Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:467

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
26/208
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. J. Tijselink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bewonersparkeervergunning wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft op 18 december 2025 een bewonersparkeervergunning aangevraagd voor een kenteken, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening toe te kennen die hem de vergunning zou verlenen.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en stelde vast dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend indien er sprake is van onverwijlde spoed, dat wil zeggen dat onomkeerbare gevolgen dreigen die niet kunnen worden afgewacht tot de bodemprocedure is afgerond.

Verzoeker voerde aan dat de afwijzing zijn kinderen raakt en het gelijkheidsbeginsel, omdat het parkeren van de auto drie kilometer verderop leidt tot problemen met het vervoeren van de kinderen naar school en andere activiteiten. Ook wees hij op het risico van naheffingsaanslagen en mogelijke wielklem of wegslepen van het voertuig.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang of onomkeerbare gevolgen. Het besluit betreft de afwijzing van een aanvraag en raakt geen bestaand recht. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder toekenning van griffierechtvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bewonersparkeervergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/208

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een bewonersparkeervergunning. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoeker heeft op 18 december 2025 een bewonersparkeervergunning aangevraagd voor kenteken [kenteken] . Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 december 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij een bewonersvergunning toegewezen krijgt.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker voert aan dat het afwijzen van de bewonersvergunning zijn drie kinderen raakt en dat hierdoor het IVRK [1] in beeld komt. Datzelfde geldt volgens verzoeker voor het gelijkheidsbeginsel. De kinderen kunnen door de afwijzing van de bewonersvergunning niet goed worden vervoerd van onder andere huis naar school, buitenschoolse activiteiten, zwemlessen, bijles en vriendjes. De auto moet nu drie kilometer verderop in Amstelveen worden geparkeerd en verzoeker moet als vader de kinderen steeds alleen thuislaten om eerst de auto te gaan halen om de kinderen naar hun verplichtingen te brengen. Dit brengt met zich mee dat het de planning in de war brengt en dat de kinderen geregeld te laat op hun bestemming arriveren. Ook zijn er inmiddels een groot aantal naheffingsaanslagen opgelegd waardoor er een acuut risico is op een wielklem en/of het wegslepen van het voertuig.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Onverwijlde spoed wil zeggen dat er onomkeerbare gevolgen kunnen intreden waardoor de beslissing in de bodemprocedure (hier: de beroepsprocedure) niet kan worden afgewacht.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. Van onomkeerbare gevolgen die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht, is niet gebleken. De argumenten van verzoeker zoals hiervoor onder 2. genoemd, zijn daarvoor onvoldoende. [2] Daarbij wijst de voorzieningenrechter er ook nog op dat het bestreden besluit geen inbreuk maakt op een bestaand recht, maar afwijzing van een aanvraag betreft.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is kennelijk ongegrond omdat het spoedeisend belang ontbreekt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. J. Tijselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
is buiten staat te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Inzake het Verdrag van de Rechten van het Kind.
2.Zie ook de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 26 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1216.