Op 2 mei 2025 werd verdachte samen met anderen betrapt op het medeplegen van het bezit van twintig handgranaten, vier (semi)automatische vuurwapens, een geluidsdemper, munitie en vuurwapenonderdelen. Tevens werd hem poging tot medeplegen ten laste gelegd voor het doen uitgaan van deze wapens richting de Nederlands-Belgische grens.
Tijdens de terechtzitting op 9 januari 2026 bekende verdachte de feiten, hoewel hij verklaarde niet betrokken te zijn geweest bij de preparatie van de koffer met wapens. De rechtbank oordeelde dat verdachte zich willens en wetens blootstelde aan de kans dat hij meer dan de toegezegde twee pistolen vervoerde, en achtte hem medepleger.
De rechtbank nam diverse proces-verbalen en verklaringen in overweging en sprak verdachte vrij van het bezit van een kolf die niet onder de Wet wapens en munitie valt. Gelet op de ernst van de feiten, de omvang van het wapenarsenaal en het strafblad van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van drie jaar op, met aftrek van voorarrest.