8.3.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen daarvan en bij de vaststelling van de duur en de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift en bedreiging van haar ex-man. Na de geboorte van hun zoon zijn verdachte en aangever uit elkaar gegaan en is een voortdurend conflict ontstaan. De situatie is dusdanig geëscaleerd dat verdachte – ondanks een stopgesprek – is overgegaan tot de tenlastegelegde feiten. Hiermee heeft zij een grote impact op het privéleven van aangever gehad. Niet alleen heeft verdachte de eer en de goede naam van aangever aangetast, ook heeft zij de veiligheid van hem en hun zoontje in gevaar gebracht. Door posters in de buurt van aangever zijn woning te verspreiden met een foto en personalia van hem daarop met de tekst dat hij hun zoontje zou hebben mishandeld, heeft aangever zich zeer angstig gevoeld en was hij genoodzaakt om te verhuizen. Aangever leefde constant in angst dat zijn naam bij hulpverleningsinstanties met onjuiste teksten werd verspreid en heeft de bedreigingen als zeer ernstig ervaren.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van de zus van haar ex-man en vernieling van haar autoband. Uit de vordering van de benadeelde partij en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring komt naar voren dat het handelen van verdachte ook grote impact op het leven van aangeefster heeft gehad. Zij beschrijft een gevoel van angst en kent geen gevoel van veiligheid meer. Aangeefster is in behandeling bij een psycholoog en de feiten hebben veel invloed op haar familieleven gehad. Zo durft zij zelfs haar adres niet meer met familieleden te delen. De rechtbank vindt het zorgwekkend dat verdachte haar bedreigingen kracht heeft bijgezet door de autoband van aangeefster lek te steken. Verdachte heeft hiermee laten zien dat zij geen respect voor andermans goederen heeft en dat de angst die aangeefster heeft ervaren terecht was. Daarbij tilt de rechtbank er zwaar aan dat verdachte haar zoontje bij deze vernieling aanwezig was.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 31 januari 2026, opgesteld door psychiater P.L.L. Hoefnagel. De bevindingen en conclusies van de psychiater zien op de feiten waarvan verdachte ten tijde van de gesprekken met de deskundige (in de maanden januari tot en met juli 2026) werd verdacht.
De psychiater heeft, kort weergegeven, geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een verstandelijke beperking en dwangmatige en antisociale persoonlijkheidstrekken. Volgens de psychiater waren deze stoornissen ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezig en werden de gedragskeuzes van verdachte daardoor beïnvloed. Bij een bewezenverklaring wordt ten aanzien van alle vier de feiten geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank volgt de conclusie van de psychiater voor wat betreft de stoornissen en is van oordeel dat het bewezenverklaarde onder alle vier de feiten in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
Uit de Pro Justitia rapportage komt naar voren dat verdachte een onvermogen ervaart om met lichamelijke of stressklachten van haar zoon om te gaan. Zij geeft hiervan aangevers de schuld en voelt zich niet begrepen of gehoord door hulpverlenende instanties. Volgens de psychiater is verdachte vanuit haar beperkte vaardigheden en antisociale cognities gaan escaleren wat geresulteerd heeft in obsessief gedrag en bedreigingen. Verdachte lijkt daarbij de ernst van haar handelen maar beperkt in te zien. Sinds kort is verdachte gediagnosticeerd met een verstandelijke beperking wat verklarend lijkt te zijn voor haar instabiliteit in gedrag en beperkte inzicht in consequenties. Het risico op gewelddadig gedrag wordt laag ingeschat, maar het risico op aanhoudend niet gewelddadig crimineel gedrag, zoals belaging, smaad en laster, hoog.
De psychiater acht een behandeling die aansluit bij het sociale, emotionele en cognitieve functioneren van verdachte van belang. Verdachte heeft behandeling nodig gericht op het herkennen van stressvolle situaties en hoe zij in deze situaties stress op een gezonde manier kan uiten. Naast psychotherapeutische behandeling kan medicamenteuze toevoeging zinvol zijn in de behandeling van haar obsessieve gedrag. Daarnaast acht de psychiater woonbegeleiding voor ondersteuning in haar dagelijkse functioneren en financiële ondersteuning in de vorm van bewind van belang. Daarbij benoemt hij dat verdachte moet onderzoeken waar zij zingeving in het leven uithaalt. Dit kan bijvoorbeeld door ondersteuning in haar dagbesteding. De psychiater schrijft dat het voor verdachte over het algemeen van belang is dat de hulpverlenende instanties samenwerken, zodat zij een duidelijk kader krijgt en weet bij wie zij terecht kan.
Gelet op bovenstaande heeft de psychiater bij een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten geadviseerd tot oplegging van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
Reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] heeft in het door hem opgestelde rapport van 7 april 2026 geadviseerd om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod en locatieverbod met aangevers (zonder elektronisch toezicht), dagbesteding en ambulante woonbegeleiding. Verdachte heeft zich tijdens haar schorsing van de voorlopige hechtenis en ter terechtzitting bereid getoond zich aan deze voorwaarden te houden.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van de feiten en de persoon van verdachte waaronder het gegeven dat de feiten haar in verminderde maten kunnen worden toegerekend, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarbij wordt het locatieverbod niet verder ingeperkt, zoals door de verdediging is verzocht. De rechtbank is van mening dat het locatieverbod niet onevenredig belastend is voor verdachte of voor haar zoontje. Het is voor de aangevers van belang dat verdachte een locatieverbod krijgt, waarbij de directe woonomgeving van de aangevers niet voor verdachte te achterhalen is.
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren. Om bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, dient te kunnen worden geconcludeerd dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op het blanco strafblad van verdachte en de aard van de onderhavige feiten kan de rechtbank die conclusie niet trekken.
Verder ziet de rechtbank geen ruimte om naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden ook nog een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen. Gelet op de bij verdachte geconstateerde stoornissen zal het voldoen aan de bijzondere voorwaarden naar de verwachting van de rechtbank veel van haar vragen en bestaat het risico dat een taakstraf verdachte zal overvragen, hetgeen de rechtbank onwenselijk acht. Een taakstraf zal daarom niet worden opgelegd.
Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid (artikel 38v Sr)
Omdat verdachte de ernst van haar handelen niet geheel in lijkt te zien en het risico op herhaling als hoog wordt ingeschat, is het niet ondenkbaar dat verdachte in de toekomst contact zal willen opnemen met de aangevers. Om de aangevers te beschermen en ter voorkoming dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens de aangevers, zal de rechtbank daarom ook aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr opleggen. De maatregel houdt in dat verdachte gedurende drie jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en niet in de woonomgeving van aangevers mag komen.
De rechtbank zal bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van veertien dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
De rechtbank zal voorts bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar zal zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte - zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens de aangevers.
De rechtbank heeft bij haar keuze om het contactverbod en het locatieverbod niet alleen als bijzondere voorwaarden maar ook als vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, het volgende meegewogen. In het geval dat verdachte de maatregel overtreedt kan er direct gereageerd worden en wordt niet, zoals bij overtreding van de bijzondere voorwaarden, het risico gelopen dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel wordt gevorderd met als gevolg dat de overige voorwaarden en de behandeling van verdachte daarmee zouden komen te vervallen.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de opgelegde straf heft de rechtbank het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op.
9. Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel