Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4508

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
C/13/774927 HA ZA 25-1437
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:61 BWArt. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek rectificatie partijaanduiding en niet-ontvankelijkheid eiser in vorderingen tegen verkeerde rechtspersoon

Eiser, een media-adviesbureau, vordert betaling van Stroom Amsterdam, maar dagvaardde onterecht deze vennootschap in plaats van Stroom Rotterdam, de rechtsopvolger van De Media Maatschap waarmee eiser een contract had.

Eiser verzocht primair rectificatie van de partijaanduiding en verwijzing naar de kantonrechter Rotterdam, subsidiair verwijzing naar kantonrechter Amsterdam bij gerechtvaardigd vertrouwen, en meer subsidiair voeging van de juiste partij op grond van artikel 118 Rv Pro. De rechtbank oordeelt dat rectificatie niet mogelijk is omdat dit leidt tot een partijwissel tussen twee afzonderlijke rechtspersonen.

Er is geen gerechtvaardigd vertrouwen of schijn van volmacht dat eiser met Stroom Amsterdam contracteerde, mede gelet op de fusiegeschiedenis en handelsnaamgebruik. Het verzoek tot voeging wordt afgewezen omdat artikel 118 Rv Pro niet bedoeld is om een verkeerde partij te vervangen.

Gevolg is dat eiser niet-ontvankelijk is in haar vorderingen tegen Stroom Amsterdam. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van €4.856,00, welke veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen Stroom Amsterdam en verzoek tot rectificatie partijaanduiding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/774927 / HA ZA 25-1437
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam
[handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H.A.A. Voermans,
tegen
STROOM AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stroom Amsterdam,
advocaat: mr. J.L. van Schouten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 augustus 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het verzoek van de rechtbank te reageren op het voornemen de zaak te verwijzen naar de kantonrechter,
- de akte uitlaten, tevens akte tot rectificatie, met producties, van [eiser] ,
- de akte verwijzing van Stroom Amsterdam,
- de akte/reactie op de akte tot rectificatie, met producties, van Stroom Amsterdam,
- de rolbeslissing van 10 december 2025,
- het tussenvonnis van 21 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Partijen hebben de rechtbank laten weten dat de beslissing over het verzoek tot rectificatie van [eiser] en de vraag of de zaak moet worden verwezen naar een andere rechtbank kan worden afgedaan op basis van de stukken in het dossier. De mondelinge behandeling is daarom niet doorgegaan en de zaak is verwezen naar de rol voor vonnis.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een media-adviesbureau, dat offline mediawerkzaamheden verricht. Vanaf (in ieder geval) 2021 heeft [eiser] haar klanten voor onlinemediadiensten in contact gebracht met De Media Maatschap B.V. [eiser] ontving daarvoor van De Media Maatschap een provisie van 10% over de via haar aangebrachte omzet. Op 22 december 2022 is De Media Maatschap gefuseerd met Stroom Rotterdam B.V. tot een nieuw mediabureau met vestigingen in Rotterdam en Amsterdam. De Media Maatschap was daarbij de verdwijnende en Stroom Rotterdam de verkrijgende vennootschap.
2.2.
Stroom Rotterdam is een zustervennootschap van Stroom Amsterdam, eveneens een mediabedrijf dat zich bezighoudt met reclameactiviteiten, marketing en communicatie voor haar klanten. Candid B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van beide vennootschappen. Stroom Amsterdam en Stroom Rotterdam opereren samen onder de naam STROOM.
2.3.
In de e-mail van 28 april 2025 heeft de CEO van STROOM aan [eiser] bericht dat zij de eerder gemaakte afspraken met [eiser] ontbindt en de samenwerking voor zover deze nog actief is opzegt.
2.4.
In de brief van 30 mei 2025 van [eiser] gericht aan STROOM B.V. heeft [eiser] een (schade)vergoeding verzocht van een totaalbedrag van € 30.539,- vermeerderd met rente en kosten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Stroom Amsterdam tot betaling van € 30.539,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Stroom Amsterdam voert verweer. Zij voert onder meer aan dat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard. [eiser] had Stroom Rotterdam moeten dagvaarden, omdat deze vennootschap de rechtsopvolger is van De Media Maatschap, de contractspartij van [eiser] .
3.3.
In reactie op dit verweer heeft [eiser] de rechtbank bij akte verzocht om:
  • primair: de partijaanduiding te rectificeren in die zin dat Stroom Rotterdam, statutair gevestigd in Rotterdam en met adres [adres] , handelende onder de naam STROOM, als gedaagde wordt aangemerkt en de zaak door te verwijzen naar de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam;
  • subsidiair: voor het geval de rechtbank oordeelt dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen en schijn van volmacht zodat Stroom Amsterdam als entiteit binnen de Candid-groep de contractspartij is, de zaak te verwijzen naar de kantonrechter te Amsterdam;
  • meer subsidiair: [eiser] toe te staan dat de juiste vennootschap op grond van artikel 118 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt gevoegd, opdat inhoudelijk op het materiële geschil kan worden beslist.
3.4.
Stroom Amsterdam heeft tegen deze verzoeken verweer gevoerd en geconcludeerd dat deze moeten worden afgewezen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Of de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] hangt af van haar beslissing op de verzoeken die [eiser] bij akte heeft gedaan. Daarom zal de rechtbank deze verzoeken eerst beoordelen.
4.2.
De rechtbank komt tot de conclusie dat [eiser] Stroom Rotterdam had moeten dagvaarden en dat de verzoeken van [eiser] , die erop zijn gericht deze vergissing zonder dagvaarding van een nieuwe partij te herstellen, moeten worden afgewezen. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. De rechtbank licht dit hierna toe.
Het verzoek om naamswijziging wordt afgewezen
4.3.
[eiser] heeft gesteld dat zij een kennelijke vergissing heeft gemaakt veroorzaakt door het eigen handelen van Stroom Amsterdam en Stroom Rotterdam en dat rectificatie niet neerkomt op een ongeoorloofde partijwissel. De materiële geschilpartij, STROOM als organisatie, blijft volgens [eiser] hetzelfde. Stroom Amsterdam heeft hiertegen aangevoerd dat een blik in het handelsregister van de Kamer van Koophandel [eiser] had geleerd dat Stroom Rotterdam de juiste procespartij is. Rectificatie zou bovendien een partijwisseling meebrengen en daarvoor is rectificatie niet bedoeld.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat Stroom Amsterdam en Stroom Rotterdam twee afzonderlijke rechtspersonen zijn. Dat beide vennootschappen opereren onder de naam STROOM, dezelfde e-mailextensie gebruiken en kantooradressen in Amsterdam en Rotterdam onder de e-mailhandtekeningen vermelden doet daaraan niet af.
4.5.
In sommige gevallen kunnen fouten in de partijaanduiding met een rectificatieverzoek worden gecorrigeerd, bijvoorbeeld als het gaat om herstel van een foutieve aanduiding van de – op zichzelf juiste – rechtspersoon, maar niet als dit leidt tot een partijwissel. [1] Toewijzing van het verzoek tot naamswijziging zou in dit geval leiden tot een partijwissel. De ene rechtspersoon (Stroom Amsterdam) zou dan namelijk in de plaats worden gesteld van de andere rechtspersoon (Stroom Rotterdam). Een dergelijke wijziging gaat het bereik van een rectificatie te buiten. Van (de advocaat van) [eiser] mag bovendien verwacht worden dat zij het handelsregister van de Kamer van Koophandel raadpleegt voordat wordt overgegaan tot dagvaarding. Stroom Amsterdam heeft er in dit verband terecht op gewezen dat [eiser] er op grond van de uittreksels uit het handelsregister van op de hoogte had kunnen zijn dat Stroom Rotterdam na de fusie met De Media Maatschap de verkrijgende partij is geworden en ook dat Stroom Rotterdam onder de naam De Media Maatschap handelde.
4.6.
Het verzoek om naamswijziging wordt afgewezen.
Geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen of schijn van volmacht
4.7.
[eiser] stelt dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij met Stroom Amsterdam contracteerde. Zij stelt dat medewerkers die onder het logo van STROOM optraden de schijn hebben gewekt dat zij bevoegd waren om namens de STROOM-entiteit te handelen en haar bedrijf bonden. [eiser] beroept zich in dit kader op artikel 3:61 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Dit beroep op gerechtvaardigd vertrouwen en schijn van volmacht slaagt niet.
4.8.
Vaststaat dat [eiser] vanaf (in ieder geval) 2021 heeft samengewerkt met De Media Maatschap. Deze handelsnaam is door Stroom Rotterdam overgenomen na de fusie met De Media Maatschap in 2022. Uit het door Stroom Amsterdam overgelegde uittreksel uit het handelsregister blijkt dat Stroom Amsterdam nooit heeft gehandeld onder de naam De Media Maatschap. Uit het uittreksel en ook uit de door [eiser] zelf overgelegde stukken blijkt verder dat Stroom Amsterdam tot medio 2024 M2 OC B.V. heette en dus pas vanaf 2024 onder de naam Stroom Amsterdam actief werd. Alleen al gelet op deze historie die uit het handelsregister blijkt, mocht [eiser] er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat Stroom Amsterdam haar contractspartij was.
4.9.
Ook het beroep op artikel 3:61 lid 2 BW Pro in dit kader slaagt niet. [eiser] heeft niet aan haar stelplicht voldaan. [eiser] heeft niet onderbouwd door feiten gesteld dat er sprake is van een in naam van Stroom Amsterdam verrichte rechtshandeling. [eiser] heeft alleen gesteld dat er sprake is van een namens de STROOM-entiteit verrichte rechtshandeling en dat haar contractspartij STROOM was. De STROOM-entiteit is echter geen rechtspersoon die rechtshandelingen kan aangaan en kan daarom geen contractspartij zijn. De rechtbank ziet niet in waarom het feit dat Stroom Amsterdam en Stroom Rotterdam deel uitmaken van de Candid-groep en naar buiten toe de overkoepelende naam STROOM hanteren, betekent dat sprake zou zijn van een in naam van Stroom Amsterdam (en niet van Stroom Rotterdam) verrichte rechtshandeling. Dat in contacten niet werd vermeld namens welke vennootschap de medewerkers communiceerden is daarvoor niet voldoende. Ter onderbouwing van haar standpunt moet [eiser] daarnaast feiten en omstandigheden stellen die de conclusie rechtvaardigen dat zij op het moment dat zij de rechtshandeling aanging redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend door Stroom Amsterdam en dat zij op grond van die feiten en omstandigheden daadwerkelijk heeft aangenomen dat een toereikende volmacht was verleend. Dit heeft zij niet gedaan en is gelet op hetgeen hiervoor in 4.8 is overwogen ook niet mogelijk.
4.10.
De gevraagde verwijzing naar de kantonrechter zal worden afgewezen.
Geen voeging op grond van artikel 118 Rv Pro
4.11.
Dit verzoek, dat de rechtbank zal opvatten als een verzoek om Stroom Rotterdam als juiste partij te voegen, zal worden afgewezen. Artikel 118 Rv Pro is er niet voor bedoeld om in het geval een verkeerde partij is gedagvaard, alsnog de juiste partij te dagvaarden en zo een partijwissel te bewerkstelligen.
Gevolg voor de vorderingen van [eiser]
4.12.
Het oordeel van de rechtbank dat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard en dat dit niet kan worden gerepareerd in de aanhangige procedure, heeft tot gevolg dat [eiser] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen tegen Stroom Amsterdam. De rechtbank komt dus niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] .
[eiser] moet de proceskosten betalen
4.13.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stroom Amsterdam worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.856,00
4.14.
De veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordeling ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de verzoeken van [eiser] af,
5.2.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Sullivan, rechter, met bijstand van mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765.