Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4662

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
AMS 25/2084 E
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.4 OmgevingsregelingArt. 16.55, zevende lid, OmgevingswetBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel van gebrek participatie bij omgevingsvergunning voor horecaterras

De zaak betreft een omgevingsvergunning voor het wijzigen en vergroten van een onbebouwd horecaterras aan een adres in Amsterdam. De Huurdersvereniging stelde beroep in tegen het besluit van het college om de vergunning te verlenen, vanwege het ontbreken van verplichte participatie.

In een eerdere tussenuitspraak stelde de rechtbank vast dat het college het gebrek aan participatie moest herstellen. Het college gaf de vergunninghouder de gelegenheid alsnog de verplichte participatie uit te voeren, wat is gebeurd door het verspreiden van bewonersbrieven en het opstellen van een participatieplan. De Huurdersvereniging voerde aan dat de participatie onvoldoende was en dat er sprake was van een bebouwd terras in strijd met het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat de herstelpoging van het college toereikend is en dat de participatie op juiste wijze is uitgevoerd volgens de Participatiehandreiking. De bezwaren over het bebouwde terras kunnen via handhaving worden behandeld en zijn niet geschikt voor vernietiging van de vergunning. Hoewel het college de hersteltermijn overschreed, is de aanvullende motivering toch betrokken bij de beoordeling zonder dat de belangen van de Huurdersvereniging zijn geschaad.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de Huurdersvereniging.

Uitkomst: Het gebrek aan verplichte participatie is hersteld, waardoor de omgevingsvergunning in stand blijft met aanvullende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2084
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen
Huurdersvereniging [naam] , te [plaats] , eiseres
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. L.C. van Elewoud).
Als derde-partij neemt aan het geding deel [bedrijf] te Amsterdam.
Partijen zullen hierna respectievelijk de Huurdersvereniging, het college en [bedrijf] worden genoemd.
Samenvatting
1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat het gebrek dat is vastgesteld in de tussenuitspraak is hersteld. Het college heeft [bedrijf] de gelegenheid gegeven om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. De aan [bedrijf] verleende omgevingsvergunning kan in stand blijven met de aanvullende motivering van het college.
1.1. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie komt.
Procesverloop
2. [bedrijf] exploiteert een horecazaak met een terras op het adres [adres 1] . Op 13 maart 2024 heeft [bedrijf] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van het gebruik voor een onbebouwd horecaterras op het perceel [adres 1] . Met de aanvraag wil [bedrijf] het bestaande horecaterras legaliseren en vergroten voor wat betreft het onbebouwde deel met een breedte van 6 meter en een diepte van 1,88 meter.
2.1. Met het primaire besluit van 24 juli 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2. In het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van de Huurdersvereniging heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd.
2.3. Op 26 maart 2025 heeft het college de beslissing op bezwaar van 14 februari 2025 gewijzigd door de oorspronkelijke tekening die onderdeel is van de omgevingsvergunning te vervangen door een aangepaste tekening.
2.4. De Huurdersvereniging heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de Huurdersvereniging, de gemachtigde van het college en tot slot [persoon 1] en [persoon 2] , aandeelhouders van [bedrijf].
2.6. In de tussenuitspraak van 20 november 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek - het ontbreken van verplichte participatie - in het bestreden besluit te herstellen.
2.7. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak [bedrijf] in de gelegenheid gesteld om alsnog de verplichte participatie uit te voeren. [bedrijf] heeft daarvan gebruik gemaakt, waarna het college in de brief van 30 januari 2026 heeft geconcludeerd dat op voldoende wijze is geparticipeerd door [bedrijf] en dat de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ongewijzigd blijft.
2.8. De Huurdersvereniging heeft hier op 20 februari 2026 schriftelijk op gereageerd.
2.9. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
3.1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen participatie heeft plaatsgevonden bij de voorbereiding van de aanvraag. Omdat de uitkomst van participatie mee kan wegen in de belangenafweging die verricht moet worden bij de buitenplanse omgevingsvergunning, had het college [bedrijf] alsnog in de gelegenheid moeten stellen de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.
3.2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak laten weten dat [bedrijf] op 15 december 2025 een bewonersbrief heeft verspreid op meerdere adressen in de [adres 2] en de [adres 3] . Daarnaast is in het restaurant van [bedrijf] duidelijk zichtbaar een bewonersbrief aangeplakt. Na afloop van de reactietermijn zoals opgenomen in de bewonersbrief, heeft [bedrijf] een participatieplan geschreven, waaruit volgt dat er geen reactie is ontvangen op de verspreide en aangeplakte bewonersbrieven. Het college heeft de bewonersbrief en het participatieplan overgelegd.
3.3. De Huurdersvereniging voert in de zienswijze kort gezegd aan dat er te laat, te weinig en onvoldoende is geparticipeerd. Volgens haar is de herstelpoging van het college niet geslaagd. Daarnaast wijst de Huurdersvereniging erop dat, ondanks de discussie op zitting en de tussenuitspraak, er toch een bebouwd terras is gerealiseerd.
Wel of geen bebouwd terras?
3.4. Volgens de Huurdervereniging heeft [bedrijf] een terras gebouwd, ook al staat in de aanvraag om een omgevingsvergunning dat het gaat om een onbebouwd terras. Dit is in strijd met het geldende bestemmingsplan en hiervoor is geen omgevingsvergunning verleend. Ter illustratie heeft de Huurdersvereniging een foto van het terras ingebracht. De Huurdersvereniging verzoekt de rechtbank de omgevingsvergunning op deze grond te vernietigen.
3.5. De rechtbank stelt vast dat de Huurdersvereniging hiermee, deels in andere bewoordingen, heeft herhaald wat zij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Hierover heeft de rechtbank zich al uitgelaten in de tussenuitspraak. De rechtbank kan behalve in zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van zo'n in de tussenuitspraak gegeven oordeel. De rechtbank is van oordeel dat zich hier niet zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet. Dat betekent dat de rechtbank niet terugkomt van haar oordeel in de tussenuitspraak. Indien de realisatie van het terras volgens de Huurdersvereniging afwijkt van wat door het college is vergund, kan de Huurdersvereniging een verzoek om handhaving indienen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de hersteltermijn overschreden?
3.6. Volgens de Huurdersvereniging heeft het college het gebrek te laat hersteld, namelijk niet binnen de termijn van acht weken na verzending van de tussenuitspraak.
3.7. De rechtbank stelt vast dat het college het gebrek inderdaad niet binnen de geboden termijn heeft hersteld. De tussenuitspraak is verzonden op 21 november 2025, zodat de hersteltermijn van acht weken eindigde op 16 januari 2026. Op 30 januari 2026 heeft de rechtbank de aanvullende motivering van het college ontvangen. Het college heeft niet om verlenging van de hersteltermijn verzocht.
3.8. De rechtbank overweegt dat de gegeven termijn in de tussenuitspraak een bindende termijn is. De Algemene wet bestuursrecht verbindt daar echter niet de conclusie aan dat de rechtbank gehouden is de nadere motivering steeds buiten beschouwing te laten als deze na die termijn wordt ingediend. Het is aan de rechtbank om te bepalen, mede gelet op de voortgang van het beroep, of de nadere motivering in de beoordeling van het beroep wordt betrokken. In dit geval heeft de rechtbank het onderzoek niet direct na het verstrijken van de geboden hersteltermijn gesloten en is de aanvullende motivering vóór sluiting van het onderzoek ontvangen. Verder heeft de Huurdersvereniging de mogelijkheid gekregen om inhoudelijk op de aanvullende motivering van het college te reageren. De Huurdersvereniging is door de termijnoverschrijding dan ook niet in haar belangen geschaad. Gelet op het voorgaande en met het oog op een efficiënte beslechting van het voorliggende geschil, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aanvullende motivering buiten beschouwing te laten.
3.9. Volgens de Huurdersvereniging is het college ook om andere redenen te laat met het herstelbesluit. Zowel na het indienen van de aanvraag als in de bezwaarfase had het college [bedrijf] erop kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak en dat deze alsnog uitgevoerd moest worden.
3.10. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het is juist dat het college [bedrijf] er eerder op had kunnen wijzen dat de verplichte participatie ontbrak. Dat is op dit moment echter een gepasseerd station. Aangezien de rechtbank in de tussenuitspraak het college in de gelegenheid heeft gesteld dit gebrek te herstellen, is nu niet aan de orde dat het college [bedrijf] eerder in de gelegenheid had moeten stellen om de verplichte participatie uit te voeren. De rechtbank gaat daarom aan deze beroepsgrond voorbij.
Is het gebrek hersteld?
3.11. Volgens de Huurdersvereniging is het gebrek niet hersteld. [bedrijf] heeft de kring van participanten te klein gehouden door zich te beperken tot de directe buren en de klanten die de horecazaak bezoeken. Verder is onvoldoende gevolg gegeven aan de Participatiehandreiking, omdat er geen online enquête is gehouden, omwonenden en bedrijven niet zijn aangeschreven en er geen informatieavond is georganiseerd. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat in het participatieverslag niets terug te vinden is van de bezwaren die bij de Huurdersvereniging leven. [bedrijf] heeft de Huurdersvereniging ten onrechte niet betrokken in het participatieproces.
3.12. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat op grond van het Aanwijzingsbesluit elke vorm van participatie voldoende is, waarbij de Participatiehandreiking als hulpmiddel kan worden gebruikt. Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat [bedrijf] de omgeving had moeten raadplegen, waarbij het volgens de Participatiehandreiking gaat om het verzamelen van reacties, ideeën en meningen van directe buren, omwonenden en ondernemers in de buurt. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf] met het verspreiden van een brief onder de directe buren en omwonenden alsmede met het aanplakken van diezelfde brief in het restaurant, op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de Participatiehandreiking. Er bestond geen verplichting om de Huurdersvereniging actief in het participatieproces te betrekken. De bezwaren van de Huurdersvereniging waren bovendien al bij [bedrijf] bekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.13. De Huurdersvereniging heeft verder aangevoerd dat de bewonersbrief misleidend is, omdat er niet in wordt genoemd dat het gaat om een horecaterras in strijd met het bestemmingsplan en er niet in staat dat de participatie onderdeel is van een legalisatietraject. Ook heeft [bedrijf] zich volgens de Huurdersvereniging niet gehouden aan de opdracht door in de bewonersbrief een tweede participatie te starten voor een ander terras. De bewonersbrief had daardoor geen eenduidig doel.
3.14. De rechtbank is van oordeel dat van misleiding geen sprake is. Participatie is erop gericht om bewoners en ondernemers te informeren en te betrekken bij projecten die impact hebben op hun directe leefomgeving en vindt normaal gesproken plaats voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend. Het is vervolgens aan het college om de aanvraag juridisch te duiden en te beoordelen. Dat het horecaterras in strijd is met het bestemmingsplan hoefde in de bewonersbrief dan ook niet te worden vermeld. Dat de verplichte participatie in het kader van deze procedure plaatsvindt na indiening van de aanvraag betekent niet dat [bedrijf] deze informatie wel moest delen. Verder stond het [bedrijf] vrij om in de bewonersbrief ook te vragen wat de directe omgeving vindt van een mogelijke toekomstige uitbreiding van het terras. Daarover heeft [bedrijf] in de brief helder gecommuniceerd dat deze uitbreiding nog niet is aangevraagd en dat zij eerst wil kijken hoe de directe omgeving hierover denkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.15. Tot slot wijst de Huurdersvereniging erop dat uit de aanvullende motivering van het college niet blijkt wie de participatie heeft beoordeeld en of deze persoon deskundig en bevoegd is te besluiten of de participatie voldoende en overeenkomstig de Participatiehandreiking is uitgevoerd.
3.16. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende motivering is ondertekend namens het college, dat bevoegd is om het bestreden besluit te nemen, te wijzigen en aan te vullen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aan de formele vereisten voldaan en is geen sprake van een bevoegdheidsgebrek.
3.17. De rechtbank concludeert dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld doordat [bedrijf] alsnog de verplichte participatie heeft uitgevoerd en het college dit alsnog bij het bestreden besluit heeft betrokken. Er zijn tijdens de participatieperiode geen reacties ontvangen, waarna het college heeft geconcludeerd dat de belangenafweging in het bestreden besluit niet anders zou zijn geweest als het participatieplan van [bedrijf] direct bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning zou zijn overgelegd. Deze conclusie kan de rechtbank volgen.
Conclusie en gevolgen
4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het ontbreken van verplichte participatie. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak en de aanvullende motivering van 30 januari 2026 het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
4.1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan de Huurdersvereniging het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
4.2. De Huurdersvereniging krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385,- aan de Huurdersvereniging te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van de Huurdersvereniging tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. J.W. Vriethoff, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.