Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4704

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
02/349081-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.3 SvArt. 5.4.4 SvArt. 5.4.6 SvArt. 5.4.10 SvArt. 19 Richtlijn 2014/41/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klaagschrift tegen uitvoering Europees Onderzoeksbevel inzake inbeslagname telefoons

Klager heeft een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van twee mobiele telefoons op grond van een Belgisch Europees Onderzoeksbevel (EOB). Hij vordert teruggave van de telefoons omdat de Nederlandse strafzaak tegen hem is afgedaan en het Openbaar Ministerie geen beslissing heeft genomen over teruggave.

De rechtbank heeft het klaagschrift behandeld en beoordeeld aan de hand van het toetsingskader voor EOB's, zoals uiteengezet door de Hoge Raad. Dit kader beperkt de rechterlijke toetsing tot het nagaan of er gronden zijn voor weigering of uitstel van erkenning of uitvoering van het EOB, zonder inhoudelijke toetsing van de strafzaak of proportionaliteit.

De rechtbank oordeelt dat de inbeslaggenomen telefoons het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en dat het Belgische strafrechtelijk belang bij het beslag evident is. De belangen van klager bij het gebruik van de telefoons wegen niet op tegen het beginsel van wederzijdse erkenning en het belang van het onderzoek in België.

Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en het voldoen aan de formele eisen verklaart de rechtbank het klaagschrift ongegrond. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen de uitvoering van het Europees Onderzoeksbevel wordt ongegrond verklaard en het beslag op de telefoons blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

RK nummer: 26-002238
Parketnummer: 02-349081-25
Datum beschikking: 13 mei 2026
BESCHIKKING
op het klaagschrift
ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvorderingvan:
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
te dezen woonplaats kiezende op het adres van zijn raadsman mr. M. Broere, [adres 2] ,
hierna: klager.

1.Procesgang

Het klaagschrift is op 22 januari 2026 ingediend ter griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda. Op 12 februari 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het klaagschrift overgedragen aan deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 29 april 2026 het klaagschrift behandeld en de raadsman van klager,
mr. J. Rokx die waarneemt voor, mr. M. Broere, beide advocaat te Roosendaal, en de officier van justitie, mr. J. Hofstee, in openbare raadkamer gehoord. Klager is niet verschenen.
Geheimhouding
Het Belgische Europees Onderzoeksbevel (hierna EOB), op basis waarvan de afgifte van de telefoons wordt verzocht, is niet aan de verdediging verstrekt.
De raadsman heeft ten aanzien van de geheimhouding geen standpunt ingenomen.
De rechtbank overweegt dat artikel 19 van Pro de Richtlijn 2014/41/EU betreffende het EOB in strafzaken (hierna: de Richtlijn) – onder andere – de geheimhouding van het EOB garandeert. Tegelijkertijd bepaalt artikel 23, vijfde lid, Sv dat het openbaar ministerie alle stukken die betrekking hebben op de zaak moet overleggen en dat alle procesdeelnemers bevoegd zijn om van de inhoud van deze stukken kennis te nemen. Deze bepaling is niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad (artikel 23, zesde lid, Sv).
Het EOB bevindt zich in het dossier van de rechtbank. In het licht van de verplichting tot geheimhouding op grond van de Richtlijn en in acht genomen dat de Belgische autoriteiten
hebben aangegeven dat het EOB in het belang van het onderzoek geheimgehouden dient te worden, is de rechtbank van oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de klager en zijn raadsman kennis nemen van het EOB. De rechtbank onthoudt daarom (de verdediging van) klager kennis te nemen van het EOB op grond van artikel 23, zesde lid, OLW.

2.Feiten en omstandigheden

De Belgische autoriteiten hebben door middel van een EOB van 12 januari 2026 verzocht om inbeslagname van bij klager aangetroffen mobiele telefoons en vervolgens deze toestellen en/of de uitlezingsbestanden te exploiteren in het licht van de feiten die het voorwerp van huidig onderzoek uitmaken, dan wel over te dragen aan de Belgische onderzoekers, in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen hem ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het EOB.
Op 22 december 2025 zijn in een Nederlandse zaak met parketnummer 02/349081-25 op grond van artikel 94 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering, de volgende voorwerpen onder klager in beslag genomen:
  • Een Apple Iphone, kleur wit, goednummer PL2000-2025341240-2943952;
  • Een Apple Iphone, kleur zwart, goednummer PL2000-2025341240-294396.
Bij omzettings-proces-verbaal van 22 april 2026 is het beslag omgezet naar beslag op grond van voornoemd EOB uit België.
Bij email van 28 april 2026 heeft de raadsman het klaagschrift van overeenkomstige toepassing verklaard op het beslag gelegd op grond van het EOB.

3.Inhoud klaagschrift en standpunt klager

Het klaagschrift strekt tot teruggave omdat de Nederlandse strafzaak tegen klager op de zitting van 31 december 2025 door de politierechter is afgedaan. Klager heeft vervolgens op 14 januari 2026 een verzoek tot teruggave van de inbeslaggenomen telefoons gedaan bij het Openbaar Ministerie, omdat ieder strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag ontbreekt. Het Openbaar Ministerie heeft tot op heden geen beslissing genomen omtrent de teruggave van de inbeslaggenomen telefoons en is ook niet overgegaan tot feitelijke teruggave daarvan. Klager is eigenaar van de telefoons en heeft een zwaarwegend belang bij een spoedige teruggave daarvan. Op de telefoons staan belangrijke applicaties, waaronder internetbankieren en communicatie-apps, die hij nodig heeft voor het regelen van zijn dagelijkse zaken.
In aanvulling hierop heeft de raadsman in raadkamer medegedeeld dat klager wil dat het klaagschrift gegrond wordt verklaard, ondanks het beperkte toetsingskader bij een beslag op basis van een EOB.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, omdat de rechtbank op grond van de stukken kan beoordelen dat zich geen grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB.

5.Het oordeel van de rechtbank

Toetsingskader
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is. In (onder meer) zijn arrest van 21 december 2021 [1] heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken op grond van artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet.
Bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Ook wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen niet getoetst.
Daarentegen moet wel worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. Deze beoordeling is overigens beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder moet de rechtbank beoordelen of de inbeslaggenomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
Ten slotte is bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt namelijk ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Voor zover de ter uitvoering van het EOB inbeslaggenomen voorwerpen gegevensdragers betreffen, is nog van belang dat deze gegevensdragers worden overgedragen aan de uitvaardigende autoriteit. Dat is slechts anders als uit de inhoud van het EOB blijkt of door de uitvaardigende autoriteit is aangegeven dat de overdracht van een kopie volstaat. Daarnaast is het niet aan de rechter die over het klaagschrift oordeelt, om te bepalen dat kopieën van de op inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevens aan klager ter beschikking worden gesteld.
Beoordeling
In het licht van het hiervoor geschetste toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.
Gelet op het EOB en de daarin omschreven verdenkingen is de rechtbank van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
In het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad wordt beschreven dat het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. In de onderhavige zaak toont het feit dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd ten aanzien van de genoemde goederen dat zij een strafvorderlijk belang zien bij het beslag.
De telefoons zijn inbeslaggenomen met het oog op de waarheidsvinding in het Belgische strafrechtelijk onderzoek. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of, en in hoeverre, deze goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen. Of de inbeslagneming tot dat doel in een redelijke verhouding staat, is ter beoordeling aan de Belgische autoriteiten en niet aan de rechtbank. De rechtbank ziet in de enkele verwijzing naar het belang van eiser om de op zijn telefoons bevindende applicaties te kunnen gebruiken geen reden om af te wijken van het door de Hoge Raad uiteengezette toetsingskader.
Het voorliggende EOB voldoet aan de in artikel 5.4.3. Sv gestelde eisen, er doen zich geen van de in artikel 5.4.4 Sv genoemde weigeringsgronden voor en er is geen sprake van één van de in artikel 5.4.6 Sv genoemde situaties.
Gelet hierop zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag
ONGEGROND.
Deze beslissing is op 13 mei 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank: voor klager binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing en voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van de beslissing.