Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4682

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
11954644 \ CV EXPL 25-15350
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • R.A. Veldman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:759 BWArt. 6:74 BWArt. 6:52 BWArt. 6:97 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen aannemer en opdrachtgever bij geschil over aanneming en schadevergoeding

De zaak betreft een geschil tussen een aannemer en een opdrachtgever over de uitvoering en betaling van werkzaamheden aan een podiumcafé. De aannemer vordert betaling van de aanneemsom, terwijl de opdrachtgever zich verweert met opschorting en vordert schadevergoeding wegens vermeend tekortschieten van de aannemer.

De rechtbank oordeelt dat de opdrachtgever onvoldoende heeft gemotiveerd dat er een finale opleverdatum was en dat de aannemer aansprakelijk is voor de gestelde omzet- en herstelkosten. Daarnaast is onvoldoende aangetoond dat de aannemer de gelegenheid heeft gekregen om gebreken te herstellen, waardoor de opdrachtgever geen recht heeft op schadevergoeding voor zelf uitgevoerde herstelwerkzaamheden.

Wel is vastgesteld dat een aantal stenen verkeerd is geplaatst, wat een gebrek vormt waarvoor de aannemer aansprakelijk is. De schade wordt echter beperkt tot het factuurbedrag van de aannemer, omdat de omvang van het herstel niet volledig is vastgesteld. De rechtbank verklaart het opschortingsrecht van de opdrachtgever gerechtvaardigd en wijst daarom de vordering van de aannemer af. De vordering van de opdrachtgever tot schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Alle vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11954644 \ CV EXPL 25-15350
Vonnis van 1 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] (V.H.O.D.N. [handelsnaam] ),
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 februari 2026
- de conclusie van antwoord in reconventie van 19 maart 2026
- de mondelinge behandeling van 1 april 2026.
1.2.
De zaak is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 1 april 2026. Namens [eiser] was de heer [naam] (vennoot) aanwezig bijgestaan door de heer U. Ilbay als gemachtigde en tolk. [gedaagde] was aanwezig bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd. De kantonrechter heeft de zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot overeenstemming te komen. Na hervatting hebben partijen laten weten dat zij te ver uit elkaar liggen om tot een schikking te komen. Er is vervolgens om een vonnis gevraagd en hiervoor is een datum bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] (een vennootschap onder firma) is een onderneming die aannemingswerkzaamheden verricht. [gedaagde] exploiteert een podiumcafé.
2.2
[gedaagde] heeft voor een verbouwing van het podiumcafé aan [eiser] de opdracht verstrekt tot het uitvoeren van een aantal werkzaamheden. De werkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode eind maart tot begin mei 2023.
2.3.
[eiser] heeft [gedaagde] een op 8 mei 2023 gedateerde factuur gestuurd voor stucwerk wand en plafond, tegelwerk, materiaal (tegellijm en voeg) en arbeid (steen plakken) voor een totaalbedrag van € 8.863,25 incl. BTW.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 8.863,25, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat zij met [gedaagde] een aannemingsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan [eiser] werkzaamheden heeft verricht en opgeleverd. [eiser] vordert nakoming van de verbintenis van [gedaagde] tot betaling van de overeengekomen aanneemsom.
3.3.
[gedaagde] verweert zich met een beroep op opschorting van haar betalingsverbintenis en verrekening met een verbintenis van [eiser] tot vergoeding van schade.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert - samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 51.088,71, vermeerderd met rente en kosten.
3.6.
[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] stelt dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van enkele verbintenissen voortvloeiend uit de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] stelt ten eerste dat [eiser] het werk niet voor de overeengekomen finale datum heeft uitgevoerd en ten tweede dat het werk gebreken vertoont waarvoor [eiser] aansprakelijk is. [gedaagde] stelt dat zij door deze tekortkomingen schade heeft geleden. Zij vordert € 462,50 voor daadwerkelijk gemaakte herstelkosten, € 30.560,82 voor overige redelijke herstelkosten, € 907,50 voor kosten van een rapport, € 19.113,00 omzetverlies en na vermeerdering van eis ook € 44,89 voor kopieerkosten.
3.7.
[eiser] betwist dat een finale datum is overeengekomen en zij betwist dat het werk gebrekkig is uitgevoerd. [eiser] voert bovendien als verweer aan dat zij niet de gelegenheid heeft gekregen de gebreken binnen redelijke tijd weg te nemen zoals bedoeld in artikel 7:759 BW Pro.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen over en weer, zal de kantonrechter de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandelen. De kantonrechter beslist dat alle vorderingen worden afgewezen en dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Hieronder wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot die beslissing komt.
Het beoordelingskader
4.2.
De grondslag voor de vordering van [eiser] is het bestaan van een aannemingsovereenkomst en een daaruit voortvloeiende betalingsverbintenis van [gedaagde] . [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] , voor zover in dit kader relevant, de volgende werkzaamheden uitgevoerd: stucwerk wand en plafond, tegelwerk en het aanbrengen van door [gedaagde] zelf geleverde flagstones (hierna: “stenen”) op verschillende wanden. [eiser] heeft deze werkzaamheden in de periode vanaf eind maart tot 8 mei 2023 uitgevoerd en daarvoor aan [gedaagde] een factuur gestuurd die is gedateerd op 8 mei 2023. Het in rekening gebrachte factuurbedrag van € 8.863,24 (incl. BTW) is berekend op basis van een prijsopgave van 29 maart 2023. De hoogte van de prijs is door [gedaagde] niet voldoende gemotiveerd betwist zodat daarvan in het navolgende zal worden uitgegaan.
4.3.
[gedaagde] stelt dat zij recht heeft op vergoeding van schade als gevolg van tekortschieten in de nakoming van de betreffende aannemingsovereenkomst door [eiser] en zij beroept zich daarom ten aanzien van de onbetaalde factuur op een opschortingsrecht en verrekening met een verbintenis van [eiser] tot vergoeding van schade. De vorderingen van [eiser] en [gedaagde] vloeien voort uit dezelfde rechtsverhouding zodat een beroep op een opschortingsrecht zoals bedoeld in artikel 6:52 BW Pro in beginsel mogelijk is. In een dergelijk geval moet de rechter onderzoeken of de door [gedaagde] gestelde tegenvordering bestaat en of de omvang van die tegenvordering voldoende is om het beroep op een opschortingsrecht te kunnen rechtvaardigen (vgl. HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95). De kantonrechter zal de afzonderlijke vorderingen van [gedaagde] hieronder gecategoriseerd beoordelen.
Schade als gevolg van te late oplevering?
4.4.
[gedaagde] stelt dat zij met [eiser] een finale datum is overeengekomen en dat [eiser] in de nakoming van zijn verbintenis om het werk uiterlijk voor die datum op te leveren is tekortgeschoten. [gedaagde] stelt dat zij als gevolg van de vertraging (omzet)schade heeft geleden van € 19.113,00. De kantonrechter vindt dat [gedaagde] haar standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd en licht dat als volgt toe.
4.5.
Volgens [gedaagde] heeft zij aan [eiser] duidelijk gemaakt dat zij uiterlijk 27 april 2023 (Koningsdag) wilde openen voor publiek. [gedaagde] verwijst met name naar een whatsapp-bericht van 12 april 2023 waarin zij schrijft: “
[eiser] , wil je me helpen aub? Dat we alles op alles zetten zodat ik op Koningsdag open ga, aub?”. [gedaagde] heeft vervolgens op 17 april 2023 in afzonderlijke berichten gevraagd om een planning, gevraagd of zij tegels kon laten bezorgen en instructies gestuurd in verband met het parket dat door een ander bedrijf gelegd zou worden. [eiser] heeft later die dag geschreven: “
ik zal mijn best voor je doen”. Uit deze correspondentie kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] een concrete datum met [eiser] wilde overeenkomen, dat [eiser] aansprakelijk zou zijn voor de (omzet)schade als die datum niet gehaald zou worden en dat [eiser] dat heeft aanvaard.
4.6.
Overigens heeft [gedaagde] ook het vereiste causale verband tussen een tekortkoming van [eiser] en haar omzetschade onvoldoende gemotiveerd. [gedaagde] heeft [eiser] ingeschakeld bij de verbouwing van haar podiumcafé. [gedaagde] schakelde verschillende bedrijven in voor het uitvoeren van werkzaamheden, waaronder [eiser] , en voerde zelf de regie over alle werkzaamheden. [eiser] heeft aangevoerd dat zij slechts enkele deelopdrachten heeft uitgevoerd en er ook andere bedrijven werkzaamheden uitvoerden. Zelfs als [eiser] haar eigen werkzaamheden te laat zou hebben afgerond, heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij zonder die tekortkoming haar podiumcafé eerder had kunnen openen, welke periode dat betrof en welke winst zij daardoor heeft gederfd. [gedaagde] stelt dat zij gedurende een periode van 3 maanden een omzetverlies heeft gehad van € 19.113,00, maar deze gestelde periode van 3 maanden is verder niet gemotiveerd terwijl een omzetverlies zonder verdere toelichting ook niet als vermogensschade kwalificeert.
Schade als gevolg van zelfstandig door [gedaagde] uitgevoerde (herstel)werkzaamheden?
4.7.
[gedaagde] heeft tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door [eiser] , en ook nadat [eiser] op 8 mei 2023 meende zijn werkzaamheden te hebben voltooid, een aantal gebreken in het werk gemeld. Er zou sprake zijn van de volgende gebreken: te weinig afstand tussen vloer en stenen, te hoge vloer waardoor een deur niet open kon, beschadiging aan de vloer, onjuist voegwerk tussen de stenen, onvolledig voegwerk tussen de tegels, open ruimtes in het tegelwerk en aanwezigheid van stof en rommel. [gedaagde] heeft deze klachten zelf verholpen met behulp van derden. Zij heeft een deel van de stenen afgezaagd, het voegwerk, beschadigingen en open ruimtes hersteld, inventaris aangepast (zoals zagen bar) en schoongemaakt. [gedaagde] heeft dit ter zitting toegelicht. Deze gebreken worden niet meer genoemd in de door [gedaagde] overgelegde rapportage van Dutch building inspections van 30 december 2025. Voor deze gebreken is [eiser] niet aansprakelijk, hetgeen hierna zal worden toegelicht.
4.8
Ten aanzien van de hoogte van (en afstand tussen) de vloer en stenen stelt [gedaagde] dat op het werk een tekening aanwezig was waarop de maten waren aangegeven. [eiser] betwist dit. [eiser] voert aan dat de tekening daarover geen informatie bevatte, dat er op de muur een lijn was getekend om de grens voor de stenen te markeren en dat [gedaagde] bij het zetten van die lijn mogelijk geen rekening heeft gehouden met de nog aan te brengen vloertegels. [eiser] voert ook aan dat zij niet bekend was met de maten van de keuken- en barinventaris die [gedaagde] later zelf (met behulp van derden) zou installeren. [gedaagde] heeft bewijs aangeboden van de stelling dat er een duidelijke tekening op het werk aanwezig was. Voor nadere bewijslevering is echter geen plaats gelet op het volgende.
4.9.
Ten aanzien van alle in 4.7. opgesomde klachten heeft [eiser] onvoldoende gelegenheid gekregen deze zelf weg te nemen. [gedaagde] heeft op 6 mei 2023 een whatsapp-bericht aan [eiser] gestuurd waarin haar klachten ongestructureerd zijn geuit. Niet gesteld is dat [gedaagde] toen ook de foto’s aan [eiser] heeft gestuurd die zij als productie 5 heeft overgelegd. Bovendien heeft [gedaagde] reeds in haar whatsapp-bericht van 6 mei 2023 aangestuurd op vergoeding van schade en niet op herstel door [eiser] zelf. [gedaagde] schreef toen bijvoorbeeld: “
Ik wil je vragen om de schade te vergoeden”. [gedaagde] is vrijwel direct na 7 mei 2023 begonnen met herstel. Dit blijkt uit een whatsapp-bericht van 23 mei 2023 waarin [gedaagde] schrijft “
Jullie hebben veel schade aangericht die ik nu aan het repareren ben” en uit een factuur van 16 mei 2023 van KDP voor het aanpassen van inventaris. Artikel 7:759 BW Pro, waarop [eiser] zich beroept, bepaalt dat de opdrachtgever in beginsel verplicht is de aannemer de gelegenheid te bieden gebreken binnen redelijke termijn weg te nemen. Een beroep op dit artikel is mogelijk na oplevering van het werk door de aannemer. Tussen partijen staat ter discussie of ten aanzien van de betreffende werkzaamheden sprake is geweest van een oplevering, maar dat is in dit kader niet relevant. Ook uit het algemeen verbintenissenrecht vloeit immers voort dat een schuldenaar pas tot schadevergoeding gehouden is nadat hij in verzuim is geraakt (artikel 6:74 lid 2 BW Pro). Omdat uit het voorgaande voortvloeit dat [eiser] niet de gelegenheid heeft gekregen om gebreken weg te nemen en zij evenmin in verzuim is geraakt, heeft [gedaagde] geen recht op vergoeding van haar schade als gevolg van de door haarzelf uitgevoerde herstelwerkzaamheden. Nakoming door [eiser] is niet langer mogelijk omdat de gebreken inmiddels zijn verholpen. [gedaagde] heeft ten aanzien van deze gebreken dus geen vorderingsrecht jegens [eiser] .
Schade als gevolg van fouten bij plaatsen stenen en vloertegels?
4.10.
[gedaagde] heeft ten aanzien van de stenen een concrete klacht geuit. [gedaagde] stelt dat een aantal stenen verkeerd om op de muur is bevestigd waardoor niet de (volgens [gedaagde] ) “authentieke” zijde, maar de gladde zaagsnede zichtbaar is. Zij heeft daarover per whatsapp-berichten van 2 mei, 6 mei, 7 mei en 23 mei 2023 en per brief van 14 september 2023 geklaagd en ook het rapport van Dutch building inspections van 30 december 2025 is hierover duidelijk. Uit de overgelegde foto’s bij dat rapport blijkt dat een aantal (met een paarse sticker gemarkeerde) stenen afwijkend is ten opzichte van de overige. [eiser] heeft, voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling, betwist dat stenen verkeerd om zijn aangebracht zonder die betwisting steekhoudend te motiveren. Dit vormt een gebrek in het werk van [eiser] waarvoor [eiser] aansprakelijk is. Op de concrete gevolgen hiervan wordt nader ingegaan bij het kopje “
Conclusie en gevolgen voor de vorderingen”.
4.11.
Volgens [gedaagde] is daarnaast een aantal vloertegels gebroken. Uit het rapport van Dutch building inspections van 30 december 2025 en de als productie 5 overgelegde foto’s blijkt inderdaad dat er een aantal tegels gebroken is. [eiser] heeft betwist dat er tegels gebroken waren toen zij meende het werk te hebben voltooid en zij haar materialen van het werk had verwijderd. [gedaagde] heeft, nadat de tegels waren gelegd door [eiser] , door derden een parketvloer laten aanbrengen, keuken- en barinventaris laten plaatsen en zij heeft het podiumcafé daarna in gebruik genomen. Op de door [gedaagde] overgelegde foto’s zijn breuken in de tegels te zien, maar ook de reeds aangebrachte parketvloer en inventaris. Die foto’s zijn dus genomen (ruim) nadat verdere werkzaamheden door derden hadden plaatsgevonden. Het kan daardoor niet als vaststaand feit worden aangenomen dat deze tegels reeds gebroken waren toen [eiser] haar werkzaamheden had beëindigd.
Schade als gevolg van overige gebreken?
4.12.
[gedaagde] beroept zich ten slotte op een aantal andere gebreken. [gedaagde] stelt dat sprake is van niet-afgemonteerde wandcontactdozen, slordig stucwerk waar wandcontactdozen moesten worden aangebracht, een wandcontactdoos die te dicht op de vloer is gemonteerd en schade bij het aanbrengen van wandcontactdozen, geen naadloze vloer - met schrobputjes, stankafsluiters en afneembaar rooster - en geen naadloze aansluiting tussen vloer en wand (beide in verband met hygiëneregels van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, “NVWA”) en stenen die direct tegen het buitenglas zijn geplaatst zonder dat glaslatten zijn vrijgehouden, hetgeen een risico zou vormen bij glasbreuk.
4.13.
Ten aanzien van de wandcontactdozen, de naadloze vloer(aansluiting) en het buitenglas heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd gesteld welke opdracht zij aan [eiser] heeft gegeven en op welke wijze [eiser] is tekortgeschoten. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] een elektricien had ingeschakeld terwijl uit de omschrijving van haar werkzaamheden ook niet blijkt dat [eiser] wandcontactdozen moest plaatsen. Slordig stucwerk op een plek waar een wandcontactdoos moet komen is ook niet zonder meer een gebrek omdat deze slordigheid door het plaatsen van de wandcontactdoos aan het zicht wordt onttrokken terwijl stucwerk geen bouwkundige (en slechts een cosmetische) functie heeft. Daarnaast is niet duidelijk wat naadloos precies inhoudt volgens [gedaagde] en waarom de betreffende werkzaamheden van [eiser] volgens eisen van de NVWA moesten worden uitgevoerd. Ten slotte is ook onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [eiser] bij het plaatsen van de stenen een bepaalde ruimte bij het buitenglas had moeten vrijhouden, bijvoorbeeld omdat zij daartoe de opdracht had of omdat op [eiser] daartoe verplicht was vanwege eisen van goed en deugdelijk werk of andere voor een aannemer geldende normen.
Conclusie en gevolgen voor de vorderingen
4.14.
Uit het voorgaande vloeit voort dat [gedaagde] uitsluitend ten aanzien van verkeerd om geplaatste stenen een vorderingsrecht heeft jegens [eiser] . Ook ten aanzien van dit gebrek is geen gelegenheid geboden tot herstel en geen sprake van verzuim om de redenen zoals toegelicht in 4.9. Dat was echter ten aanzien van dit gebrek niet vereist. [gedaagde] heeft toegelicht dat de stenen voor haar belangrijk waren, dat deze door haar zelf waren aangeschaft, dat deze specifiek uit Albanië komen en dat deze voor de uitstraling van haar podiumcafé van groot belang zijn. [gedaagde] heeft daarnaast toegelicht dat zij dagelijks wordt geconfronteerd met de verkeerd om geplaatste stenen in haar podiumcafé en graag zou willen dat de stenen goed waren geplaatst. [gedaagde] wenst echter niet dat [eiser] de gelegenheid krijgt om de stenen goed te plaatsen vanwege de gebleken onbekwaamheid met het plaatsen van de stenen. [gedaagde] heeft ook niet de financiële middelen om dit door een andere aannemer te laten doen. Ook vanuit bouwkundig oogpunt ligt herstel door [eiser] niet voor de hand. Ten eerste omdat de stenen vanwege hun asymmetrische vorm niet zomaar uitgehakt en omgedraaid kunnen worden zoals [eiser] ter zitting heeft gesuggereerd. Ten tweede omdat de opdracht van [eiser] enkel betrekking had op het plaatsen van de door [gedaagde] aangeschafte stenen terwijl een herstelopdracht aanzienlijk meer zou omvatten dan dat werk. Onder deze omstandigheden is sprake van de situatie dat van de opdrachtgever niet kan worden gevergd dat zij de aannemer de gelegenheid biedt tot herstel zoals bedoeld in artikel 7:759 lid 1 BW Pro dan wel de situatie dat nakoming blijvend onmogelijk is zoals bedoeld in artikel 6:74 lid 2 BW Pro. [eiser] is daarom aansprakelijk voor de schade van [gedaagde] .
4.15.
Uit het rapport van Dutch building inspections van 30 december 2025 volgt dat met herstel van de stenen een bedrag van € 8.400,00 gemoeid is, te vermeerderen met een bedrag van € 8.820,00 voor materiaal en een opslag voor algemene kosten. Dat rapport en de hoogte van de schade zijn door [eiser] niet betwist. De schadebegroting is echter door Dutch building inspections omschreven als een “globale kostenraming” en deze lijkt, mede vanwege het gestelde gebrek in relatie tot het buitenglas, te zien op het volledig afhakken van alle stenen en opnieuw plaatsen van stenen (met 50% hergebruik) terwijl niet is komen vast te staan dat dit noodzakelijk is. De schade is daarom niet tot dat bedrag toewijsbaar. Het honorarium van € 907,50 voor het rapport van Dutch building inspections is in beginsel schade die op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het rapport is echter mede opgesteld in verband met door [gedaagde] gestelde gebreken waarvoor [eiser] niet aansprakelijk is. Daarom is slechts een deel van het honorarium toewijsbaar. Omdat het alsnog verkrijgen van goed geplaatste stenen een werk is van potentieel aanzienlijke omvang (aanschaf van een fors aantal nieuwe stenen, plaatsen en opnieuw voegen) en ook de begroting van Dutch building inspections wijst op een aanzienlijke kostenpost, schat de kantonrechter de totale schade van [gedaagde] conform artikel 6:97 BW Pro in verband met dit gebrek op het factuurbedrag van € 8.863,25 dat [eiser] voor haar werkzaamheden in rekening heeft gebracht.
4.16.
[gedaagde] heeft ook een bedrag van € 44,89 gevorderd voor kopieerkosten die zijn gemaakt om kleurenfoto’s van de gestelde gebreken in het geding te brengen. Dit zijn echter verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 t/m 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Op grond van artikel 241 Rv Pro kan voor deze kosten geen schadevergoeding worden toegekend.
4.17.
Een schuldenaar is op grond van artikel 6:52 lid 1 BW Pro bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt. Het opschortingsrecht strekt er mede toe druk uit te oefenen om de tegenvordering na te komen. De vordering van [gedaagde] tot schadevergoeding was opeisbaar vanaf het moment dat de schade is geleden. De opschorting van de betaling van de volledige openstaande factuur door [gedaagde] was daarom gerechtvaardigd. Het beroep van [gedaagde] op verrekening van haar schade met het openstaande factuurbedrag slaagt. De vordering van [eiser] tot betaling van de openstaande factuur wordt daarom afgewezen. Omdat [gedaagde] na de verrekening geen recht heeft op vergoeding van schade, wordt ook de vordering in reconventie afgewezen.
4.18.
De conclusie is dat zowel de vorderingen in conventie als de vorderingen in reconventie worden afgewezen. Voor de kantonrechter bestaat aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Veldman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.
67982