Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4795

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
13/265241-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 157 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar en sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid

Op 7 oktober 2025 ontstond brand in de woning van verdachte te Amsterdam, veroorzaakt door het gieten van aceton over brandende kaarsen. De brand verspreidde zich naar bovengelegen en naastgelegen woningen, waardoor levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor meerdere bewoners ontstond. Forensisch onderzoek bevestigde het gemeen gevaar voor goederen en personen.

Verdachte verklaarde bewust met aceton en vuur te hebben gespeeld vanwege fascinatie met vuur, en was zich bewust van de risico's. Hoewel hij probeerde de brand te blussen, was dit te laat. Psychiatrisch onderzoek toonde aan dat verdachte leed aan een bipolaire stoornis en alcoholproblemen, wat leidde tot sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte opzettelijk brandstichting pleegde met (voorwaardelijk) opzet. De straf werd vastgesteld op 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals opname in een zorginstelling en behandeling. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan vier benadeelde partijen voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden vanwege sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/265241-25
Datum uitspraak: 24 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,
nu gedetineerd in [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. de Krijger en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.J. van Ommeren naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] en van wat mrs. J.L. L'Homme en S.A.L. Crucq namens hen naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in zijn woning aan [adres 1] , waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van anderen, namelijk zijn bovenburen en de zich in de nabijgelegen woningen bevindende personen, te duchten was. Dit is subsidiair ten laste gelegd als brandstichting door schuld.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde opzettelijke brandstichting kan worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. Verdachte heeft in zijn woning open vuur in aanraking gebracht met aceton. Verdachte wist van het brandgevaar dat dit met zich brengt en heeft door zijn handelen de risico’s daarvan bewust aanvaard. Uit het forensisch brandonderzoek volgt dat van de brand zowel gevaar voor goederen als levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde omdat verdachte geen opzet heeft gehad op het stichten van brand, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte heeft nog geprobeerd het vuur met water te blussen. Er is in dit geval sprake van culpoos brand veroorzaken, zoals subsidiair is tenlastegelegd, en daar kan een bewezenverklaring voor volgen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op 7 oktober 2025 omstreeks 22:00 uur is in de woning van verdachte aan [adres 1] brand ontstaan. [1] In de woning van verdachte bevonden zich op dat moment verdachte, [persoon 1] en [persoon 2] . [2] In de bovengelegen woningen, nummers [huisnummer 1] en [huisnummer 2] , bevonden zich op dat moment respectievelijk [benadeelde partij 1] en zijn dochter en [benadeelde partij 4] en haar zoon [3] . Ook in de naast- en nabijgelegen woningen waren op het moment van de brand mensen aanwezig. [4]
Gemeen gevaar goederen en levensgevaar / gevaar voor lichamelijk letsel
Uit forensisch onderzoek naar het ontstaan van de brand volgt dat sprake geweest van een volontwikkelde brand op de eerste etage ( [huisnummer 3] ) die via het balkon is overgeslagen naar de bovengelegen woningen. [5] De betrokken woning was onderdeel van een pand uit 1905. De naastgelegen panden zijn uit hetzelfde bouwjaar. De woningen in deze panden zijn opgetrokken uit baksteen met houten vloeren en plafonds. Hierdoor was er tevens een verhoogde kans op overslag naar de naastgelegen woningen als de brandweer niet tijdig had geblust.
Ten tijde van de brand waren meerdere personen aanwezig in zowel de woning (van verdachte) op nummer [huisnummer 3] alsook in de twee bovengelegen woningen en naastgelegen panden. Een aantal personen heeft zichzelf nog in veiligheid kunnen brengen door het verlaten van de woningen, maar de brandweer heeft ook met een hoogwerker personen uit de bovengelegen woningen moeten halen omdat door rook en vuur zowel het trappenhuis als het balkon niet meer kon worden betreden. Gebleken is dat deze personen al slechts na zes minuten nadat de brand werd gemeld, niet meer weg konden en dat twee minuten daarna het vuur al in hun woning op de derde etage was. Hierdoor wordt door de Forensisch onderzoekers geconcludeerd dat met de brand sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander.
Omdat er door de brand brandschade is ontstaan aan meerdere woningen en goederen van meerdere eigenaren, was tevens sprake van gemeen gevaar voor goederen. [6]
Opzettelijk brandstichten
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijk brandstichten en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij op de salontafel in zijn woning een aantal brandende kaarsen heeft geplaatst en vervolgens op die brandende kaarsen aceton heeft gegooid. Verdachte heeft dit gedaan omdat er dan steekvlammen ontstaan en hij dit effect en vuur erg mooi vindt. [7]
Het is algemeen bekend dat Aceton een licht ontvlambare stof is die snel verdampt en makkelijk ontbrandt bij open vuur. Door in een woning op en in de nabijheid van meubels en andere brandbare goederen aceton te gieten over brandende kaarsen heeft verdachte, naar algemene ervaringsregels, de aanmerkelijk kans in het leven geroepen op het ontstaan en verspreiden van brand. Verdachte wist – blijkens zijn eigen verklaring – van de effecten van de brandversneller Aceton in combinatie met vuur, en heeft door zijn handelen de risico’s die daarvan uitgingen bewust aanvaard.
De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op brandstichting. De omstandigheid dat verdachte - naar eigen zeggen - nadat de brand was ontstaan nog heeft geprobeerd deze te blussen door er water op te gooien, maakt dit oordeel niet anders. Op dat moment was immers de brand al gesticht en was die – onder invloed van de door hem gebruikte brandversneller – kennelijk al zo heftig dat dit geen effect meer had.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 7 oktober 2025 te Amsterdam,opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan [adres 1] ,door in die woning brandende kaarsen in aanraking te brengen met aceton en met een salontafel,
terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten de voornoemde woning en de in de voornoemde woning bevindende goederen en de nabijgelegen woningen en de in de nabijgelegen woningen bevindende goederen, te duchten wasen- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in voornoemde woning bevindende personen, [persoon 1] en [persoon 2] en de in de voornoemde bovenliggende woningen bevindende personen, [benadeelde partij 4] en haar zoon en [benadeelde partij 1] en zijn dochter en de in de nabijgelegen woningen bevindende personen,
te duchten was;

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen te worden verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 3 april 2026.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Verdachte hoort niet thuis in de gevangenis, maar in een kliniek, waar hij kan worden behandeld voor zijn stoornis. Gelet hierop wordt verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen een gelijk aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in zijn woning. Dit is een ernstig en zeer gevaarlijk feit door de potentiële onbeheersbaarheid en onberekenbaarheid van branden. De bewoners van de boven- en naastgelegen woningen hebben hierdoor groot gevaar gelopen. De brand is van de woning van verdachte overgeslagen naar de bovengelegen woningen en een aantal bovenburen hebben vastgezeten in hun brandende woning alvorens zij uiteindelijk met een hoogwerker door de brandweer uit de woning zijn gehaald. Gelukkig waren de bovenburen nog wakker en hebben zij alarm kunnen slaan, waardoor zij tijdig uit de woning hebben kunnen ontkomen. Het had echter ook heel anders kunnen aflopen als zij al hadden geslapen en niet wakker waren geworden. Als gevolg van de brand zijn de woningen van de bovenburen langdurig onbewoonbaar geworden. De slachtoffers wonen nog steeds in een tijdelijke woning en zijn hun (dierbare) bezittingen kwijt. Verdachte heeft met zijn handelen de slachtoffers enorm veel leed aangedaan. Dat blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die zij tijdens de zitting hebben voorgedragen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de pro Justitia rapportage van 15 januari 2026 van de NIFP-deskundige J.E. Kiliç, psychiater. Hieruit blijkt onder meer het volgende.
Bij verdachte is sprake van een psychische stoornis, namelijk een bipolaire-I-stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van een ontregeling van de bipolaire stoornis als gevolg van het overlijden van zijn kat en medicatie ontrouw. Het forse alcoholgebruik van verdachte kan een ontremmende functie hebben gehad waardoor zijn impulscontrole ernstig was aangetast, hetgeen tot normvervaging kan leiden en een fascinatie met vuur. Het geïntoxiceerde toestandsbeeld in combinatie met de manische ontregeling kan een rol hebben gespeeld met betrekking tot de omstandigheid dat hij de gevolgen niet kon overzien van de fascinatie met het vuur. Verdachte was daarom niet goed in staat om zijn denken en gedrag te reguleren. Geadviseerd wordt verdachte het tenlastegelegde in sterk verminderde mate toe te rekenen.
Het recidive risico wordt met een stevig behandelkader en medicatiegebruik laag ingeschat, vanwege de psychiatrische zorg die hij dan krijgt. Mocht verdachte zich echter onttrekken aan zorg, en geen behandelkader meer hebben, dan zal het risico op een manische ontregeling groter worden en kan het recidive risico oplopen naar hoog.
Bij een bewezenverklaring wordt geadviseerd om bijzondere voorwaarden op te leggen bij een (deels) voorwaardelijke straf. Als voorwaarden dienen te worden gesteld het accepteren van toezicht, behandeling voor de verslavingsproblematiek gedurende langere tijd bij een outreachend behandelteam zoals het JOT, begeleiding en behandeling door een (ouderen) FACT-team, meewerken aan blaas- en urinecontroles en plaatsing binnen begeleid wonen. Een zorgmachtiging wordt primair niet noodzakelijk geacht, omdat verdachte vrijwillig lijkt mee te werken aan de behandeling. Toezicht over de medicatie inname blijft wel een belangrijk aandachtspunt.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van [reclasseringsmedewerker] van 3 april 2026. Hieruit volgt dat de reclassering de kans op recidive en letselschade als gemiddeld inschat. Hoewel verdachte niet bekend is met delictgedrag, zijn er wel meerdere risicofactoren aanwezig die de kans op een toekomstig delict vergroten. Er is namelijk sprake van langdurige psychische- en alcoholproblematiek, die van invloed zijn op de impulsbeheersing en beslisvaardigheid van verdachte. De middelen- en psychische problematiek van verdachte hebben een doorwerking in zijn gedrag en dragen daarmee bij aan het recidiverisico. Ook de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van verdachte, in combinatie met zijn sociale netwerk, zijn reden tot zorg. Een forensische insteek is het meest passend gelet op de aanwezige risico's en de ambivalentie van verdachte rondom zijn alcoholgebruik. Daarom wordt wordt een klinische opname binnen een FPA geadviseerd. Verdachte is al aangemeld en geaccepteerd voor opname binnen [FPA locatie] . Hier kan, naar alle waarschijnlijkheid, binnen een redelijk afzienbare termijn worden toegewerkt richting meer zelfstandigheid in de ambulante fase. In die fase kan een passende begeleide woonvorm recidive verlagend werken. Verdachte blijft dan beter in beeld bij de zorg en hulpverlening en zodoende kan er ook zicht worden gehouden op zijn sociale netwerk. De reclassering adviseert daarom om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing middelengebruik.
De reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] heeft dit advies op de zitting van 10 april 2026 bevestigd.
Conclusies rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de bovengenoemde inhoud van het rapport van de psychiater vast dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde sprake was van een psychische stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol. De rechtbank is op grond van de rapportage bovendien van oordeel dat deze stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit zodanig hebben beïnvloed, dat hij sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank houdt hier in strafmatigende zin rekening mee.
De rechtbank acht, gezien al het bovenstaande en rekening houdend met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. De rechtbank bepaalt daarbij de proeftijd op 3 jaren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de langdurigheid en hardnekkigheid van de bij verdachte bestaande problematiek, zodat een langere duur van het toezicht passend is.

9.Ten aanzien van de benadeelde partijen

9.1.
De vorderingen
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 3.546,95 aan vergoeding van materiële schade en € 4.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Ten aanzien van het gevorderde gederfde inkomen is op de zitting van 10 april 2026 subsidiair verzocht op de in totaal gevorderde € 1.894,00 een belastingcorrectie toe te passen van 49,5 % zijnde de hoogste schijf inkomstenbelasting. Dit betekent dat 49,5 % van voornoemd bedrag, te weten € 937,53, in mindering wordt gebracht, zodat subsidiair wordt gevorderd in totaal € 956,47.
[benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 4.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
[benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 17.981,94 aan vergoeding van materiële schade en € 4.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Op de zitting van 10 april 2026 is toegelicht dat in de vordering € 358,- staat opgegeven bij het eigen risico, terwijl dit € 385,- moet zijn. Dit is een kennelijke verschrijving in de vordering. Gevorderd wordt dus € 385,- aan eigen risico, conform de bijgevoegde factuur (bijlage 21). De gevorderde materiële schade komt daarmee uit op een totaalbedrag van € 18.008,94.
[benadeelde partij 4]
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert € 406,12 aan vergoeding van materiële schade en € 4.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [benadeelde partij 3] ten aanzien van de gevorderde € 13.112,50 aan materiële schade vanwege toekomstige studievertraging, niet ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor het overige kunnen alle vorderingen zowel ten aanzien van de materiële als immateriële schade worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [benadeelde partij 3] ten aanzien van de gevorderde € 13.112,50 aan materiële schade vanwege toekomstige studievertraging, niet ontvankelijk moet worden verklaard nu onvoldoende is onderbouwd dat hij tentamens heeft gemist.
De vordering van [benadeelde partij 1] dient aanzien van het gederfde inkomen te worden gematigd naar het subsidiair gevorderde bedrag van € 956,47.
De door alle benadeelde partijen gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd naar bedragen van steeds € 2.500,-. Dit bedrag is passend gelet op vergoedingen van immateriële schade die in vergelijkbare zaken wordt toegewezen.
Ten aanzien van het overige gevorderde, heeft de raadsman geen opmerkingen.
9.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal hierna eerst de gevorderde materiële schade beoordelen om daarna voor alle benadeelde partijen de gevorderde immateriële schade te beoordelen.
9.4.1.
Materië
le schade
[benadeelde partij 1]
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
Ten aanzien van het gevorderde gederfde inkomen past de rechtbank op de in totaal gevorderde € 1.894,00, een belastingcorrectie toe van 49,5 % nu het gevorderde bedrag het bedrag aan omzet voor inhouding van inkomstenbelasting betreft. Dit betekent dat 49,5% van voornoemd bedrag, te weten € 937,53, in mindering wordt gebracht, zodat het subsidiair gevorderde bedrag van in totaal € 956,47 wordt toegewezen.
Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade geldt dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij die kosten heeft gemaakt, terwijl de verdediging het bedrag niet heeft betwist.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank aan vergoeding van materiële schade een bedrag toe van in totaal
€ 2.609,42. Uitgangspunt voor toewijzing van wettelijke rente is het moment van ontstaan van de schade. Uit de vordering volgt, met uitzondering van de kosten voor de slaapmedicatie, niet ondubbelzinnig wanneer de diverse posten voor materiële schade daadwerkelijk zijn ontstaan. De benadeelde partij heeft hier verder niets over gesteld. Daarom zal de rechtbank bepalen dat € 23,01 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 (zijnde de datum van aanschaf van de medicatie) en de overige materiële schade ter hoogte van € 2.586,41 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2026 (zijnde de datum van indiening van de vordering).
[benadeelde partij 3]
wordt ten aanzien van de gevorderde € 13.112,50 aan materiële schade vanwege toekomstige studievertraging, niet ontvankelijk verklaard. De vordering is op dit punt onvoldoende onderbouwd. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade geldt dat de vordering voldoende is onderbouwd, terwijl de verdediging het bedrag niet heeft betwist.
Nu vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht, wijst de rechtbank aan vergoeding daarvan een bedrag toe van in totaal
€4.896,44. Uitgangspunt voor toewijzing van wettelijke rente is het moment van ontstaan van de schade. Uit de vordering volgt, met uitzondering van de kosten voor slaapmedicatie, niet ondubbelzinnig wanneer de schade daadwerkelijk is ontstaan en de benadeelde partij heeft daar zelf verder ook niets over gesteld. Daarom zal de rechtbank bepalen dat € 23,44 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025 (zijnde de datum van aanschaf van de medicatie) en de overige materiële schade ter hoogte van € 4.873,- zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2026 (zijnde de datum van indiening van de vordering).
[benadeelde partij 4]
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd. De hoogte van de vordering is ook niet betwist. Daarom wordt de vordering van in totaal
€ 406,12toegewezen.
Uitgangspunt voor toewijzing van wettelijke rente is het moment van ontstaan van de schade. Uit de vordering volgt dat de kosten voor de slaapmedicatie zijn gemaakt op 10 november 2025. Ten aanzien van het eigen risico is gesteld dat dit aangesproken zal worden. Daarom zal de rechtbank bepalen dat € 21,12 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2025 (zijnde de datum van aanschaf van de medicatie) en de overige materiële schade ter hoogte van € 385,- zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2026 (zijnde de datum van indiening van de vordering).
9.4.2.
Immateriële schade
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] door de bewezenverklaarde opzettelijke brandstichting terwijl daarvan levensgevaar en /of zwaar lichamelijk letsel voor de benadeelden te duchten was, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. In dit geval brengen de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam (ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5). Met het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelden staat immers vast dat door verdachte een ernstige inbreuk is gepleegd op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelden.
De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat de benadeelde [benadeelde partij 1] door de snel uitslaande brand met zijn dochter [benadeelde partij 2] door de rook naar buiten heeft moeten vluchten om henzelf in veiligheid te brengen. Daarbij hebben zij de woning en al hun bezittingen moeten achterlaten.
Ten aanzien van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] geldt dat zij samen hebben
vastgezeten in hun brandende woning. Zij hebben eerst geprobeerd om de woning via de voordeur te verlaten, maar dit bleek niet mogelijk door de rookontwikkeling. Terwijl de rook de woning binnendrong, zagen zij ook het vuur via het achterbalkon naderen. Op advies van de hulpdiensten hebben zij zich teruggetrokken op de vloer van de slaapkamer in afwachting van hulp. Zij hebben gevreesd voor hun leven en doodsangsten uitgestaan. Uiteindelijk zijn zij door de brandweer via het raam uit de woning gehaald en in veiligheid gebracht.
Beide woningen zijn volledig onbewoonbaar verklaard en zij kunnen tot op heden niet terug. Sindsdien ervaren de benadeelden veel stress, herbelevingen en angst. Bij drie van de vier benadeelden is objectief geestelijk letsel vastgesteld en is een traumabehandeling gestart of zal dit op korte termijn starten. Voor [benadeelde partij 2] geldt dat zij pas recent wegens aanhoudende klachten een doorverwijzing via de huisarts heeft aangevraagd en er voor haar nog geen diagnose voor eventueel geestelijk letsel is gesteld. Gelet op de ernst van de omstandigheden is er in haar geval ondanks het ontbreken van een objectief vast te stellen diagnose ook sprake van een aantasting in haar persoon op andere wijze.
Het voorgaande betekent dat de benadeelde partijen op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek recht hebben op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.
Op grond van de door ieder van de benadeelde partijen gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid voor alle benadeelden op
€ 4.500,-.Dit bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 7 oktober 2025.
9.4.3.
Kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging
Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken, tot op heden begroot op nihil.
9.4.4.
Schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde partij 1]
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [benadeelde partij 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van in totaal:
€ 7.109,42(€ 2.609,42. + € 4.500,-), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 voor € 4.500,-, vanaf 25 oktober 2025 voor € 23,01 en vanaf 31 maart 2026 voor € 2.586,41.
[benadeelde partij 2]
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [benadeelde partij 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van in totaal
€ 4.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, te weten 7 oktober 2025.
[benadeelde partij 3]
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [benadeelde partij 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van in totaal:
€ 9.396,44(€ 4.896,44 + €4.500,-), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 voor € 4.500,-, vanaf 20 november 2025 voor € 23,44 en vanaf 31 maart 2026 voor € 4.873,-.
[benadeelde partij 4]
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [benadeelde partij 4] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van in totaal:
€4.906,12(€ 406,12 + €4.500,-), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 voor € 4.500,-, vanaf 10 november 2025 voor € 21,12 en vanaf 31 maart 2026 voor € 385,-.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14c, 14c, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte,
groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijd van 3 jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
-
Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] .
-
Opname in een zorginstelling
Dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd voor 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen en behandelen in een FPA of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing
-
Ambulante behandeling
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant Centrum Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
-
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
-
Meewerken aan middelencontrole
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek / ademonderzoek / speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in art. 14c, zesde lid, van het Wetboek van strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 1]toe tot een bedrag van
€ 2.609,42(
tweeduizend zeshonderdnegen euro en tweeënveertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en
€ 4.500,- (vierduizend vijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 voor € 4.500,-, vanaf 25 oktober 2025 voor € 23,01 en vanaf 31 maart 2026 voor € 2.586,41 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan
[benadeelde partij 1]voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van
[benadeelde partij 1]aan de Staat
€ 7.109,42(
zevenduizend honderdnegen euro en tweeënveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2025 voor € 4.500,-, vanaf 25 oktober 2025 voor € 23,01 en vanaf 31 maart 2026 voor € 2.586,41 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 2]toe tot een bedrag van
€ 4.500,- (vierduizend vijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (7 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan
[benadeelde partij 2]voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van
[benadeelde partij 2]aan de Staat
€ 4.500,- (vierduizend vijfhonderd euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (7 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
45 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 3]toe tot een bedrag van
€4.896,44(
vierduizend achthonderd zesennegentig euro en vierenveertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en
€ 4.500,- (vierduizend vijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 voor € 4.500,-, vanaf 20 november 2025 voor € 23,44 en vanaf 31 maart 2026 voor € 4.873,- tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan
[benadeelde partij 3]voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van
[benadeelde partij 3]aan de Staat
€ 9.396,44 (negenduizend driehonderd zesennegentig euro en vierenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2025 voor € 4.500,-, vanaf 20 november 2025 voor € 23,44 en vanaf 31 maart 2026 voor € 4.873,- tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
71 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 4]toe tot een bedrag van
€ 406,12(
vierhonderd zes euro en twaalf eurocent) aan vergoeding van materiële schade en
€ 4.500,- (vierduizend vijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 voor € 4.500,-, vanaf 10 november 2025 voor € 21,12 en vanaf 31 maart 2026 voor € 385,- tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan
[benadeelde partij 4]voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van
[benadeelde partij 4]aan de Staat
€4.906,12 (vierduizend negenhonderd zes euro en twaalf eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2025 voor € 4.500,-, vanaf 10 november 2025 voor € 21,12 en vanaf 31 maart 2026 voor € 385 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
49 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mrs. B.C. Langendoen en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.
[…]

Voetnoten

1.Forensisch onderzoek [adres 1] p. Z29 en Z34.
2.Proces-verbaal verhoor getuige [persoon 1] p. Z20 en proces-verbaal verhoor getuige [persoon 2] p. Z22.
3.Aangifte [benadeelde partij 1] p. Z81-Z82 en aangifte [benadeelde partij 4] .
4.Proces-verbaal bevindingen buurtonderzoek p. Z6-Z7.
5.Forensisch onderzoek [adres 1] p. Z33-Z34.
6.Forensisch onderzoek [adres 1] p. Z34.
7.Proces-verbaal van bevindingen p. Z1-Z2, politieverhoor van verdachte p. 17 en verklaring verdachte ter terechtzitting 10-4-26.