Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4671

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
AMS 23/6686 en AMS 25/5423
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 4:6 AwbArt. 2:4 AwbArt. 2.1 Regeling bezwaar en beroep collegeArt. 2.10 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunningen dakopbouw wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid

In deze bestuursrechtelijke zaken beoordeelt de rechtbank Amsterdam de beroepen van omwonenden tegen twee besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam betreffende omgevingsvergunningen voor een dakopbouw en een wijziging daarvan op een locatie in Amsterdam.

De eerste vergunning betrof een dakopbouw bovenop de vierde verdieping, de tweede een wijziging van een eerdere vergunning voor een bouwwerk op de derde verdieping en de dakopbouw op de vierde verdieping. Eisers stelden dat het college de besluiten onvoldoende had gemotiveerd en niet zorgvuldig had voorbereid, onder meer vanwege het ontbreken van participatie en onjuiste toepassing van het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte de definitie van dakopbouw heeft beperkt en dat de vergunningen in strijd zijn met het bestemmingsplan. Ook is de motivering onvoldoende en is de participatie niet adequaat geweest. De beroepen worden gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Eisers krijgen het griffierecht vergoed, maar geen overige proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunningen voor de dakopbouw wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid en beveelt het college een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/6686 en 25/5423

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2026 in de zaken tussen

In de zaak AMS 23/6686

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] , [eiser 12] , [eiser 13] , [eiser 14] , [eiser 15], allen uit [plaats] , eisers 1
In de zaak AMS 25/5423
[eiser 1] . [eiser 16] , [eiser 17] , [eiser 18] , [eiser 19] , [eiser 20] , [eiser 6] , [eiser21] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] , [eiser 12] en [eiser 13], allen uit [plaats] , eisers 2
en
In beide zaken
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. M. van Looij).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder], vergunninghouder

(gemachtigde: mr. J.C. Hoogendoorn).

Samenvatting

1.1.
In deze zaken beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen (1) de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het maken van een dakopbouw (als zolderverdieping) bovenop de vierde verdieping en (2) de omgevingsvergunning voor het wijzigen van de reeds eerder verleende omgevingsvergunning voor het bouwwerk bovenop de derde verdieping (de vierde verdieping) en het wijzigen van de omgevingsvergunning voor de dakopbouw bovenop de vierde verdieping op de locatie [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in Amsterdam.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Eisers krijgen gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeelt heeft.

Procesverloop

In de zaak AMS 23/6686
2. Met een besluit van 20 juli 2018 is aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van het pand door het maken van een dakopbouw (als vierde verdieping) en het veranderen van de indeling op de derde verdieping op de locatie [adres] [huisnummer 1] in Amsterdam. Volgens het college voldoet het project aan de bepalingen uit het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” (hierna: het bestemmingsplan) en zijn er ook verder geen weigeringsgronden van toepassing. Het college was daarom gehouden de omgevingsvergunning te verlenen. Tegen deze omgevingsvergunning zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
2.1.
Op 30 augustus 2022 heeft vergunninghouder een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het maken van een dakopbouw bovenop de vierde verdieping op de locatie [adres] [huisnummer 2] in Amsterdam.
2.2.
Met het besluit van 1 december 2022 heeft het college de aanvraag van vergunninghouder geweigerd, omdat het project in strijd is met redelijke eisen van welstand. Vergunninghouder heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het bestreden besluit 1 van 4 oktober 2023 op het bezwaar van vergunninghouder, heeft het college – onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar van vergunninghouder gegrond verklaard, het besluit van 1 december 2022 herroepen en alsnog een omgevingsvergunning verleend [1] voor het maken van een dakopbouw (als zolderverdieping) bovenop de vierde verdieping op de locatie [adres] [huisnummer 2] . Volgens het college wordt in het besluit van 1 december 2022 al overwogen dat het project voldoet aan de toepasselijke beleidsregels en dat hieraan planologische medewerking wordt verleend. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) had zich bij haar beoordeling daarom moeten richten naar de planologische mogelijkheden om de dakopbouw te realiseren en deze als een gegeven moeten beschouwen. Het negatieve welstandadvies leidt dan ook tot een belemmering van de verwezenlijking van bouwmogelijkheden waaraan het college planologische medewerking wil verlenen. Eisers 1 hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. [2]
In de zaak AMS 25/5423
2.4.
Op 8 november 2023 heeft het college een handhavingsverzoek ontvangen. Dit handhavingsverzoek strekt ertoe handhavend op te treden tegen de eigenaar van het pand [adres] [huisnummer 2] , omdat niet conform de omgevingsvergunning van 20 juli 2018 is gebouwd.
2.5.
Op 22 mei 2024 heeft vergunninghouder een aanvraag gedaan voor het wijzigen van de omgevingsvergunning ten behoeve van het legaliseren van de reeds uitgevoerde opbouw op de vierde verdieping en het wijzigen van de omgevingsvergunning voor de opbouw bovenop de vierde verdieping (dakopbouw als zolderverdieping).
2.6.
Het college heeft het handhavingsverzoek van 8 november 2023 op 25 juni 2024 afgewezen. Weliswaar is sprake van een overtreding omdat de bouwhoogte uit het bestemmingsplan wordt overschreden, maar het college ziet af van handhavend optreden, omdat vergunninghouder een nieuwe aanvraag voor wijziging van de omgevingsvergunning heeft gedaan en er daardoor concreet zicht op legalisatie bestaat.
2.7.
Met een besluit van 18 september 2024 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend [3] voor het wijzigen van de reeds verleende omgevingsvergunningen van 20 juli 2018 en 4 oktober 2023 voor een dakverdieping als vierde verdieping en daar bovenop een dakopbouw (legalisatie). Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor een zogenaamde ‘omgevingsplanactiviteit bouwwerken’, een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ en een ‘technische bouwactiviteit’. De omgevingsvergunning van 20 juli 2018 wordt gewijzigd, in die zin dat ten behoeve van de dakverdieping de maximale bouwhoogte van 15,5 meter met 0,61 meter wordt overschreden. Het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente Amsterdam heeft voor deze strijdigheid een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid op grond van artikel 29, onder c, van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning van 4 oktober 2023 wordt gewijzigd in die zin dat ten behoeve van de dakopbouw de maximale bouwhoogte van 15,5 meter met 2,96 meter wordt overschreden. Deze overschrijding wordt buitenplans verleend, omdat volgens het college sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens het college voldoet het bouwplan aan de beleidsregels ‘afwijkingen omgevingsvergunning, stadsdeel Oost’ (hierna: de beleidsregels). Eisers 2 hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.8.
Met het bestreden besluit 2 van 12 augustus 2025 heeft het college – onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning van 18 september 2024 in stand gelaten.
2.9.
Eisers 2 hebben tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. [4]
In beide zaken
2.10.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.11.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers Swart en [eiser 6] , de gemachtigde van het college, [persoon] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder, bijgestaan door mr. J.N. Boonstoppel.

Toetsingskader

3. Het toetsingskader dat van belang is in deze zaken, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het college tot de bestreden besluiten 1 en 2 heeft kunnen komen, dat wil zeggen of het college de omgevingsvergunningen van 4 oktober 2023 en 18 september 2024 heeft kunnen verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen gegrond zijn. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Formele punten
Artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
5. De rechtbank stelt vast dat het college met het verlenen van de omgevingsvergunning van 18 september 2024 de omgevingsvergunning in het bestreden besluit 1 en de onherroepelijke omgevingsvergunning van 20 juli 2018 heeft gewijzigd. Indien het besluit van 18 september 2024 en het daarop volgende bestreden besluit 2 moeten worden aangemerkt als een besluit tot wijziging van het bestreden besluit 1 in de zin van artikel 6:19 van Pro de Awb, dan is het beroep van eisers 1 (in zoverre) van rechtswege mede gericht tegen het bestreden besluit 2. Dit kan relevant zijn, voor zover eisers 1 niet ook apart beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit 2.
5.1.
Op de zitting hebben eisers [eiser 1] en [eiser 6] laten weten dat eisers 1 die geen beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit 2 zijn verhuisd en daarom geen procesbelang meer hebben. Dit is de enige reden dat de eisers in beide beroepen verschillen. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om in het midden te laten of de vergunning van 18 september 2024 en het daarop volgende bestreden besluit 2 besluiten zijn als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb en of in dat kader ook sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard. De overgebleven eisers 1 hebben namelijk wel bezwaar gemaakt tegen de vergunning van 18 september 2024 en beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 2, zodat hun beroep tegen het bestreden besluit 2, ook als geen sprake zou zijn van een artikel 6:19-besluit, in ieder geval inhoudelijk zal worden beoordeeld.
5.2.
Of al dan niet sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard is overigens ook voor het inhoudelijk oordeel niet relevant, omdat partijen het erover eens zijn dat in deze procedure alle gronden die in beide beroepen zijn aangevoerd met betrekking tot de omgevingsvergunning van 18 september 2024 worden meegenomen. De rechtbank stelt verder vast dat eisers 1 en eisers 2 veel overlappende beroepsgronden hebben ingediend. De rechtbank zal het in het vervolg van deze uitspraak daarom hebben over eisers.
Participatie
6. Eisers voeren aan dat ten onrechte geen participatie heeft plaatsgevonden voordat de omgevingsvergunning van 18 september 2024 is verleend.
6.1.
Voor de gemeente Amsterdam heeft de gemeenteraad vastgelegd dat bij alle omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten verplicht aan participatie moet worden gedaan. [5] De wijze waarop of met wie die participatie moet plaatsvinden, staat niet in het Aanwijzingsbesluit. Op grond van het Aanwijzingsbesluit zelf zou elke vorm van participatie voldoende zijn. De rechtbank stelt voorop dat in die gevallen dat participatie verplicht is gesteld, de participatie wel enige betekenis moet hebben. Anders zou het verplicht stellen van participatie weinig zinvol zijn. Het hangt vervolgens af van de aard van het project en de impact op de omgeving wat er in redelijkheid aan participatie gedaan moet worden. Het is in eerste instantie aan het college om te beoordelen of de initiatiefnemer in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de verrichte participatie. Het beleidskader Participatie, de Participatiehandreiking van de gemeente Amsterdam en het VTH-Beleid Fysieke Leefomgeving 2024 geven inzicht in de wijze waarop participatie kan worden vormgegeven en welke gevolgen daaraan worden verbonden.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat pas bij de aanvraag om de wijzigingsvergunning participatie een aanvraagvereiste is geworden. Bij de (onherroepelijke) omgevingsvergunning van 20 juli 2018 en de omgevingsvergunning van 4 oktober 2023 was participatie nog niet verplicht. Voor zover het de wijzigingsvergunning van 18 september 2024 betreft, zit in het dossier een participatieverslag van 9 juli 2024. Uit het participatieverslag komt naar voren dat het om een initiatief gaat met beperkte gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Verder volgt uit het verslag dat er contact is geweest met de gemeente en dat besproken is dat bij dit soort bouwwerken een informatieavond niet van belang is, omdat niet de gehele straat hoeft te worden geïnformeerd. Lopende het vergunningentraject is de aanvraag gelet op de bezwaren van de omwonenden aangepast door het bouwplan aan beide kanten met 0,25 centimeter te versmallen. Gelet op het bijzondere verloop van de procedures en het feit dat betrokkenen reeds op de hoogte waren van de bouwplannen en het al bekend was dat zij het er niet mee eens waren, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende aan participatie is gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige formele punten
7. Eisers voeren verder aan dat het college de aanvraag van vergunninghouder buiten behandeling had moeten laten op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb, omdat vergunninghouder eerder soortgelijke aanvragen heeft gedaan. Ook voeren eisers aan dat het besluit in strijd is met het verbod op vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2:4 van Pro de Awb en in strijd is met artikel 2.1, derde lid, van de Regeling bezwaar en beroep van het college.
7.1.
De rechtbank overweegt dat het buiten behandeling laten van een aanvraag op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb een bevoegdheid van het college is en geen verplichting. Verder overweegt de rechtbank dat uit de stukken in het dossier weliswaar blijkt dat binnen de gemeente verschillend werd gedacht over de afdoening van de zaak, maar dat dit niet betekent dat sprake is van strijd met het verbod op vooringenomenheid. Ook is niet gebleken dat de leden van de bezwaarschriftencommissie bij de voorbereiding van het primaire besluit betrokken zijn geweest. De beroepsgronden slagen niet.
7.2.
Voor zover eisers nog aanvoeren dat vergunninghouder in afwijking van de verleende omgevingsvergunningen heeft gebouwd door uit te gaan van een verkeerde maatvoering, oordeelt de rechtbank dat de rechtbank daar in deze zaken geen oordeel over kan geven. De rechtbank kan immers alleen een oordeel geven over de verleende vergunningen en gaat daarbij uit van de in de vergunningen aangegeven maten. Als in de praktijk wordt afgeweken van de verleende vergunning kan een handhavingsverzoek worden ingediend.
Mocht het college de omgevingsvergunningen verlenen?
8. Eisers voeren – samengevat – aan dat het college de omgevingsvergunning voor wat betreft de vierde verdieping, ten onrechte binnenplans heeft verleend. Volgens eisers gebruikt het college ten onrechte de term dakverdieping, terwijl sprake is van een dakopbouw (bovenop de derde verdieping) en een dakopbouw niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Gelet hierop, is voor wat betreft de dakopbouw bovenop de vierde verdieping sprake van een ongeoorloofde stapeling van buitenplanse afwijkingen als bedoeld in de beleidsregels en had het college de omgevingsvergunning voor wat betreft de dakopbouw bovenop de vierde verdieping dus moeten weigeren.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat, voor zover het om het bouwplan voor de vierde verdieping gaat, binnenplans mocht worden afgeweken, omdat het bouwplan slechts in strijd is met het bestemmingsplan voor zover het de bouwhoogte betreft en daarvoor een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid bestaat in artikel 29, onder c, van het bestemmingsplan. Volgens het college is voor wat betreft de vierde verdieping namelijk geen sprake van een dakopbouw, maar van een dakverdieping. Op de zitting heeft het college toegelicht dat voor de definities van dakopbouw en dakverdieping moet worden gekeken naar de definities in de beleidsregels, waaruit volgt dat onder dakopbouw wordt verstaan: “één gedeeltelijke bouwlaag die geplaatst wordt op een gedeelte van een plat dak van een woning ten behoeve van één of meer van de daaronder gelegen woningen ter vergroting van het woongenot.” Onder dakverdieping wordt verstaan: “een bijzondere bouwlaag, die geheel of gedeeltelijk door een dakconstructie is omgeven, en waarvan tenminste twee wanden onder een hoek van tenminste 10 graden met de verticale wand zijn geplaatst, met dien verstande dat bij gesloten bouwblokken alleen de wand aan de straatzijde een helling moet hebben.” Omdat in dit geval sprake is van een dakverdieping, is geen sprake van strijd met artikel 21.2.1, onder d, van het bestemmingsplan dat alleen nieuwe dakterrassen, dakopbouwen en dakuitbouwen (en dus geen nieuwe dakverdiepingen) verbiedt. Het college stelt zich verder op het standpunt dat, omdat de omgevingsvergunning voor de wijziging van het bouwplan voor de dakverdieping bovenop de derde verdieping binnenplans kan worden verleend, ook de omgevingsvergunning voor de dakopbouw bovenop de vierde verdieping mocht worden verleend. Er is daardoor namelijk geen sprake van ongeoorloofde stapeling van buitenplanse afwijkingen en dus wordt voldaan aan de beleidsregels, aldus het college.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen met name in geschil is of het college binnenplans had mogen afwijken voor zover het om het bouwplan voor de vierde verdieping gaat. Om die vraag te kunnen beantwoorden is in eerste instantie van belang de definitie van dakopbouw uit het bestemmingsplan, omdat artikel 21.2.1 van het bestemmingsplan bepaalt dat uitsluitend bestaande dakopbouwen zijn toegestaan. Het bestemmingsplan zelf bevat echter geen definitie van dakopbouw. Het omgevingsplan bevat die definitie wel. Volgens het omgevingsplan wordt onder dakopbouw verstaan: “een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak of een toevoeging aan een plat dak.” Naar het oordeel van de rechtbank bevat het omgevingsplan geen aanknopingspunten om te oordelen dat het bouwwerk bovenop de derde verdieping hier niet onder zou vallen. Anders dan het college aanneemt, kan niet worden uitgegaan van de definitie in de beleidsregels. Nu in het omgevingsplan een definitie is opgenomen van het begrip dakopbouw, moet naar het oordeel van de rechtbank daarvan uit worden gegaan en kan het college de betekenis van dit begrip niet inperken door een beperktere definitie te hanteren in de beleidsregels. Het is immers niet aan het college, dan wel het bestuur van het stadsdeel Oost, om de door de planwetgever vastgestelde regels te wijzigen. De rechtbank oordeelt daarom dat de opbouw bovenop de derde verdieping moet worden aangemerkt als een dakopbouw in de zin van artikel 21.2.1 van het bestemmingsplan en daarmee in strijd is. Het college had daarom niet binnenplans mogen afwijken.
8.3.
De rechtbank oordeelt verder dat ook het beroep voor zover gericht tegen de vijfde verdieping (de dakopbouw bovenop de vierde verdieping) slaagt. Aan het verlenen van de buitenplanse omgevingsvergunning heeft het college namelijk ten grondslag gelegd dat het bouwplan voor de dakopbouw bovenop de vierde verdieping niet in strijd is met de beleidsregels. Volgens het college is geen sprake van het ‘stapelen’ van buitenplanse afwijkingen, wat op grond van de beleidsregels niet is toegestaan, omdat het bouwplan voor de vierde verdieping binnenplans kon worden vergund. Nu de rechtbank in overweging 8.2. heeft geoordeeld dat het college voor de vierde verdieping niet binnenplans had mogen afwijken, houdt de motivering van het college voor wat betreft de dakopbouw bovenop de vierde verdieping ook geen stand.
8.4.
Omdat de beroepen alleen al gelet op het voorgaande gegrond zijn, behoeven de overige beroepsgronden van eisers geen verdere bespreking.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn gegrond, omdat de bestreden besluiten 1 en 2 in strijd zijn met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten 1 en 2. Omdat het college beoordelingsruimte heeft, bepaalt de rechtbank dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken de tijd.
9.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers het griffierecht in beide zaken terug. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2;
- draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak (een) nieuw(e) besluit(en) te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- (AMS 23/6686) en € 194,- (AMS 25/5423) aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. A.C. Loman en mr. B. de Vos, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: toetsingskader

AMS 23/6686
Overgangsrecht
Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Ow in werking getreden. Omdat in deze zaak vóór 1 januari 2024 de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in die zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Buitenplanse omgevingsvergunning
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ geweigerd indien deze in strijd is met het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan of redelijke eisen van welstand. In deze zaak is niet in geschil dat géén sprake is van strijd met het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening of redelijke eisen van welstand. Ook is niet in geschil dat wél sprake is van strijd met het bestemmingsplan.
Het tweede lid van artikel 2.10 van de Wabo bepaalt dat bij strijd met het bestemmingsplan de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘gebruik in strijd met het bestemmingsplan’, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het college de omgevingsvergunning verlenen voor de activiteit ‘gebruik in strijd met het bestemmingsplan’ indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
De rechtbank stelt voorop dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet daarbij de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Ter invulling van de bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 van de Wabo te verlenen hanteert het college de Beleidsregels Afwijkingen Omgevingsvergunning, stadsdeel Oost.
Paragraaf 5.4 van de Beleidsregels bepaalt – voor zover hier van belang – dat een stapeling van afwijkingen van het bestemmingsplan op basis van de beleidsregels, zoals een terras op een dakopbouw of een aanbouw aan een aanbouw niet is toegestaan. Indien in het verleden op het betreffende pand reeds een afwijking middels de lijst uit artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor is gerealiseerd, is het niet toegestaan om aan of bovenop deze bestaande afwijking een tweede afwijking te realiseren.
AMS 25/5423
De (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. Op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 4.7 van het Omgevingsplan bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.
In artikel 4.8 van het Omgevingsplan staat dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 4.2.4 zijn gesteld.
Artikel 4.16, eerste lid, van het Omgevingsplan bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.6. Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet wordt geweigerd op grond van het eerste lid, als (a) in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels en (b) het bevoegd gezag, gelet op artikel 22.281, van oordeel is dat de vergunning met toepassing van de onder a bedoelde regels kan worden verleend.
Artikel 22.281 van het Omgevingsplan bepaalt dat voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
Artikel 21.2.1, onder d, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (het bestemmingsplan) bepaalt dat uitsluitend bestaande dakterrassen, dakopbouwen en dakuitbouwen zijn toegestaan.
Op grond van artikel 21.2.1, onder b, van het bestemmingsplan, geldt ter plaatse van het bouwplan een maximale bouwhoogte van 15,5 meter.
Artikel 29, onder c, van het bestemmingsplan bepaalt dat indien niet op grond van een andere bepaling van deze planregels een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels en/of gebruiksregels kan worden verleend, bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de desbetreffende regels van het plan zodat de in de planregels toegestane maximale bouwhoogten in geringe mate worden overschreden, mits de betrokken bouwhoogte met niet meer dan 1 meter wordt vergroot.
Het college heeft de Beleidsregels Afwijkingen Omgevingsvergunning, stadsdeel Oost, van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van aanvragen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.
Paragraaf 5.4 van de Beleidsregels bepaalt – voor zover hier van belang – dat een stapeling van afwijkingen van het bestemmingsplan op basis van de beleidsregels, zoals een terras op een dakopbouw of een aanbouw aan een aanbouw niet is toegestaan. Indien in het verleden op het betreffende pand reeds een afwijking middels de lijst uit artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor is gerealiseerd, is het niet toegestaan om aan of bovenop deze bestaande afwijking een tweede afwijking te realiseren.
De technische bouwactiviteit
Op grond van artikel 5.1., tweede lid, onder a, van de Ow, is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Op grond van artikel 8.3b van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, indien er sprake is van verbouw, alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels uit hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Voetnoten

1.Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Geregistreerd onder zaaknummer AMS 23/6686.
3.Op grond van de Omgevingswet (Ow).
4.Geregistreerd onder zaaknummer AMS 25/5423.
5.Zie artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet en het ‘Aanwijzingsbesluit adviesrecht en verplichte participatie bij buitenplanse omgevingsactiviteiten gemeente Amsterdam’ van 10 november 2022 (hierna: het Aanwijzingsbesluit).