Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4859

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
12002007 WM VERZ 25-21396
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 160 WVW 1994Art. 2, derde lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete wegens niet tonen origineel rijbewijs op eerste vordering

Betrokkene werd op 20 september 2024 staande gehouden wegens vermoedelijk langzaam rijden en werd verzocht zijn rijbewijs te tonen. Hij toonde een foto van zijn rijbewijs op zijn telefoon, maar niet het originele fysieke rijbewijs. De verbalisant stelde vast dat betrokkene niet op eerste vordering het rijbewijs ter inzage gaf, wat een overtreding is volgens de Wegenverkeerswet 1994.

Betrokkene voerde aan dat hij het rijbewijs thuis had laten liggen omdat hij niet van plan was te rijden, maar dat hij wel direct een foto toonde. Hij stelde ook dat hij student is en beperkte financiële middelen heeft. De officier van justitie en de rechtbank oordeelden dat het tonen van een foto niet voldoet aan de verplichting om het originele rijbewijs fysiek te tonen op eerste vordering.

De rechtbank overwoog dat de controlebevoegdheid van de politie rechtmatig was uitgeoefend en dat de sanctie conform de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften terecht is opgelegd. Er waren geen bijzondere omstandigheden die matiging van de boete rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens het niet tonen van het originele rijbewijs op eerste vordering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. A.J. Wesdorp
zaaknummer: 12002007 WM VERZ 25-21396
beslissing van: 11 mei 2026
func.: 43837
Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 11 mei 2026 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

[betrokkene]

[adres]
verder: betrokkene
welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 5 maart 2025 en is gericht tegen de beslissing van 20 februari 2025 van de
officier van justitie(verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004.

CJIB-nummer: [nummer]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 29 september 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft [naam] van My Legal Consultancy B.V. tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene vervolgens zelf beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 11 mei 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet bij de zitting verschenen.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep ongegrond is.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten niet op eerste vordering het rijbewijs behoorlijk ter inzage te hebben afgegeven. Deze overtreding is geconstateerd op 20 september 2024 om 01:38 uur op de Vlothavenweg te Amsterdam.
2. Het beroep is tijdig ingesteld.
3. Betrokkene voert tegen de beslissing van verweerder aan dat hij met zijn neef en twee vrienden uit eten was geweest in Amsterdam. Zijn neef had tijdens het diner hoofdpijn gekregen en vroeg of betrokkene hem naar zijn huis in [plaats] wilde rijden. Aangezien betrokkene niet van plan was geweest die dag te rijden, had hij zijn portemonnee waar zijn rijbewijs in zat thuis laten liggen. Daarom kon betrokkene, toen hij werd staande gehouden vanwege ‘verdacht langzaam rijden’, zijn fysieke rijbewijs niet tonen. Hij had echter wel een duidelijke foto van zijn rijbewijs op zijn telefoon, die hij direct aan de agent heeft laten zien. De agent scande het rijbewijs en nam de tijd om het te controleren.
Betrokkene maakt bezwaar tegen de onderhavige boete, omdat hij zijn rijbewijs aantoonbaar in zijn bezit had. De agent heeft het rijbewijs kunnen controleren aan de hand van de foto. Bovendien was de tweede agent die er bij was verbaasd dat betrokkene een boete kreeg, omdat betrokkene zijn rijbewijs wel digitaal kon tonen.
Verder stelt betrokkene dat hij beperkte financiële middelen bezit, omdat hij student is. De boete vormt een extra financiële last.
4. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Politieambtenaren beschikken over een discretionaire bevoegdheid op grond waarvan zij een zekere vrijheid hebben om te bepalen of zij in een concreet geval al dan niet een sanctie opleggen.
5. Het volgende wordt overwogen.
6. De verbalisant verklaart in het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht dat betrokkene niet op eerste vordering het rijbewijs ter inzage heeft afgegeven.
De verbalisant verklaart verder dat een staandehouding heeft plaatsgevonden mede ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde bepalingen.
Betrokkene is bij de staandehouding de cautie verleend. Betrokkene gaf aan geen verklaring te willen afleggen.
7. Vooropgesteld moet worden dat het uitoefenen van controlebevoegdheden als bedoeld in artikel 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 verband dient te houden met de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 gegeven voorschriften (vgl. HR 26 november 1957, NJ 1958/351). Indien daadwerkelijk inzage is gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren van het voertuig, mag worden aangenomen dat de bevoegdheden van artikel 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 zijn uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften. Zolang een dergelijke controlebevoegdheid is uitgevoerd door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, is die uitoefening derhalve in beginsel rechtmatig.
8. Artikel 160 van Pro de WVW 1994 regelt het toezicht dat, of de controle die, wordt verricht om na te gaan of de regels gesteld bij of krachtens de WVW 1994 worden nageleefd. In dit kader is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht om bij een controle het rijbewijs ter inzage af te gegeven, zodat op eenvoudige wijze de gegevens kunnen worden gecontroleerd. Met de term ‘op eerste vordering’ wordt beoogd weggebruikers duidelijk te maken dat aan de desbetreffende vordering onverwijld gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbrenging van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de opsporingsambtenaar tot herhaling van zijn vordering zou worden genoopt (vgl. Hoge Raad, 4 mei 1965, NJ 1965, 294). Uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat betrokkene niet onverwijld gevolg heeft gegeven aan de vordering van verbalisant om zijn rijbewijs te tonen. Dat betrokkene wel een foto van zijn rijbewijs op zijn telefoon heeft getoond, doet hier niet aan af. Een bestuurder is verplicht om het originele rijbewijs fysiek bij zich te hebben als er wordt gereden. Nu het tonen van het rijbewijs niet op eerste vordering is gebeurd, is de gedraging komen vast te staan. De sanctie is terecht opgelegd.
9. Op grond van artikel 2, derde lid, Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen brengt met zich dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om in een individueel geval van het vastgestelde tarief af te wijken. Daarbij geldt wel dat betrokkene feiten en omstandigheden naar voren moet brengen en zo nodig aannemelijk moet maken, die reden kunnen zijn om de boete te matigen, dan wel dat dergelijke omstandigheden voldoende zijn gebleken. Dat is hier niet het geval. Dat betrokkene student is, is daartoe onvoldoende. Er is dus geen reden voor matiging van de boete.
10. Daarom wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:
- verklaart het beroep ongegrond.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u
binnen zes wekenna de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk,
tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.