Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4753

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
C/13/786916 / KG ZA 26-333
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 435 lid 3 RvArt. 2:235 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over verplaatsing Gazprom-entiteit en informatierecht

DTEK, een Oekraïense energieonderneming, vordert in kort geding een verbod op het verplaatsen van vermogensbestanddelen van SST, een Gazprom-entiteit in Amsterdam, naar Hongarije. Dit naar aanleiding van mediaberichten en aanwijzingen dat SST haar activiteiten wil verplaatsen, wat de executie van beslag van DTEK zou frustreren.

De rechtbank constateert dat er aanwijzingen zijn voor plannen tot verplaatsing, zoals uitlatingen van de Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken en de oprichting van een Hongaarse vennootschap door SST. Echter acht de voorzieningenrechter de dreiging niet ernstig genoeg voor een volledig verbod, mede omdat SST onweersproken stelt dat er geen concreet plan bestaat en zij de belangen van schuldeisers zal respecteren.

De gevorderde voorzieningen worden als te ingrijpend en disproportioneel beoordeeld, met name de benoeming van een tijdelijk bestuurder met uitgebreide bevoegdheden. Wel wordt een beperkt informatierecht toegekend, waarbij SST verplicht wordt om DTEK tijdig te informeren over belangrijke vermogensverplaatsingen, onder dreiging van een dwangsom.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Verbod op verplaatsing afgewezen, wel beperkt informatierecht toegekend met dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/786916 / KG ZA 26-333 EAM/MV
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar het recht van haar plaats van vestiging
JSC DTEK KRYMENERGO,
te Kyiv (Oekraïne),
eisende partij bij dagvaarding van 29 april 2026,
hierna te noemen: DTEK ,
advocaten: mr. G.J. Meijer, mr. T. de Boer, mr. L. Uilenbroek en mr. P.L. Hezer,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SOUTH STREAM TRANSPORT B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SST,
advocaten: mr. E.F. Kraaijeveld, mr. J.J.H. Jung en mr. J.Ph. de Korte.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 6 mei 2026 heeft DTEK de dagvaarding toegelicht. SST heeft verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van DTEK : mr. Meijer, mr. De Boer, mr. Uilenbroek, mr. Hezer en
J. Gimblett (Covington & Burling LLP);
aan de zijde van SST: [naam 1] en [naam 2] met mr. Kraaijeveld, mr. Jung en
(via een digitale verbinding) mr. De Korte.
Ook waren twee tolken Nederlands/Engels aanwezig ( S. van Gaelen en M. Iest ).
Na verder debat is vonnis is bepaald op 20 mei 2026. Op 18 mei 2026 zijn de advocaten van partijen ervan in kennis gesteld dat die dag vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
DTEK is actief in de energiesector in Oekraïne. Tot 2015 was zij tevens actief op de Krim. In dat jaar zijn haar bezittingen op de Krim als gevolg van de Russische annexatie in 2014 onteigend.
2.2.
DTEK heeft op basis van de “
UNCITRAL Rules” een arbitrale procedure aanhangig gemaakt tegen de Russische Federatie (de RF) waarin zij de schade verhaalt die zij als gevolg van de onteigening heeft geleden. Bij arbitraal vonnis van 1 november 2023 is de RF veroordeeld tot betaling aan DTEK van ruim USD 207 miljoen, te vermeerderen met rente en kosten. Op 1 december 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag DTEK verlof verleend tot tenuitvoerlegging van dat arbitraal vonnis.
2.3.
SST exploiteert de gaspijpleiding TurkStream, waarmee aardgas vanuit Rusland naar Turkije en vervolgens naar Zuidoost-Europa wordt vervoerd. SST maakt onderdeel uit van de Russische Gazprom groep.
2.4.
Op 21 juli 2025 heeft DTEK ter voldoening van haar vordering op de RF executoriaal beslag gelegd op vermogensbestanddelen van verschillende Gazprom-entiteiten, onder meer op de aandelen die de moedervennootschap van SST (OOO Gazprom International Projects South 1, hierna GIPS1) houdt in SST. Hiertegen is verzet ingesteld waardoor dit aandelenbeslag thans als conservatoir wordt aangemerkt (zie artikel 435 lid 3 Rv Pro).
2.5.
Bij dagvaarding van 2 oktober 2025 heeft DTEK bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen de Gazprom-entiteiten ten laste waarvan zij beslag heeft gelegd. Gevorderd is onder meer een verklaring voor recht dat de Gazprom-entiteiten verhaalsaansprakelijk zijn voor de vordering van DTEK op de RF en de executie van de beslagen goederen moeten dulden. In die zaak is nog geen vonnis gewezen.
2.6.
In december 2025 hebben verschillende media bericht dat SST haar onderneming verplaatst van Amsterdam naar Hongarije, dit onder meer naar aanleiding van uitlatingen van de Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken. Omdat dit in de visie van DTEK leidt tot onrechtmatige frustratie van de beslagen, heeft zij de dagvaarding voor dit kort geding opgesteld en een concept daarvan naar SST verstuurd. SST heeft hierop gereageerd bij brief van haar advocaat van 30 april 2026. In die brief heeft zij – kort gezegd – bestreden dat er concrete plannen bestaan om haar onderneming te verplaatsen naar Hongarije. Mochten die plannen al bestaan, dan zullen de belangen van de schuldeisers (waaronder DTEK ) worden gerespecteerd en zal het beslag niet worden gefrustreerd, aldus SST bij brief van 30 april 2026.
2.7.
Per 16 april 2026 bedroeg de totale vordering van DTEK op de RF op grond van het arbitrale vonnis USD 306.974.059. De RF heeft dit bedrag tot op heden niet voldaan.

3.Het geschil

3.1.
DTEK vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair
(
i) SST te verbieden (zelfstandig of bij wijze van medewerking) te vervreemden, over
te dragen, te bezwaren, of anderszins te reduceren in waarde:
(a) SST’s eigendom, eigendomsrechten of enigerlei met (de eigendom van) de
TurkStream-pijplijn betrekking hebbende (gebruiks)rechten of vermogensbestanddelen;
(b) alle bestaande en toekomstige overeenkomsten (dan wel de daaraan
verbonden rechten) tussen SST en anderen, waaronder de Gas Transport Services Agreement tussen SST en Gazprom export LLC, ten aanzien van de diensten die SST levert aan bestaande of toekomstige klanten in het kader van gasleveranties en gastransport via de TurkStream-pijplijn;
het voorgaande, behoudens voorafgaande toestemming van deze rechtbank, op straffe van een dwangsom van € 2,5 miljoen per dag dat dit verbod wordt overtreden, tot aan het moment dat de desbetreffende (rechts)handeling onherroepelijk wordt teruggedraaid, met een maximum van € 262 miljoen;
(ii) SST te verbieden (zelfstandig of bij wijze van medewerking) op enigerlei andere
wijze (rechts)handelingen te verrichten die ertoe leiden dat DTEK ’s beslag op de aandelen van GIPS1 in SST wordt gefrustreerd, waaronder begrepen het uitvoeren van of medewerken aan enige vorm van bedrijfs- of vermogensverplaatsing naar Hongarije of enige andere buitenlandse jurisdictie;
het voorgaande, behoudens voorafgaande toestemming van deze rechtbank, op straffe van een dwangsom van € 2,5 miljoen per dag dat dit verbod wordt overtreden, tot aan het moment dat de desbetreffende (rechts)handeling onherroepelijk wordt teruggedraaid, met een maximum van € 262 miljoen;
(iii) een tijdelijk, onafhankelijk bestuurder van SST te benoemen, al dan niet op
voordracht van de Vereniging Rimari, en te bepalen dat, gedurende zijn benoeming:
(a) deze bestuurder op door hem gewenste momenten aan de voorzieningenrechter en aan partijen verslag uitbrengt van zijn bevindingen en eventuele relevante ontwikkelingen ten aanzien van de voorzieningen zoals opgenomen onder (i) en(ii);
(b) deze bestuurder een beslissende stem zal hebben in het bestuur inzake
kwesties bestreken door de primaire vorderingen genoemd onder (i) en (ii), gevolgd door voornoemde toestemming van de rechtbank;
op straffe van een dwangsom van € 20 miljoen per overtreding door SST;
(c) deze bestuurder zelfstandig bevoegd is SST te vertegenwoordigen inzake
kwesties bestreken door de primaire vorderingen genoemd onder (i) en (ii);
(d) SST niet zonder deze bestuurder kan worden vertegenwoordigd inzake
kwesties bestreken door de primaire vorderingen genoemd onder (i) en (ii), dit op straffe van een dwangsom van € 20 miljoen per overtreding;
(e) het salaris en de kosten van deze bestuurder, met inbegrip van de kosten van eventuele (aansprakelijkheids)verzekeringen en kosten van eventueel door de bestuurder ingeschakelde adviseurs, ten laste komen van SST en dat SST op eerste verzoek daartoe voor dit honorarium ofwel zekerheid stelt ofwel een voorschot voldoet;
(f) SST medewerking verleent aan deze bestuurder om, binnen zeven werkdagen na dagtekening van het vonnis, zich in te schrijven (of zich te laten inschrijven) in het Handelsregister en enige andere noodzakelijke wijzigingen te registreren (of te laten registreren) in het Handelsregister;
(g) het voorgaande genoemd onder (e) en (f) op straffe van een dwangsom van
€ 2,5 miljoen per dag dat SST daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 262 miljoen;
(iv) SST te bevelen binnen uiterlijk drie werkdagen na dagtekening van dit vonnis:
(a) schriftelijk mededeling te doen aan de voorzieningenrechter en DTEK van alle (rechts)handelingen die SST, of een andere (rechts)persoon namens of voor SST, heeft verricht of voornemens is te verrichten omtrent kwesties bestreken door de primaire vorderingen genoemd onder (i) en (ii);
(b) de informatie genoemd (a) tevens per ommegaande, althans binnen uiterlijk 2 werkdagen na benoeming, aan de tijdelijk bestuurder te verstrekken;
(c) alle (voorbereidende) (rechts)handelingen bedoeld onder randnummer (a), met inbegrip van de oprichting van South Stream Operations in Hongarije, ongedaan te maken, en van deze ongedaanmaking per ommegaande, althans binnen uiterlijk veertien werkdagen na dagtekening van dit vonnis, bewijs aan te dragen aan de voorzieningenrechter, DTEK en, indien reeds benoemd, de tijdelijk bestuurder; en
(d) het voorgaande genoemd onder (a)-(c) op straffe van een dwangsom van € 2,5 miljoen per dag dat SST daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 262 miljoen;
( v) te bevelen dat alle voornoemde voorzieningen onder (i)-(iv) onverkort gelden totdat de executoriale verkoop van de door DTEK beslagen aandelen van GIPS1 in SST is voltooid, althans totdat DTEK haar vordering op de RF op andere wijze volledig heeft geïnd, althans totdat het beslag op de aandelen van GIPS1 in SST onherroepelijk is opgeheven.
subsidiair
(vi) te bepalen dat de primaire voorzieningen onder (i)-(v) onverkort gelden, tot het moment dat SST zekerheid stelt jegens DTEK door middel van een door DTEK geaccepteerde onherroepelijke bankgarantie van € 262.677.702,29 (althans een door de
voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag) afgegeven door een te goeder naam en faam bekendstaande bank met een kredietrating van BBB+, zoals opgenomen in productie 37 van DTEK in het geval van een Nederlandse bank, dan wel gelijksoortige voorwaarden zoals gebruikelijk in de desbetreffende jurisdictie van een niet-Nederlandse bank met voornoemde kredietrating en te bepalen dat voornoemde bankgarantie moet zijn afgegeven binnen 35 werkdagen na dagtekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan de voorzieningen onder (i)-(v) onverkort en onherroepelijk zullen blijven gelden en een nadien afgegeven bankgarantie de gelding van deze voorzieningen onverlet zal laten, behoudens een andersluidend oordeel van de voorzieningenrechter;
meer subsidiair
(vii) zodanige voorzieningen te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie
geraden acht.
primair en (meer) subsidiair
(viii) SST te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met
de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
DTEK legt aan haar vorderingen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Al decennialang is het de
modus operandivan de RF om betalingsverplichtingen in de wind te slaan en vermogen zo veel mogelijk uit de greep van haar schuldeisers te houden. Zo weigert de RF ook om aan de veroordeling die is opgenomen in het arbitrale vonnis te voldoen. De RF heeft de volledige controle over gehele Gazprom groep, waaronder SST en GIPS1. De Gazprom groep fungeert als een vehikel om Russisch vermogen uit de greep te houden van schuldeisers en kan met de RF worden vereenzelvigd. De entiteiten van de Gazprom groep die zich op juridische zelfstandigheid beroepen maken hierdoor misbruik van recht (artikel 3:13 BW Pro). Op die grond heeft DTEK beslag gelegd op (onder meer) de aandelen van GIPS1 in SST.
3.3.
Verder voert DTEK aan dat naar aanleiding van uitlatingen van de Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken verschillende media begin december 2025 hebben bericht over de op handen zijnde verplaatsing van de onderneming van SST naar Hongarije. Uit die berichten blijkt dat er een direct verband bestaat tussen de verplaatsing naar Hongarije en het door DTEK gelegde beslag (“
ongoing legal and financial attacks”). Het is algemeen bekend dat Hongarije vanwege haar afhankelijkheid van Russisch gas neutraal, zo niet positief staat ten opzichte van de RF en haar geopolitieke activiteiten. De nieuwe Hongaarse regering zal zich niet wezenlijk anders opstellen. Bovendien is op 18 februari 2026 een Hongaarse vennootschap opgericht met de naam South Stream Operations Limited Liability Company (hierna South Stream Operations). SST is enig aandeelhouder van South Stream Operations, waarvan de bestuurder dezelfde persoon is als de bestuurder van SST. South Stream Operations staat dus klaar om de verhaalsfrustratie door SST (de vermindering van de waarde van de beslagen aandelen) op elk gewenst moment te faciliteren. In geval van een executieverkoop van de beslagen aandelen zal de waarde daarvan aanzienlijk lager zijn indien SST haar waardevolle vermogensbestanddelen heeft verplaatst naar Hongarije. Dat is onrechtmatig. Op de beslagene (maar ook op derden) rust immers de plicht om zich te onthouden van onttrekking van een goed aan een beslag.
3.4.
De voorzieningenrechter kan bij (dreigend) onrechtmatig handelen noodzakelijke voorzieningen treffen om dat te voorkomen, aldus DTEK . De gevraagde voorzieningen zijn in dit geval gericht op het voorkomen van verhaalsfrustratie en beogen niet meer dan het waarborgen of herstellen van de
status quobij SST. Zij zullen geen impact hebben op de normale bedrijfsvoering. Ook dient een tijdelijk bestuurder (met bijzondere bevoegdheden) te worden benoemd. Dit is noodzakelijk omdat DTEK moet kunnen controleren of de overige voorzieningen worden nageleefd. De benoeming van een tijdelijk bestuurder staat er evenmin aan in de weg dat SST haar normale bedrijfsvoering voortzet. De gevraagde voorzieningen zijn daarom proportioneel. Indien SST
nietvan plan is haar vermogensbestanddelen naar Hongarije te verplaatsen ondervindt zij hiervan ook geen hinder. Bovendien kan SST een bankgarantie stellen (zoals subsidiair gevorderd) indien zij de voorzieningen te ingrijpend acht, dit alles aldus DTEK .
3.5.
SST heeft verweer gevoerd.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.4. De beoordeling

4.1.
DTEK beschikt over serieuze aanwijzingen dat sprake is (of in ieder geval was) van plannen van SST om vermogensbestanddelen naar Hongarije te verplaatsen. Gewezen wordt op de uitlatingen van de minister van Buitenlandse Zaken van Hongarije die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Ook wordt in die uitlatingen een verband gelegd tussen het door DTEK gelegde beslag en de verplaatsing naar Hongarije. Dat uitlatingen van de minister van Buitenlandse Zaken niet aan SST kunnen worden toegerekend, zoals SST heeft aangevoerd, is op zichzelf juist, maar maakt niet dat aan die uitlatingen in dit kort geding geen enkele waarde kan worden toegekend. Daar komt bij dat de oprichting van de Hongaarse vennootschap South Stream Operations op 18 februari 2026 eveneens een aanwijzing kan vormen voor de genoemde verplaatsing.
4.2.
Gezien het door SST gevoerde verweer acht de voorzieningenrechter de dreiging die uitgaat van de onder 4.1 genoemde aanwijzingen echter niet ernstig genoeg om tot integrale toewijzing van alle vorderingen van DTEK te kunnen komen. Ook een afweging van de wederzijdse belangen noopt hier niet toe. Een “
gevreesd toekomstscenario” is hiervoor niet voldoende, zoals de advocaat van SST terecht heeft aangevoerd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.3.
SST heeft onweersproken aangevoerd dat er op dit moment geen
concreetplan bestaat om haar vermogensbestanddelen naar Hongarije te verplaatsen. Er zijn geen (contractuele) rechten, banktegoeden of andere activa overgedragen aan South Stream Operations noch aan andere buitenlandse entiteiten. South Stream Operations is voorshands niet meer dan een operationele vennootschap. Een besluit tot grensoverschrijdende omzetting van SST bestaat niet en evenmin is sprake van een voorstel hiertoe of van andere voorbereidingshandelingen.
4.4.
In de brief van haar advocaat van 30 april 2026 (zie 2.6) heeft SST toegezegd dat, mocht zij desondanks enige vorm van herstructurering overwegen, zij hierbij de in Nederland verplichte procedures zal volgen. In de brief staat hierover:

Should SST ever contemplate any form of corporate restructuring, whether in whole or in part, that could result in its business, assets, or registered office being relocated outside the Netherlands, such a transaction would by operation of Dutch law be subject to a mandatory statutory procedure.
Op de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft de advocaat van SST expliciet gewezen op de artikelen 2:235 e.v. BW waarin wettelijke voorschriften zijn opgenomen die strekken tot bescherming van onder meer schuldeisers.
4.5.
In de brief van 30 april 2026 staat eveneens dat de rechten van DTEK als schuldeiser zullen worden gerespecteerd, mocht het komen tot een herstructurering. Verwezen wordt naar de volgende passage in die brief:

No statutory restructuring can be completed without DTEK Krymenergo (and other existing creditors what have absolutely equal right for protection under Dutch law) receiving full and timely notice of and having access to all available legal remedies in respect of the transaction. The suggestion that SST could remove itself or its assets from Dutch jurisdiction and thereby instantly render the attachment worthless is therefore legally incorrect. Dutch law has specifically designed these mandatory procedures to protect creditors in exactly these circumstances.
4.6.
Op de mondelinge behandeling van dit kort geding is bij monde van de advocaat van SST (wederom) uitdrukkelijk verklaard dat SST onderhevig is aan Nederlands recht en dat SST de belangen van DTEK als beslaglegger moet respecteren. Ook heeft SST haar toezegging herhaald dat zij geen vermogensbestanddelen zal verplaatsen; zij heeft akte gevraagd van haar stelling dat er wat dit betreft niks gebeurt en niks zal gebeuren. SST is gebonden aan die toezegging en DTEK kan SST hieraan houden.
4.7.
Bovendien kunnen de gevraagde voorzieningen onder (i) en (ii) de normale bedrijfsvoering van SST raken en om die reden disproportioneel uitpakken. Niet kan worden uitgesloten dat, zoals SST heeft aangevoerd, een onderneming met een waarde van vele miljarden “
aan de ketting wordt gelegd” voor een vordering van ‘slechts’ 300 miljoen dollar. SST heeft in dit verband terecht aangevoerd dat DTEK met haar vorderingen “
governance-rechten” claimt (een “
intern toezichtrecht”) en dat dit verder strekt dan de rechten die DTEK als beslaglegger toekomen. Verder zijn deze vorderingen (te) ruim geformuleerd en kunnen zij gemakkelijk leiden tot executiegeschillen. Zo ziet de vordering onder (i) erop dat het SST zou moeten worden verboden
alle(eigendoms)rechten en
allebestaande en toekomstige overeenkomsten over te dragen, te bezwaren “
of anderszins te reduceren in waarde”. Dit is een ruim geformuleerde vordering, waarbij met name de formulering “
of anderszins te reduceren in waarde” tot executiegeschillen kan leiden. Hetzelfde geldt voor de formulering in vordering (ii) die erop neerkomt dat SST geen enkele (rechts)handeling mag verrichten waardoor het beslag op de aandelen “
wordt gefrustreerd”. Vordering (iv) onder (c), de vordering alle (voorbereidende) (rechts)handelingen, met inbegrip van de oprichting van South Stream Operations ongedaan te maken, is te ingrijpend om in een kort geding, bij wijze van voorlopige voorziening, te kunnen worden toegewezen.
4.8.
De benoeming van een tijdelijk bestuurder zou de reguliere bedrijfsvoering van SST niet raken omdat die bestuurder alleen zou moeten toezien op waarborging van de
status quo, aldus DTEK . Uit de formulering van vordering (iii) blijkt echter dat aan de bestuurder (te) vergaande bevoegdheden zouden moeten worden toegekend. Zo zou hij in het bestuur een beslissende stem moeten hebben inzake alle kwesties die worden bestreken door de (ruim geformuleerde) vorderingen onder (i) en (ii), zou hij daarnaast met betrekking tot die kwesties bevoegd zijn SST zelfstandig te vertegenwoordigen en zou SST niet zonder die bestuurder in diezelfde kwesties kunnen worden vertegenwoordigd.
4.9.
Tegenover dit alles staat dat de bescherming van DTEK met name is gestoeld op de wettelijke regels over grensoverschrijdende omzetting, maar dat tal van andere manieren bestaan om de vennootschap op niet te controleren wijze “
leeg te trekken”, zoals DTEK heeft aangevoerd. DTEK heeft dit “
het dief in de nacht scenario” genoemd. Dat de plannen voor omzetting/verplaatsing naar Hongarije louter waren ingegeven door de vraag hoe SST “
rechtmatig kon blijven opereren in een zeer complexe sanctierechtelijke en energiepolitieke context” (zoals SST heeft aangevoerd) en dus niets van doen zou hebben met de gelegde beslagen, kan niet zonder meer als vaststaand worden aangenomen, mede gezien de uitlatingen van de minister van Buitenlandse Zaken van Hongarije. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding DTEK enige mate van bescherming te bieden. Die bescherming zal haar worden geboden in de vorm van een informatierecht dat ziet op het “verhangen” van belangrijke vermogensbestanddelen. Mocht dit zijn geschied of mochten hiertoe voornemens bestaan dan dient SST DTEK hierover (tijdig) te informeren. Vordering (iv) onder (a) zal aldus beperkt worden toegewezen, met daaraan gekoppeld een gematigde dwangsom. Deze verplichting geldt zolang het beslag op de aandelen in SST niet is
uitgewonnen of onherroepelijk is opgeheven en kan door SST ongedaan worden gemaakt door het afgeven van de in productie 37 van DTEK opgenomen bankgarantie. DTEK heeft bij toewijzing van dit onderdeel van de vorderingen een spoedeisend belang, ondanks dat er enige tijd is verstreken tussen de mediaberichten van december 2025 en de oprichting van South Stream Operations in februari 2026.
4.10.
Over het “verhangen” van belangrijke vermogensbestanddelen als bedoeld onder 4.9 van dit vonnis hebben de advocatenteams van beide partijen voorafgaand aan dit kort geding minnelijk overleg gehad. Zij hebben hiervan op de mondelinge behandeling van dit kort geding – met wederzijdse instemming – verslag gedaan aan de voorzieningenrechter. Het verhangen van belangrijke vermogensbestanddelen moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aldus worden uitgelegd dat het moet gaan om transacties met een waarde van om en nabij € 100 miljoen. Het wordt aan de advocatenteams van beide partijen overgelaten om hierover – zo nodig – in redelijkheid meer specifieke afspraken te maken, dit ter voorkoming van mogelijke onduidelijkheden of gedoe in de toekomst.
4.11.
In de uitkomst van dit kort geding ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
beveelt SST binnen zeven werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk mededeling te doen aan DTEK van alle (rechts)handelingen die SST, of een andere (rechts)persoon namens of voor SST heeft verricht, en die betrekking hebben op het “verhangen” van belangrijke vermogensbestanddelen van SST als bedoeld onder 4.9 en 4.10 van dit vonnis,
5.2.
beveelt SST schriftelijk mededeling te doen aan DTEK van alle (rechts)handelingen die SST, of een andere (rechts)persoon namens of voor SST voornemens is te verrichten – binnen zeven werkdagen na totstandkoming van dit voornemen – en die betrekking hebben op het “verhangen” van belangrijke vermogensbestanddelen van SST als bedoeld onder 4.9 en 4.10 van dit vonnis,
5.3.
bepaalt dat SST een dwangsom verbeurt van € 500.000,- per dag dat zij in gebreke blijft aan de onder 5.1 en/of 5.2 genoemde bevelen te voldoen, met een maximum van
€ 10.000.000,- voor beide bevelen tezamen,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
Coll: GR