Eiseres betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden van haar woning voor de belastingjaren 2023, 2024 en 2025, die waren gebaseerd op haar eigen aankoopprijs. Zij voerde aan dat de koopsom niet marktconform was vanwege overlast, gebreken en andere omstandigheden rondom de woning.
De rechtbank oordeelde dat de aankoopprijs, ondanks de genoemde omstandigheden, een betrouwbare indicatie van de marktwaarde vormt en dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarden niet te hoog had vastgesteld. De bezwaren tegen de waardebeschikkingen werden daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast stelde eiseres een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedures. De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn in twee van de drie procedures was overschreden en kende een schadevergoeding toe van in totaal € 1.500,-, verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat.
De rechtbank wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af en gaf een toelichting op de mogelijkheden tot hoger beroep.