Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4782

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
13/301685-25 (A) + 13/237708-25 (B; ttz gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling vader en doorrijden na verkeersongeval

Op 9 november 2025 heeft verdachte in Amsterdam-Noord zijn vader aangevallen met een mes tijdens een worsteling, waarbij hij hem in de arm en hals heeft gestoken. De rechtbank sprak verdachte vrij van poging doodslag, maar achtte poging zware mishandeling bewezen vanwege voorwaardelijk opzet. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte op 14 juni 2025 na een verkeersongeval op de Kamperfoelieweg de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist of moest vermoeden dat schade was toegebracht.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de directe en consistente verklaringen van vader en moeder kort na het incident, die later werden genuanceerd uit bezorgdheid voor verdachte. Verdachte had geen vol opzet op doodslag, maar wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op zwaar lichamelijk letsel. De verkeersovertreding werd bewezen door aangifte en bekentenis.

De strafmaat werd bepaald op 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden gericht op behandeling van verslaving, begeleid wonen en dagbesteding. De rechtbank nam het advies van de psycholoog en reclassering over, gezien de complexe problematiek van verdachte. Tevens werd een schadevergoeding van €2170,58 aan het slachtoffer van het verkeersongeval toegewezen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 1 maand voorwaardelijk, en moet schadevergoeding betalen voor het verlaten van de plaats van een verkeersongeval.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/301685-25 (A) + 13/237708-25 (B; ttz gevoegd)
Datum uitspraak: 20 mei 2026 (Promis)
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 mei 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Neijenhuis, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij
in zaak A:
op of omstreeks 9 november 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten zijn vader [naam vader] van het leven te beroven, naar voornoemde [naam vader] is toegegaan en/of
(vervolgens) eenmaal of meermalen (met kracht) met een of meer messen, in elk geval met een of meer scherpe en/of puntige voorwerpen in/tegen arm en/of de hals en/of de keel heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
op of omstreeks 9 november 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn vader [naam vader] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naar voornoemde [naam vader] is toegegaan en/of (vervolgens) eenmaal of meermalen (met kracht) met een of meer messen, in elk geval met een of meer scherpe en/of puntige voorwerpen in/tegen arm en/of de hals en/of de keel heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in zaak B:
als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam op/aan de Kamperfoelieweg, op of omstreeks 14 juni 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de van de in zaak A primair ten laste gelegde poging doodslag en tot bewezenverklaring van de in die zaak subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, nu verdachte door het gebruik van de messen tijdens een worsteling met zijn vader, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn vader zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Ook acht de officier van justitie het in zaak B ten laste gelegde bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak A primair en subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat bij de beoordeling van het ten laste gelegde de belastende verklaringen die aangever (zijn vader) en getuige (zijn moeder) ter plaatse en later op het politiebureau hebben afgelegd niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat zij deze op latere momenten op essentiële punten hebben genuanceerd en onvoldoende steun vinden in andere objectieve bewijsmiddelen. Zo betreft de verwonding aan de arm van vader een snijwond in plaats van een steekwond en kan de schram in zijn hals ook zijn veroorzaakt door de ringen of de nagels van de moeder toen zij de worsteling tussen vader en verdachte probeerde te beëindigen. Uit de verklaringen die vader en moeder later bij de politie en ook op de zitting hebben afgelegd, volgt dat verdachte zijn vader niet gericht heeft aangevallen en dat hij hem niet heeft gestoken met een mes, maar dat sprake was van een wederzijdse worsteling waarbij zowel verdachte als zijn vader letsel hebben opgelopen. Verdachte had geen vol opzet op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn vader. Op basis van het dossier kan ook niet worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans op het intreden van één van die gevolgen bewust heeft aanvaard.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot het in zaak B ten laste gelegde feit.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A
Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat er op 9 november 2025 bij de familie [familienaam] thuis sprake was van een ruzie tussen verdachte en zijn vader, waarbij verdachte zijn vader heeft aangevallen. Moeder heeft geprobeerd verdachte en vader uit elkaar te halen. Toen vader gewond bleek te zijn, heeft zij de politie gebeld.
Bij de beantwoording van de vraag wat er precies is gebeurd, gaat de rechtbank uit van de verklaring van verdachte op het politiebureau en de verklaringen die vader en moeder ter plaatse tegenover de politie hebben afgelegd en een paar uur daarna als aangever en getuige op het politiebureau. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van deze verklaringen acht de rechtbank het van belang dat de eerste uitlatingen van vader en moeder kort na het incident zijn gedaan, op een moment dat de indrukken en emoties nog vers en onmiddellijk aanwezig waren. Daarbij komt dat de verklaringen van vader en moeder gedetailleerd en op essentiële punten gelijkluidend zijn, zowel direct na het incident als enkele uren later tijdens de aangifte. Deze verklaringen worden door de rechtbank dan ook aangemerkt als authentiek. Hun latere verklaringen waaronder die ter zitting als getuige afgelegd, zijn kennelijk ingegeven door de wens van beide ouders om -hoe begrijpelijk ook- hun zoon te behoeden voor verdere strafrechtelijke gevolgen. Ter zitting heeft moeder zich als getuige bij nadere vragen van de rechtbank beroepen op haar verschoningsrecht. Die latere verklaringen vindt de rechtbank daarom niet geloofwaardig.
De rechtbank is van oordeel, gelet op het voorgaande, dat kan worden vastgesteld dat er een worsteling tussen verdachte en zijn vader is ontstaan, waarbij verdachte een mes in zijn hand had en met dat mes stekende bewegingen richting zijn vader heeft gemaakt en hem in zijn rechteronderarm en hals heeft geraakt. Vader had in zijn rechteronderarm een snede van zeven centimeter en een schram in zijn hals. De wond in de onderarm is in het ziekenhuis gehecht.
De vraag is vervolgens hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte zodanig gericht en met kracht richting de nek van zijn vader heeft gestoken, dat hij daarmee bewust de aanmerkelijke kans op de dood van zijn vader heeft aanvaard. Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van de in zaak A primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Om tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling te komen, is vereist dat het opzet van verdachte erop gericht was om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier dat verdachte vol opzet had in die zin dat het zijn bedoeling was om zijn vader zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Wel is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van voorwaardelijk opzet. Door in een worsteling met een mes in de richting van zijn vader te steken, waarbij hij hem ook daadwerkelijk aan zijn nek en arm heeft verwond, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn vader hierdoor veel ernstiger verwond zou raken. In de nek en armen bevinden zich immers belangrijke (slag)aders, pezen en spieren. Als die waren geraakt, was de kans op zwaar lichamelijke letsel aanzienlijk.
Zaak B
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 juni 2025 de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat aan een ander schade was toegebracht, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in zaak A:
op 9 november 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn vader [naam vader] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naar voornoemde [naam vader] is toegegaan en meermalen met een mes, in/tegen arm en/of de hals heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in zaak B:
als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam op de Kamperfoelieweg, op 14 juni 2025, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [slachtoffer] , schade was toegebracht.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 240 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd, te weten: een meldplicht, meewerken aan een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende klinische opname, het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding en het meewerken aan middelencontroles en het leren beheersen van middelengebruik.
Bij het formuleren van deze strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, het strafblad van verdachte, onder toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) en neemt zij het advies van de psycholoog over om het in zaak A ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij het advies van de psycholoog het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en oog te hebben voor de positieve ontwikkeling die verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft laten zien en zijn motivatie om aan zijn problematiek te werken. Gelet daarop heeft de verdediging verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke straf die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, aangevuld met een voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.
Gelet op de uitdrukkelijke wens van verdachte om thuis te willen blijven wonen en het feit dat dit sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis goed verloopt, heeft de raadsvrouw de rechtbank primair verzocht aan die voorwaardelijke straf niet de voorwaarde te verbinden dat verdachte moet meewerken aan het verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Subsidiair is verzocht bij het opleggen van deze bijzondere voorwaarde expliciet te bepalen dat deze slechts geldt indien en voor zover de reclassering dat noodzakelijk acht op het moment dat er een plek voor hem beschikbaar komt.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn vader. Verdachte was onder invloed en heeft zijn vader aangevallen met een mes, nadat die geen geld aan verdachte wilde geven en hem de woning had uitgezet. Dat is een zeer ernstig feit. Verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij zijn vader in de veiligheid van zijn woning, heeft aangevallen met een mes en hem daarbij heeft verwond. De woning is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig moet voelen, iets wat op 9 november 2025 niet het geval was voor de vader en moeder van verdachte. Niet alleen heeft verdachte geweld gebruikt tegen zijn vader, ook zijn moeder is hier getuige van geweest. Zij heeft de worsteling tussen beiden geprobeerd te beëindigen en dit is voor haar een zeer angstige situatie geweest.
Daarnaast heeft verdachte op 14 juni 2025 een ongeval veroorzaakt, doordat hij met zijn auto tegen de auto van aangever is gereden, met schade aan de bumper als gevolg. Verdachte is vervolgens weggereden zonder zijn gegevens kenbaar te maken. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Iedere verkeersdeelnemer dient zijn verantwoordelijkheid te nemen, wanneer hij op enige wijze betrokken is bij een ongeval. Op zijn minst dient een verkeersdeelnemer zijn identiteit kenbaar maken ten behoeve van de afwikkeling van eventuele schade.
De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht hanteren bij het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van en wapen (niet zijnde een vuurwapen) een gevangenisstraf van zeven maanden als uitgangspunt, waarbij het aspect van huiselijk geweld strafverzwarend is. Het feit dat zijn vader niet daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en daarom een poging daartoe bewezen is verklaard, leidt tot een lagere straf.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Wel is op 27 maart 2026 aan verdachte een strafbeschikking uitgevaardigd voor het rijden onder invloed van drugs. Daarmee is artikel 63 Sr Pro van toepassing.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van de psycholoog S.J.D. Dijkstra van 4 maart 2026. Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de zware mishandeling van zijn vader. Daarnaast was mogelijk ook sprake van een psychotische stoornis, vermoedelijk veroorzaakt door middelengebruik, maar dat kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van complexe en meervoudige problematiek, waarbij onderzoeker weinig zicht heeft gekregen op de beweegredenen van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde, dat zich heeft afgespeeld binnen de context van een disfunctionele gezinsdynamiek waarop eveneens weinig zicht is ontstaan. Dat de pathologie van verdachte heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde is aannemelijk, maar niet hard te maken en evenmin goed inzichtelijk te maken. Geadviseerd wordt dan ook om betrokkene het ten laste gelegde in elk geval licht verminderd toe te rekenen.
De rechtbank neemt dit advies over.
Uit het psychologisch rapport volgt dat noodzakelijk wordt geacht om toe te werken naar een situatie waarbij verdachte voor onderdak niet langer op zijn ouders aangewezen is. De licht verstandelijke beperking, verslavingsgevoeligheid en psychotische kwetsbaarheid van verdachte zijn gebaat bij een gestructureerd, voorspelbaar leefklimaat waarbij hij voldoende ondersteuning, controle en begrenzing krijgt. Naar het zich laat aanzien wordt aan die behoeften in de thuissituatie niet voldaan en is -alle goede bedoelingen ten spijt- een dynamiek ontstaan waarbij wangedrag nauwelijks begrensd werd en ouders niet bij machte lijken te zijn om pedagogisch adequaat op te treden. Verdachte is gebaat is bij behandeling van zijn verslavingsproblematiek, waarbij rekening gehouden wordt met zijn verstandelijke beperking en er aandacht is voor zijn psychosegevoeligheid en de invloed van middelengebruik daarop. Verdachte zegt open te staan voor hulp bij zijn verslaving. Een ambulante (poliklinische) setting wordt geschikt geacht, waarbij er een sterke voorkeur is om de behandeling te laten uitvoeren door een instelling met expertise op het gebied van verstandelijke beperking. Een adequate dagbesteding draagt in belangrijke mate bij aan het voorkomen van terugval in middelengebruik. Verdachte wijst verveling en frustratie over zijn werkloosheid aan als luxerende factoren voor het dagelijkse gebruik van middelen. Hij is gebaat bij begeleiding bij het vinden van werk dat passend is bij zijn niveau. Daarnaast zou behandeling zich moeten richten op het verbeteren van de relatie tussen verdachte en zijn ouders. Er zal een lange adem nodig zijn om het vertrouwen van verdachte te winnen. De behandeling zou kunnen worden uitgevoerd door een forensisch outreachend team (FACT) waarbij huisbezoeken worden afgelegd.
De noodzakelijk geachte behandeling en begeleiding zou plaats kunnen vinden binnen het kader van een (deels) voorwaardelijke straf. Abstinentie van middelen en meewerken aan behandeling -ook wanneer inname van medicatie door een arts wordt aangeraden- zouden als bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapportage van de reclassering van 31 maart 2026, opgemaakt door reclasseringswerker I. Franse. Hieruit blijkt dat met name de alcoholverslaving, problemen op het gebied van zijn psychosociaal functioneren en de verstoorde gezinsrelaties als gevolg van de alcoholproblematiek, als sterk recidive verhogende factoren naar voren komen. Een ambulante behandeling bij Forensisch Ambulante Zorg (FAZ) Inforsa gericht op deze problematiek is geïndiceerd om de recidivekans te verkleinen. Vanwege de terugkerende spanningen en escalaties in de thuissituatie acht de reclassering het wenselijk dat mogelijkheden voor begeleid wonen onderzocht worden. Verdachte is aangemeld bij Indaad, een instelling voor begeleid wonen voor (jong)volwassenen waarbij sprake is van een licht verstandelijke beperking en andere meervoudige problemen, zoals psychische problematiek en/of contact met politie en justitie. Daarnaast kan verdachte worden ondersteund worden bij het vinden van zinvolle dagbesteding en bij zijn financiële situatie. Geadviseerd wordt om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft I. Franse op de zitting als deskundige gehoord. Hij heeft de inhoud van de rapportage en het advies bevestigd en aangevuld. Verdachte is inmiddels aangemeld bij de wooninstelling van Indaad. Hij heeft komende week een intakegesprek. Als hij daar wordt geaccepteerd, zal hij op de wachtlijst worden geplaatst. Het is onduidelijk wanneer er een plek voor hem beschikbaar komt. Het verblijf in een instelling voor begeleid wonen is nog steeds van groot belang omdat de thuissituatie zorgelijk is, maar ook om een terugval in middelengebruik te kunnen monitoren en voorkomen. Ook kan verdachte bij Indaad worden geholpen met het vinden van dagbesteding en het regelen van financiële zaken.
Op te leggen straf
De rechtbank acht het van belang dat verdachte hulp en begeleiding krijgt voor zowel zijn verslavingsproblematiek als het herstellen van de familierelaties en het inrichten van zijn zelfstandige dagelijks leven. De reclassering kan hem daarbij helpen en de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd bieden daar voldoende mogelijkheden voor. Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat het verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang hier in belangrijke mate aan bijdraagt en zal dus ook die voorwaarde, zoals door de reclassering geadviseerd, overnemen.
Dit alles maakt dat de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, passend en geboden acht.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 2170,58 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij vordert € 1970,58 voor de vergoeding voor de kosten van de reparatie van de schade aan zijn auto en € 200,- voor de kosten van het opstellen van een schaderapport.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Anders dan door de raadsvrouw is bepleit, komen de kosten voor de reparatie van deze schade, alsmede de kosten van het opstellen van een schaderapport, naar het oordeel van de rechtbank in zijn geheel voor vergoeding in aanmerking. Met de stukken die de benadeelde partij heeft overgelegd is voldoende onderbouwd dat hij de gevorderde schade heeft geleden. Dat de schade aan de auto nog niet daadwerkelijk is hersteld en de kosten dus nog niet daadwerkelijk zijn gemaakt doet daar niet aan af..
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 2170,58, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2170,58, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A subsidiair en zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A subsidiair:
poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn vader.
Ten aanzien van zaak B:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte,
1 (één) maand, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
Meldplicht bij reclassering
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensische Ambulante Zorg Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de
behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en delictpreventie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij
Indaad of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Dagbesteding
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Beheersing middelengebruik
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit
urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk
controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beslissing op vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 2170,58 (eenentwintighonderdzeventig euro en achtenvijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 2170,58 (eenentwintighonderdzeventig euro en achtenvijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
21 (eenentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. C.P.E. Meewisse en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2026.