Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4574

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
13/090243-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a WVWArt. 163 lid 6 WVWArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 176 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gevaarlijk rijgedrag en weigering bloedonderzoek na politieachtervolging in Amsterdam

Op 8 maart 2024 vond in Amsterdam een politieachtervolging plaats waarbij verdachte als bestuurder van een Volkswagen Golf zich schuldig maakte aan ernstig gevaarlijk rijgedrag. Hij reed met zeer hoge snelheid, negeerde stoptekens, reed tegen politievoertuigen, een fiets en een verkeerszuil, en veroorzaakte bijna een aanrijding met een scooterrijder. Na de crash weigerde verdachte mee te werken aan een bevolen bloedonderzoek.

De rechtbank stelde vast dat verdachte inderdaad de bestuurder was, gebaseerd op camerabeelden en verklaringen van politieagenten. De verdediging voerde aan dat dit niet bewezen kon worden, maar dit werd verworpen. Het gevaarlijke rijgedrag werd gekwalificeerd als een ernstige overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994, en de weigering van het bloedonderzoek als overtreding van artikel 163 lid 6 WVW Pro.

De rechtbank achtte de feiten bewezen en strafbaar, wees het verweer af en legde een gevangenisstraf van 8 weken op met aftrek van voorarrest, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden met aftrek van reeds ingehouden tijd. Ook werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke ontzegging gelast vanwege het nieuwe strafbare feit.

De strafoplegging werd gemotiveerd door de ernst van het gevaarlijke rijgedrag, de risico’s voor anderen, eerdere veroordelingen van verdachte en zijn afwezigheid tijdens de zitting. De rechtbank vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en wees een voorwaardelijke straf af.

De uitspraak werd op 26 maart 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 weken gevangenisstraf en 12 maanden rijontzegging wegens gevaarlijk rijgedrag en weigering bloedonderzoek.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/090243-24
Parketnummer vordering tul: 13/244080-21
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
laatst bekende c.q. opgegeven verblijfadressen:
[adres 1] en [adres 2] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.M. van der Veen en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. C.T. Pittau, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 8 maart 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Volkswagen), daarmee rijdende op de weg, de Czaar Peterstraat en/of de Zeeburgerstraat en/of Pontanusstraat , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door
- met zeer hoge snelheid, dan wel een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid/snelheden, in elk geval een veel te hoge snelheid voor veilig verkeer ter plaatse,
- meermalen tegen de verplichte rijrichting van het verkeer in te rijden op voornoemde straten en/of
- over de trambaan te rijden op de Czaar Peterstraat en/of
- tegen een stilstaand politievoertuig aan te rijden op de kruising van de Czaar Peterstraat en de Cruquiusstraat en/of
- tegen een fiets aan te rijden waarmee een onbekend gebleven persoon over een voetgangersoversteekplaats liep op de kruising van de Zeeburgerstraat en de Sarphatistraat en/of
- tegen een verkeerzuil aan te rijden op een verkeerseiland in het midden van de Pontanusstraat en/of vervolgens bijna een scooterrijder ( [slachtoffer] ) aan te rijden om tot slot tegen een lantaarnpaal te botsen,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
(art. 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 maart 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Volkswagen), daarmee rijdende op de weg, de Czaar Peterstraat en/of de Zeeburgerstraat en/of Pontanusstraat , zich zodanig heeft gedragen dat daarvoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft, met zeer hoge snelheid, dan wel een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid/snelheden, in elk geval een veel te hoge snelheid voor veilig verkeer ter plaatse,
- meermalen tegen de verplichte rijrichting van het verkeer in gereden op voornoemde straten en/of
- over de trambaan gereden op de Czaar Peterstraat en/of
- tegen een stilstaand politievoertuig aan gereden op de kruising van de Czaar Peterstraat en de Cruquiusstraat en/of
- tegen een fiets aan gereden waarmee een onbekend gebleven persoon over een voetgangersoversteekplaats liep op de kruising van de Zeeburgerstraat en de Sarphatistraat en/of
- tegen een verkeerzuil aan gereden op een verkeerseiland in het midden van de Pontanusstraat en/of vervolgens bijna een scooterrijder ( [slachtoffer] ) aan gereden en tot slot tegen een lantaarnpaal aangebotst;
(art. 5 Wegenverkeerswet Pro 1994)
2.
hij op of omstreeks 8 maart 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig (personenauto) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek teonderwerpen en/of daaraan geen medewerking heeft verleend;
(art. 163 lid 6 Wegenverkeerswet Pro 1994)

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Inleiding
Op 8 maart 2024 heeft er in Amsterdam Oost een politieachtervolging plaatsgevonden waarbij een personenauto, een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (hierna: de Golf), werd achtervolgd door meerdere politieauto’s. Nadat de Golf uiteindelijk op zijn kop in de berm tegen een lantaarnpaal is terechtgekomen, werd verdachte uit de bestuurderskant gehaald door de politie.
Verdachte heeft vervolgens geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek.
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde. Op grond van de inhoud van het dossier kan worden bewezen dat verdachte de bestuurder was van de Golf en dat het rijgedrag kan worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 5a WVW. Verdachte heeft, als bestuurder, vervolgens geweigerd mee te werken aan het bevolen bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW Pro.
4.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de bestuurder was van de Golf. Dit leidt ook tot vrijspraak van feit 2 omdat artikel 163 WVW Pro alleen ziet op de bestuurder van een voertuig.
4.4.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Verdachte was bestuurder van de Golf
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of kan worden bewezen dat verdachte de bestuurder was van de Golf. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
De Golf is bij de politie in beeld gekomen omstreeks 20:36 uur. Verbalisant [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1] ) rijdt dan achter de Golf aan, die stopt bij tankstation [bedrijf] op de [straatnaam] . [verbalisant 1] ziet dat één persoon richting het tankstation loopt. Omstreeks 20:39 uur loopt die persoon weer terug naar de Golf en neemt daarin plaats. De Golf rijdt vervolgens weg en [verbalisant 1] ziet dat er drie personen in zitten.
De camerabeelden van tankstation [bedrijf] zijn door de politie uitgekeken en daarop is te zien dat het verdachte is die de Golf tankt en vervolgens de winkel van het tankstation inloopt. Kort hierna loopt verdachte weer naar de Golf en stapt in aan de bestuurderskant. De Golf rijdt vervolgens weg. Op de bijrijdersstoel zit dan een persoon die blote armen heeft.
De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat op de still van voornoemde camerabeelden in het dossier niet is te zien dat verdachte daadwerkelijk instapt aan de bestuurderskant van de Golf. De rechtbank overweegt in dit verband dat de still slechts één afdruk is van de bewegende beelden, die ter illustratie is toegevoegd aan het proces-verbaal. De politie heeft de bewegende beelden uitgekeken waarop het instappen aan de bestuurderszijde door verdachte wordt waargenomen. De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat het verdachte is geweest die bij het tankstation aan de bestuurderszijde instapt.
Na het wegrijden bij het tankstation, rijdt [verbalisant 1] weer achter de Golf aan en geeft omstreeks 20:43 uur een stopteken. De Golf negeert het stopteken en gaat er met hoge snelheid vandoor, waarmee de ‘dollemansrit’ aanvangt. Rond 20:44 uur ziet [verbalisant 1] dat de Golf een paal raakt, een aantal maal over de kop gaat en vervolgens tegen een lantaarnpaal tot stilstand komt. De Golf ligt dan op zijn kop in de berm tegen de lantaarnpaal. [verbalisant 1] ziet dan één persoon via de achterzijde van de Golf uitstappen en wegelopen in de richting van de Javastraat . Dit blijkt later te zijn [verbalisant 2] . Verbalisant [verbalisant 3] ziet dat er nog twee personen in de Golf zitten. Verdachte zit aan de bestuurderszijde en [medeverdachte] zit aan de bijrijderszijde. Vervolgens worden de ruiten ingetikt en wordt verdachte uit de bestuurderskant gehaald en [medeverdachte] uit de bijrijderskant.
[medeverdachte] draagt een bodywarmer en heeft blote armen, overeenkomend met de bijrijder van de Golf zichtbaar op de camerabeelden van tankstation [bedrijf] . De kleding van verdachte komt overeen met de kleding van verdachte zoals zichtbaar op voornoemde camerabeelden (o.a. een donker jasje met lange mouwen).
[verbalisant 1] heeft na vertrek bij het tankstation de Golf constant in het zicht gehad en het voertuig tijdens de achtervolging ook niet uit het zicht verloren. De Golf is gedurende de enkele minuten durende achtervolging niet tot stilstand gekomen. Het is onmogelijk dat de inzittenden zijn in- en/of uitgestapt.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte de bestuurder was van de Golf gedurende de achtervolging door de politie. De verklaring van verdachte dat hij niet de bestuurder, maar de bijrijder was, is gelet op bovenstaande niet geloofwaardig. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat aantoonbaar kan worden vastgesteld dat verdachte niet de bijrijder was. Op de camerabeelden van tankstation [bedrijf] is namelijk te zien dat de bijrijder blote armen c.q. korte mouwen had, terwijl verdachte een jasje met lange mouwen droeg. Een scenario waarbij verdachte en [medeverdachte] tijdens de autorit van enkele minuten tussen het instappen bij tankstation [bedrijf] en het vervolgens uit de Golf worden gehaald, twee keer van plaats zouden zijn gewisseld (
de eerste keer omdat verdachte na het instappen aan de bestuurderskant dan naar de bijrijderskant zou moeten zijn verplaatst, en dan vervolgens een tweede keer omdat verdachte weer aan de bestuurderszijde uit de Golf wordt gehaald) acht de rechtbank niet aannemelijk noch geloofwaardig.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte vanaf het instappen bij tankstation [bedrijf] gedurende de achtervolging door de politie de bestuurder was van de Golf.
Overtreding van artikel 5a WVW
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier vast dat verdachte heeft gereden met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid en met een veel te hoge snelheid voor veilig verkeer te plaatse, meermalen tegen de verplichte rijrichting van het verkeer in heeft gereden en over de trambaan heeft gereden. Een deel van deze van deze gedragingen is in artikel 5a, eerste lid, WVW uitdrukkelijk afzonderlijk vermeld als het schenden van de verkeersregels. Een ander deel van deze gedragingen is volgens het Regelement verkeersregels en verkeerstekens1990 in strijd met de verkeersregels. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte door genoemde gedragingen de verkeersregels heeft geschonden.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verdachte dit ook opzettelijk en in ernstige mate heeft gedaan. Verdachte heeft in één rit meerdere verkeersovertredingen begaan om aan de politie te ontkomen. Daardoor kan het niet anders zijn dan dat hij de verkeersregels opzettelijk heeft geschonden en dat het opzet was gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
Tevens kan worden vastgesteld dat van de begane overtredingen, in samenhang beschouwd, levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Het rijgedrag van verdachte vond plaats midden in de stad Amsterdam op drukke wegen en op een tijdstip dat veel mensen aan het verkeer deelnemen. Hierdoor was het – naar algemene ervaringsregels – goed voorstelbaar en voorzienbaar dat door het rijgedrag van verdachte gevaarlijke situaties konden ontstaan voor de betrokken politieagenten en andere verkeersdeelnemers en dat mogelijk een ongeval met zwaar lichamelijk letsel of dodelijk afloop kon plaatsvinden. Uit het dossier blijkt ook dat verdachte is aangereden tegen een stilstaand politievoertuig, een fiets waarmee een onbekend gebleven persoon over een voetgangersoversteekplaats liep en een verkeerszuil, waarna de Golf meermaals over de kop is gevlogen en tegen een lantaarnpaal in de berm is terechtgekomen. Tevens heeft verdachte bijna een scooterrijder aangereden. Dat een aanrijding is voorkomen is te danken aan het feit dat de scooterrijder nog net op het fietspad kon uitwijken. Wel zijn er door het rijgedrag van verdachte ook brokstukken van de Golf en de paal waartegen deze aanreed in het gezicht van die scooterrijder terechtgekomen
.
Nu aan alle delictsbestanddelen van artikel 5a WVW is voldaan, acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde bewezen.
Feit 2
De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat verdachte de bestuurder was van de Golf, zodat de rechtbank het verweer van de raadsman op dit punt verwerpt.
De rechtbank stelt verder vast dat verdachte werd bevolen zicht te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW Pro, waarbij verdachte werd meegedeeld dat weigering een misdrijf oplevert. Verdachte heeft vervolgens geweigerd hieraan mee te werken.
Op grond daarvan acht de rechtbank ook het onder 2 tenlastegelegde bewezen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1.
op 8 maart 2024 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig personenauto, merk Volkswagen, daarmee rijdende op de weg, de Czaar Peterstraat en/of de Zeeburgerstraat en/of Pontanusstraat , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door
- met zeer hoge snelheid, dan wel een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid, in elk geval een veel te hoge snelheid voor veilig verkeer ter plaatse,
- meermalen tegen de verplichte rijrichting van het verkeer in te rijden op voornoemde straten en
- over de trambaan te rijden op de Czaar Peterstraat en
- tegen een stilstaand politievoertuig aan te rijden op de kruising van de Czaar Peterstraat en de Cruquiusstraat en/of
- tegen een fiets aan te rijden waarmee een onbekend gebleven persoon over een voetgangersoversteekplaats liep op de kruising van de Zeeburgerstraat en de Sarphatistraat en
- tegen een verkeerzuil aan te rijden op een verkeerseiland in het midden van de Pontanusstraat en vervolgens bijna een scooterrijder ( [slachtoffer] ) aan te rijden om tot slot tegen een lantaarnpaal te botsen,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
2.
op 8 maart 2024 te Amsterdam, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en daaraan geen medewerking heeft verleend
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken, met aftrek van voorarrest, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) van 12 maanden, met aftrek.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer op te leggen. Er is inmiddels sprake van aardig wat tijdsverloop sinds de feiten, dat niet aan de verdediging is te wijten. In de tussenliggende tijd is verdachte niet meer voor een soortgelijk feit met politie en/of justitie in aanraking is gekomen. Eventueel kan een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.
Daarnaast heeft de raadsman verzocht geen onvoorwaardelijke OBM op te leggen voor langere duur dan dat het rijbewijs reeds ingehouden is geweest, te weten 6 maanden.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich, in een poging om aan de politie te ontkomen, als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag. Verdachte heeft stoptekens van de politie genegeerd en diverse ernstige overtredingen begaan. Meerdere politie eenheden hebben zich genoodzaakt gezien om verdachte te achtervolgen door Amsterdam Oost, waar de ‘dollemansrit’ uiteindelijk is geëindigd door een crash van de auto van verdachte. Met het handelen van verdachte heeft hij welbewust onaanvaardbare risico’s genomen en andere verkeersdeelnemers (waaronder de politieagenten) ernstig in gevaar gebracht. Door zijn rijgedrag is verdachte ook daadwerkelijk tegen andere verkeersdeelnemers aangereden dan wel bijna aangereden. De scooterrijder waartegen verdachte bijna aanreed heeft hieraan een wondje in het gezicht en een kapotte helm overgehouden. Er mag echter van geluk worden gesproken dat de gevolgen van het handelen van verdachte niet veel ernstiger waren.
Verdachte heeft daarnaast geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Door aldus te handelen heeft de verdachte de controle gefrustreerd op de naleving van voorschriften die de verkeersveiligheid dienen.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 29 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor verkeersfeiten. Ten tijde van de feiten liep verdachte bovendien in een proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde OBM. Ook blijkt hieruit dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is vanwege een veroordeling voor wederspannigheid op 23 april 2024.
Mede in het licht van bovenstaande neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij – ondanks dat er veel moeite is gedaan om verdachte op zitting zijn verhaal te laten doen – uiteindelijk niet ter zitting is verschenen. Verdacht heeft daarmee geen blijk gegeven verantwoording te nemen voor zijn handelen.
Rekening houdend met het voorgaande en met de straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare zaken, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde strafoplegging passend en geboden.
Dat inmiddels twee jaar is verstreken sinds de bewezenverklaarde feiten vormt geen aanleiding om af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de zaak aanvankelijk in mei 2025 inhoudelijk zou worden behandeld, maar dat het toen de verdediging is geweest die in eerste instantie om aanhouding van de zaak heeft verzocht. De rechtbank vindt feit 1 bovendien te ernstig om af te doen met een voorwaardelijke straf.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

9.1.
De vordering
Bij de stukken bevindt zich de op 15 januari 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-244080-21, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 4 mei 2022 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 8 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 4 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tenuitvoerlegging toe te wijzen.
9.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.
9.4.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
8 (acht) weken.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Ontzegtverdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de tijd, dat het rijbewijs voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest, bij de uitvoering van de opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere bijkomende straf in mindering is gebracht.
Gelast de
tenuitvoerleggingvan de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 4 mei 2022, namelijk een
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 4 (vier) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. D. Bode en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2026.