Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4745

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
AMS 26/2050
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.10.5 HVVArt. 10.1 Nadere regels HVVArt. 2.10.11 HVVArt. 25 Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening voor medisch advies bij urgentieverklaring woningtoewijzing

Verzoeker, recent vanuit Iran naar Nederland gekomen en met ernstige hartaandoening, woont tijdelijk bij zijn oom in Amsterdam onder ongeschikte omstandigheden. Hij vroeg een urgentieverklaring voor een woning, die door het college werd afgewezen op basis van algemene weigeringsgronden, waaronder het niet voldoen aan de bindingseis van vier jaar inschrijving.

Verzoeker stelde dat zijn medische situatie levensbedreigend is en dat de huidige woonsituatie onhoudbaar is. Hij vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om hem te behandelen alsof hij een urgentieverklaring had. De voorzieningenrechter oordeelde dat dit niet mogelijk is omdat de bezwaarprocedure nog loopt en de beoordeling van de hardheidsclausule complex is.

Wel werd geoordeeld dat het noodzakelijk is dat het college medisch advies inwint bij de GGD om objectief te beoordelen of sprake is van een acuut levensbedreigende situatie die verband houdt met de woonsituatie. Dit advies moet binnen twee weken worden aangevraagd. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: De voorzieningenrechter beveelt het college medisch advies in te winnen bij de GGD en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/2050

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 januari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen op 9 maart 2026 bezwaar gemaakt en op 10 april 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, de oom van verzoeker [persoon 1] , [persoon 2] cliëntondersteuner bij StraatAlliantie en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming

2.1.
Verzoeker is met zijn minderjarige dochter in juli 2024 vanuit Iran naar Nederland gekomen. Verzoeker is kort daarna vanwege een ernstige hartaandoening geopereerd en heeft vervolgens een aantal maanden in een revalidatiecentrum verbleven. Daarna is hij samen met zijn dochter tijdelijk bij zijn oom in Amsterdam gaan inwonen. Daar slapen zij op matrassen op de grond. Het verblijf in de woning van de oom is op één hoog terwijl verzoeker door zijn aandoening geen trappen kan lopen. Daarnaast heeft de oom aangegeven dat hij niet langer onderdak wil bieden aan verzoeker en zijn dochter. Verzoeker heeft daarom op 10 november 2025 een urgentieverklaring voor een andere woning aangevraagd.
2.2.
Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen op grond van twee algemene weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening 2024 (HVV). Het huisvestingsprobleem is volgens verweerder ontstaan als een gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van verzoeker. Hij is naar Amsterdam gekomen zonder hier te beschikken over zelfstandige woonruimte. [1] Verder staat verzoeker pas sinds 24 juli 2024 ingeschreven in de Brp in Amsterdam en voldoet hij daarmee niet aan de zogenoemde bindingseis: verzoeker stond volgens de Brp niet ten minste vier jaar onafgebroken ingeschreven op een adres in de gemeente Amsterdam. [2] Omdat sprake is van deze algemene weigeringsgronden, kan verzoeker geen beroep doen op een urgentieverklaring vanwege medische redenen. [3]
2.3.
In het kader van de voorlopige voorziening heeft verweerder te kennen gegeven dat de toepassing van de hardheidsclausule [4] niet aan de orde is. Ook heeft verweerder geen aanleiding gezien om verzoeker medisch te laten onderzoeken door de GGD.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.2.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in een noodsituatie verkeert. Er is sprake van een ernstige medische aandoening. Verzoeker heeft eindstadium hartfalen en de prognose is zeer zorgelijk. De problematiek is zelfs levensbedreigend. De huidige situatie van dreigende dakloosheid en dat verzoeker en zijn dochter noodgedwongen op de grond slapen en hij gebruik dient te maken van een steile trap maakt temeer dat sprake is van een medisch onverantwoorde situatie. Hierdoor is verhuizing naar een gelijkvloerse woning op de begane grond of begaanbaar met lift dringend noodzakelijk. Er is sprake van overmacht en een levensbedreigende situatie zodat aan verzoeker op grond van de hardheidsclausule (bij wijze van voorlopige voorziening) een urgentieverklaring dient te worden verleend. Ter onderbouwing van zijn medische situatie heeft verzoeker een verklaring van zijn cardioloog overgelegd. De gemachtigde van verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat zij met haar verzoek om een voorlopige voorziening in ieder geval wil bereiken dat verzoeker wordt onderzocht door de GGD.
3.3.
De voorzieningenrechter acht gelet op het voorgaande het spoedeisend belang om het verzoek te beoordelen aanwezig.
3.4.
Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker heeft gevraagd om gedurende de bezwaarfase een voorlopige voorziening te treffen waarmee primair wordt bereikt dat hij wordt behandeld alsof hij een urgentieverklaring heeft. Als de door verzoeker gevraagde voorziening wordt toegewezen, is dat echter geen voorlopige maatregel. Een dergelijke voorziening kan daarom alleen worden getroffen als er nagenoeg geen twijfel is dat verweerder de urgentieverklaring aan verzoeker had moeten geven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar geen sprake van is. Er staat namelijk niet ter discussie dat er in ieder geval sprake is van één algemene weigeringsgrond, namelijk de bindingseis. Verzoeker staat immers niet ten minste vier jaar onafgebroken ingeschreven op een adres in Amsterdam. De vraag of verzoeker in aanmerking komt voor een urgentieverklaring is daarom vooral gelegen in de hardheidsclausule. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling of het bezwaar op die grond een redelijke kans van slagen heeft, te ver voert voor deze voorlopige spoedprocedure en iets is wat door verweerder nader moet worden beoordeeld en uitgekristalliseerd in de bezwaarfase. Van een evident onrechtmatig besluit is daarom geen sprake.
3.5.
De voorzieningenrechter is echter wel – in het kader van een belangenafweging – van oordeel dat alle in het dossier genoemde omstandigheden omtrent de medische situatie van verzoeker in dit geval aanleiding geven om te bepalen dat verweerder reeds in de bezwaarfase medisch advies dient te vragen aan de GGD. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat in dit geval een objectief medisch advies noodzakelijk is bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een acuut levensbedreigende situatie [5] en in hoeverre deze verband houdt met de woonsituatie. Daarna kan worden beoordeeld of het onder de omstandigheden van dit geval in de rede ligt om de hardheidsclausule toe te passen. De voorzieningenrechter acht dit gelet op de overgelegde stukken, waaronder berichten van de huisarts, de cardioloog uit het OLVG, de StraatAlliantie en de school, in het belang van verzoeker en zijn dochter. Door deze voorziening te treffen wordt onnodige vertraging in het beoordelingsproces voorkomen. Verweerder zal de uitkomsten van het GGD advies dan kunnen betrekken bij de beslissing op het bezwaar.

Conclusie en gevolgen

4.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in zoverre dat de voorziening wordt getroffen dat verweerder medisch advies dient te vragen aan de GGD in het kader van het beroep op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek en een acuut levensbedreigend probleem. Verweerder dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na deze uitspraak het advies aan te vragen en er op toe te zien dat de GGD ook voortvarend rapporteert.
4.2.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat verweerder binnen twee weken na deze uitspraak medisch advies dient te vragen aan de GGD;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 2.10.5, eerste lid, onder e, van de HVV.
2.Artikel 2.10.5, eerste lid, onder i van de HVV.
3.Artikel 10.1, eerste lid, van de Nadere regels HVV.
4.Artikel 2.10.11 van de HVV.
5.Zoals beschreven in artikel 25 van Pro hoofdstuk 1 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.