarief verloren kaart en een gefixeerde schadevergoeding vorderen. Uit de tekst van het beding volgt dat deze vergoedingen zien op verschillende schadeposten, zodat dit beding niet tot dubbele vergoedingen zal kunnen leiden. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van Q-park van de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding wordt deze als niet oneerlijk beoordeeld.
4.7.
Artikel 6.6 gaat ook over het tarief verloren kaart, maar de formulering van het beding leidt niet tot de mogelijkheid van cumulatie met artikel 5.5. Artikel 7.5 gaat over schade veroorzaakt aan de parkeerfaciliteit, wat gelet op de definitie van artikel 1 doelt Pro op materiële schade aan de parkeergarage of het parkeerterrein. Daarmee ziet dit artikel op andere schadeposten dan waarop artikel 5.5 ziet, zodat dit niet tot dubbele vergoedingen zal kunnen leiden.
4.8.
De kantonrechter beoordeelt de hierboven beschreven bedingen dan ook als niet oneerlijk.
Beoordeling vordering
4.9.
[gedaagde] erkent dat hij bij het verlaten van de parkeergarage achter een andere auto is aangereden. Dat [gedaagde] heeft treintje gereden wordt ook ondersteund door de foto in het dossier. Treintje rijden is volgens de algemene voorwaarden niet toegestaan en Q-Park kan dan op grond van de overeenkomst en de algemene voorwaarden het verschuldigd parkeergeld en een schadevergoeding vorderen.
4.10.
Aan het verweer van [gedaagde] wordt voorbij gegaan. Het feit dat hij zich niet goed voelde rechtvaardigt niet de keus van [gedaagde] om de parkeergarage te verlaten door middel van treintje rijden. Dit betekent dat de vorderingen van Q-Park tot betaling van het verschuldigd parkeergeld van € 2,00 en de schadevergoeding van € 382,41 toewijsbaar zijn. Omdat [gedaagde] deze bedragen niet op tijd heeft betaald en hij de hoogte hiervan niet heeft betwist, is ook de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen toewijsbaar vanaf de datum van de gedraging (6 september 2025).
4.11.
Q-Park vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [gedaagde] een consument is moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 57,66 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat Q-Park niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
473,28

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 384,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 57,66 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 473,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
64443