Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4947

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/13/780895 / FA RK 25-9934
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:277 BWArt. 1:278 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herstel van ouderlijk gezag wegens belangen minderjarige en zorgelijke situatie moeder

De moeder verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag over haar minderjarige zoon te herstellen, nadat dit in 2019 was beëindigd wegens haar psychiatrische problematiek. De minderjarige woont sinds de uithuisplaatsing bij zijn oma en heeft angst voor omgang met de moeder. De moeder stelt dat haar situatie gestabiliseerd is en dat zij voldoende draagkracht heeft om voor haar zoon te zorgen.

De gezinsvoogd (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming verzetten zich tegen het verzoek. Zij wijzen op de blijvende onvoorspelbaarheid van het gedrag van de moeder, haar recente detentie wegens brandstichting en het feit dat de minderjarige alleen onder begeleiding contact wil. De GI benadrukt dat het belang van het kind centraal staat en dat het forceren van omgang schadelijk kan zijn.

De rechtbank concludeert dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor herstel van het gezag. De moeder heeft onvoldoende aangetoond duurzaam in staat te zijn de zorg en opvoeding te dragen. Het belang en de wensen van de minderjarige, die een veilige omgeving bij zijn oma heeft, prevaleren. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag wordt afgewezen vanwege het belang van de minderjarige en de zorgelijke situatie van de moeder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/780895 / FA RK 25-9934 (HH/WvL)
Beschikking van 15 mei 2026 betreffende wijziging van het gezag en omgang
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. C.M. Sent te Amsterdam,
tegen
JEUGDBESCHERMING REGIO AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
[locatie 1] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder ingekomen op 23 december 2025,
- het verweerschrift met bijlagen van de GI van 22 april 2026, ingekomen op 23 april 2026.
1.2.
De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 1 mei 2026.
Verschenen zijn:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat,
- [persoon 1] namens de GI,
- [persoon 2] (gedragsdeskundige),
- de heer [persoon 3] namens de Raad.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld afzonderlijk door de rechter te worden gehoord, maar heeft daarvan afgezien. Hij heeft via de GI laten weten een gesprek als te belastend te ervaren en dat hij zich op dit moment prettig voelt in zijn huidige woonsituatie bij zijn oma.

2.De feiten

2.1.
De moeder is de moeder van: [minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011.
2.2.
De GI is sinds 26 juni 2014 bij [minderjarige] betrokken, eerst in het preventief kader en vanaf 19 juni 2019 in het kader van de uitvoering van zijn ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Sinds de uithuisplaatsing woont [minderjarige] bij oma mz.
2.3.
Bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 22 september 2020 is de beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2019 bevestigd, waarbij het ouderlijk gezag van de moeder is beëindigd wegens de diagnose schizofrenie en psychoses. De GI is benoemd tot voogd over [minderjarige] .
2.4.
De moeder is op 29 maart 2026 aangehouden. Zij wordt verdacht van brandstichting in haar eigen woning. Zij is thans in voorlopige hechtenis. Sinds 29 maart 2026 staat zij in de GBA ingeschreven in Luxemburg.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De moeder verzoekt primair op grond van artikel 1:277 BW Pro het gezag over [minderjarige] te herstellen, te bepalen dat daarmee haar gezag wordt hersteld en het gezag van de GI over [minderjarige] wordt beëindigd en een zorg- en opvoedingsregeling vast te stellen waarin [minderjarige] (al dan niet tijdelijk) zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft met een passende zorgregeling ten aanzien van de overige betrokkenen waarbij het contact met oma mz. in stand blijft. Subsidiair verzoekt de moeder op grond van artikel 1:278 BW Pro een proeftijd te bepalen van zes maanden gedurende welke [minderjarige] bij de moeder zal verblijven, onder begeleiding van de GI waarna de rechtbank – na rapportage van de GI – opnieuw zal beslissen over herstel in het gezag.
3.2.
De GI heeft zich verweerd tegen het verzoek.

4.De standpunten

de moeder
4.1.
Het contact met [minderjarige] is tot heden zeer beperkt. Het is de moeder niet duidelijk waarom de GI niet inzet op uitbreiding van de omgang en werkt aan veiliger hechting. Het contact met [minderjarige] bestaat uit twee keer per maand een uur en een kwartier begeleide omgang op een door [minderjarige] gekozen locatie op basis van afspraken met de GI en oma mz. De omgangsmomenten verlopen goed. De moeder heeft al langere tijd geen psychoses meer en heeft haar leven weer opgepakt. Sinds 2019 is de moeder in behandeling bij FACT Mentrum [locatie 2] . Zij is trouw haar afspraken nagekomen, is welwillend en meewerkend geweest in het nemen van de nu afgebouwde medicatie, ondanks bijwerkingen. De behandelaren zijn uitsluitend positief over haar houding gedurende het drie jaar durende behandeltraject. De moeder woont zelfstandig en heeft een baan. Zij heeft voldoende draagkracht om weer voor [minderjarige] te zorgen. De GI doet echter weinig of niets om de omgang uit te breiden en stelt daar zware beperkingen aan. Er is geen regeling of een plan voor het toewerken naar herstel van de ouderlijke band en het gezag. De moeder heeft het gevoel dat zij hierin door de GI wordt tegengewerkt. Dat is niet in het belang van [minderjarige] . Er is thans sprake van stabiliteit op alle levensgebieden bij de moeder. De psychiatrische problematiek van destijds is inmiddels dusdanig gestabiliseerd dan wel volledig beëindigd en behandeld dat deze de uitoefening van het gezag en het herstel van vertrouwen niet in de weg zou mogen staan. De afgelopen drie jaren heeft de moeder geen crisissituaties gekend, is niet opgenomen geweest en zij functioneert in het dagelijks leven stabiel voor wat betreft wonen, werk en sociale contacten. De moeder beschikt over voldoende inkomen voor de noodzakelijk kosten van levensonderhoud van haarzelf en [minderjarige] . Zij heeft ook een ondersteunend netwerk van haar partner, haar oudere dochter en andere directe familieleden. De omgang is tot het uiterste minimum beperkt gebleven omdat [minderjarige] angstig voor de moeder zou zijn. De moeder ziet dat echter niet terug bij de omgang. Doordat de omgang altijd begeleid is, is er nooit ruimte om echt te ontspannen. [minderjarige] wordt zo ook bevestigd in het idee dat de moeder gevaarlijk of onberekenbaar zou zijn. Dat maakt dat de moeder boos en verdrietig is en blijft en soms ook overeenkomstig die gevoelens en niet altijd even meewerkend reageert. Deze cirkel moet doorbroken worden. Het is voor [minderjarige] van belang dat niet alleen wordt meebewogen met zijn veronderstelde angsten. Er moet voldoende aandacht zijn voor het hechtingsproces, ook voor de toekomst. Herstel van het gezag draagt daaraan bij. Ook gelet op de leeftijd van [minderjarige] is het voor de moeder steeds lastiger om te accepteren dat zij niet is betrokken bij belangrijke beslissingen over [minderjarige] . Aanvankelijk werd erop ingezet dat [minderjarige] zou praten met de hoofdbehandelaar van de moeder om meer vertrouwen te krijgen. Daar is vanaf gezien omdat [minderjarige] daaraan geen behoefte had. Een jongen van zijn leeftijd is echter niet in staat de gevolgen op de langere termijn van de huidige situatie te overzien, ook als bijvoorbeeld oma zou wegvallen. Herstel van het gezag betekent dat de hechtingsrelatie weer daadwerkelijk ingezet kan worden. De moeder is nu een figurant in het leven van [minderjarige] en dat is funest voor de hechting op de langere termijn. De duidelijkheid die [minderjarige] moet ervaren dat de moeder haar verantwoordelijkheid heeft genomen ondersteunt de verwerking van eventueel opgelopen trauma bij [minderjarige] en bevordert een gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling. De moeder voldoet aan de eis van duurzame opvoedgeschiktheid als bedoeld in artikel 1:277 BW Pro. Gelet op de feiten en omstandigheden is voortduring van de huidige situatie niet langer in het belang van [minderjarige] .
Bij de mondelinge behandeling is het verzoek gehandhaafd. De moeder wil beweging brengen in de omgang. Zij heeft regelmatig om meer en ook onbegeleide omgang verzocht. De huidige omgang is veel te weinig voor het vergroten van de hechting. [minderjarige] is nog een puber die eigenlijk geen verandering wil. Het bevorderen van het contact tussen een ouder en het kind is belangrijker dan de wens van een kind op de leeftijd van [minderjarige] . Op zijn leeftijd kan hij de gevolgen van het ontbreken van omgang nog niet overzien. Als hij volwassen is, is hij vervreemd van de moeder. Soms mag je een puber best wat meer pushen. Het verzoek is gedaan omdat de moeder zonder gezag geen invloed op de omgang heeft. De huidige situatie maakt het echter wel lastig.
De moeder heeft verklaard dat zij zich in Luxemburg heeft ingeschreven vanwege een woningruil, maar die is onverhoopt niet doorgegaan vanwege haar detentie. De moeder is van mening dat zij het gezag wel kan uitoefenen. Zij heeft een stabiel leven, een baan en zij kan hybride werken. De uithuisplaatsing van [minderjarige] destijds was ongegrond. Daardoor is haar leven en haar gezin uit elkaar gehaald. Volgens de moeder is er van alles aan de hand. Er zijn bijvoorbeeld allerlei machtsstructuren die haar belagen. Er wordt ten onrechte gedaan of haar geestelijke gezondheid niet in orde zou zijn. De moeder heeft ook ontdekt dat zij in beeld zijn gekomen bij een occulte organisatie die banden heeft met [persoon 4] . De moeder heeft het plan met [minderjarige] en haar dochter in Luxemburg te gaan wonen. De moeder wil in goed overleg met haar moeder meer omgang en ook logeren. Er is geen gegronde reden om [minderjarige] van haar weg te houden. Zij kent [minderjarige] niet goed, maar als hij zegt angst te hebben, dan neemt zij dat serieus. De moeder acht zichzelf het best in staat hem op te voeden, maar voor het gezin is wel therapie nodig.
de GI
4.2.
[minderjarige] doet het goed op school en hij maakt bij oma een positieve ontwikkeling door. Hij heeft met haar een veilige gehechtheidsrelatie. Hij en de moeder hebben twee keer per maand begeleide omgang voor de duur van één uur en een kwartier. De omgang wordt afwisselend begeleid door Levvel Pleegzorg en door oma. [minderjarige] ervaart een belasting in de ouder-kind interactie. De GI kan niet vaststellen of dit is vanwege gebeurtenissen in het verleden of in het heden. Voor een goed verloop van de omgang is aanwezigheid van een derde wenselijk en bovendien heeft [minderjarige] zelfs duidelijk aangegeven dat hij dat prettig vindt. Toewijzing van het verzoek is niet in het belang [minderjarige] . De moeder is bovendien niet in staat de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van [minderjarige] te dragen. De GI is het niet eens met de stelling van de moeder dat haar situatie volledig is gestabiliseerd en dat de ernstige problematiek uit het verleden sterk is verminderd. Tot aan 14 augustus 2025 was haar laatste zorgmachtiging van kracht. Haar behandelaars bij FACT Mentrum, hebben verzocht om een nieuwe zorgmachtiging, omdat sprake was van een terugval bij de moeder, zij het advies haar medicatie te blijven gebruiken niet opvolgde en evenmin het advies om in elk geval onder behandeling te blijven tot december 2025. Het verzoek tot een nieuwe zorgmachtiging is afgewezen. Bij FACT Mentrum is het dossier gesloten. De GI kan geen oordeel geven over de actuele geestelijke toestand van de moeder, maar maakt zich zorgen omdat de adviezen van de behandelaars niet zijn opgevolgd in combinatie met opvallende gedragingen. De moeder heeft zich op 12 maart 2026 beschuldigend uitgelaten over de omgang van [minderjarige] met zijn negenjarige nichtje. Hij heeft daarop de omgang op 12 maart 2026 in het bijzijn van Levvel geannuleerd, evenals een gesprek daarover op 27 maart 2026. In het weekend van 27 en 29 maart 2026 is de moeder onverwachts aan de deur geweest bij oma en zij eiste om [minderjarige] te zien of te spreken. Zij is steeds weggestuurd maar bleef aandringen. Op 29 maart 2026 is zij aangehouden voor brandstichting in haar eigen woning en zij heeft zich in Luxemburg ingeschreven bij de GBA. Het is een misvatting van de moeder dat als zij wordt hersteld in het ouderlijk gezag, de gehechtheidsrelatie met [minderjarige] wordt bevorderd. Ouderlijk gezag heeft geen enkele invloed op de opvoedkwaliteiten en de ouder-kindrelatie. Herstel van het gezag zorgt ook niet voor het bevorderen van de gehechtheidsrelatie. Daarvoor is het nodig dat een ouder voorspelbaar, sensitief en responsief op het kind reageert. Psychische problemen bij een ouder kunnen bijdragen aan het ontstaan van een onveilige gehechtheid. Daarnaast kan die ouder angstig of bedreigend gedrag hebben laten zien. Bij [minderjarige] kan door de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden angst zijn ontstaan voor de moeder. Er moet eerst aandacht zijn voor het gevoel van onveiligheid bij [minderjarige] voordat er gewerkt kan worden aan de gehechtheidsrelatie tussen hem en de moeder. Bij de voortgang van de contactmomenten moet het belang van [minderjarige] centraal staan. Voor de wens van de moeder de omgang uit te breiden heeft de GI wel degelijk aandacht gehad. Dat is op 14 februari 2025 uitgebreid met de moeder besproken. De GI heeft aan de moeder laten weten dat [minderjarige] geen wijziging wil in de omgang qua frequentie, duur en vormgeving van de omgang, omdat hij bang was dat het mis zou gaan en omdat er bij hem een bepaalde mate van angst was ontstaan in het contact met de moeder door het verleden. De moeder heeft op 6 maart 2025 ingestemd met het plan van de GI om te proberen de angst en mogelijke trauma’s bij [minderjarige] te verminderen en ruimte te creëren voor contactherstel. Op 10 juni 2025 is door de behandelaar van de moeder met [minderjarige] gesproken. De psychiater kon het gevoel van angst in het contact met de moeder bij [minderjarige] echter niet wegnemen. Op 12 februari 2026 is een traject begonnen waarbij specialistische hulp is ingezet voor [minderjarige] om steun te bieden bij het verminderen van angstgevoelens. In de afgelopen periode is gebleken dat de omgang niet altijd zonder problemen verloopt omdat de moeder niet altijd voorspelbaar is in haar gedrag. Op 17 oktober 2025 zou de omgang plaatsvinden bij een gamehal. De moeder wilde een andere plaats, maar [minderjarige] wilde dat niet. De omgang is toen niet doorgegaan en de moeder is naar de woning van oma gereden tegen de afspraak in. Dat riep bij [minderjarige] gevoelens van onveiligheid en verwarring op. Voorspelbaarheid is voor hem essentieel. De omgang is daarop stilgelegd en er heeft een gesprek met de moeder plaatsgevonden. Het was de wens van de GI en Levvel nieuwe veiligheidsafspraken te maken, maar de moeder was het daarmee niet eens. De omgang is wel hervat, maar met een tweede begeleider.
Naar aanleiding van de beschuldigende uitspraken van de moeder over de omgang van [minderjarige] met zijn nichtje, heeft op 27 maart 2026 een gesprek plaatsgevonden. De moeder eiste de aanwezigheid van [minderjarige] , maar hij wilde dat niet. Het gesprek is geannuleerd door de moeder. Tot een nieuw gesprek is het niet gekomen omdat de moeder op 29 maart 2026 voor brandstichting is gearresteerd. Op 25 maart 2026 heeft [minderjarige] zijn deelname aan het traject beëindigd. Hij heeft aan iHub laten weten dat het te veel voor hem werd.
De moeder heeft gesteld dat te gemakkelijk aan de bezwaren van [minderjarige] tegemoet wordt gekomen, maar de GI is van mening dat het opvoeren van de druk bij hem niet in zijn belang is. Dit zou de kwetsbare verhouding tussen [minderjarige] en de moeder alleen maar verder schaden. Het helpt daarbij niet dat de moeder niet wil erkennen dat in het verleden in het onderlinge contact nare dingen hebben plaatsgevonden waarvan [minderjarige] nog steeds last ondervindt. De GI beschouwt de wensen van [minderjarige] ten aanzien van de omgang niet als pubergedrag. Het is niet werkbaar een jongere te forceren. Je moet hem ook geen negatieve ervaring met de hulpverlening opdringen. Door deze procedure wordt de relatie tussen [minderjarige] en oma ook onder druk gezet en de toch al kwetsbare relatie van hem met de moeder loopt alleen verdere schade op. Voor wat betreft psychische gesteldheid van de moeder, heeft de GI verwezen naar de in het verweerschrift gegeven voorbeelden. Er is geen aanleiding voor nader onderzoek door de Raad. Er is voldoende informatie voorhanden. Het perspectief van [minderjarige] is al bepaald bij oma. Onderzoek door de Raad zou alleen maar schadelijk zijn.
de Raad
4.3.
Niet valt in te zien op welke wijze terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en herstel van haar gezag aansluiten bij de situatie waarin [minderjarige] zich op dit moment bevindt. De Raad kan nader onderzoek instellen, maar het is de vraag of daarvoor voldoende informatie boven water zal komen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten voor het herstel van het gezag van de moeder zoals bepaald is in artikel 1:277 BW Pro. Het verzoek is ingegeven door de wens van de moeder vooral ten aanzien van uitbreiding van de omgang, maar houdt op geen enkele wijze rekening met het belang van [minderjarige] . Hij woont al bijna acht jaar bij oma en zijn perspectief is bij haar bepaald. Zijn ontwikkeling bij oma verloopt positief. Hij gaat in [plaats] naar school, loopt stage en heeft daar zijn sociale leven. Hij heeft angst voor omgang met de moeder, waarschijnlijk gebaseerd op zijn ervaringen in het verleden met haar psychiatrische problematiek maar kennelijk ook door het nog steeds aanwezige onvoorspelbare gedrag van de moeder. De GI heeft recente voorbeelden van dat gedrag gegeven, die door de moeder niet zijn weersproken. [minderjarige] wil alleen onder begeleiding contact met de moeder. De moeder wil daarmee geen rekening houden, maar er was voldoende aanleiding om [minderjarige] te laten deelnemen aan een traject voor zijn angsten. Zijn wensen ten aanzien van de omgang kunnen niet worden afgedaan als het gedrag van een puber en het is ook niet juist dat de GI daaraan te veel ruimte geeft. De rechtbank gaat ook niet mee in de stelling van de moeder dat de GI geen rekening heeft willen houden met de wens van de moeder tot meer omgang. De GI heeft diverse initiatieven genomen, maar door het gedrag van de moeder hebben die nog niet tot meer of tot onbegeleide omgang geleid. Het is wel heel belangrijk dat de begeleide omgang op regelmatige basis doorgaat en dat de moeder daaraan goed medewerking verleent. Dat zou de beste bijdrage zijn om het contact met [minderjarige] te verbeteren.
Over de huidige geestelijke gesteldheid van de moeder is thans niets bekend, maar haar recente gedragingen zijn op zijn minst zorgelijk te noemen. Dat haar situatie is gestabiliseerd is daarom niet aannemelijk geworden. De moeder heeft geweigerd het advies van haar behandelaren te volgen om haar behandeling in het vrijwillig kader voort te zetten, waaronder het innemen van haar medicatie. Zij wordt thans verdacht van brandstichting en heeft zich zeer recent plotseling ingeschreven in Luxemburg, blijkbaar ook ingegeven door de wens om aldaar te gaan wonen met [minderjarige] en haar inmiddels meerderjarige dochter, de halfzus van [minderjarige] . Zij lijkt alleen aan haar eigen wensen en behoeftes te denken en geeft er geen enkele blijk van rekening te houden met de belangen van [minderjarige] en wat het voor hem betekent om volledig uit zijn omgeving te worden gehaald.
5.2.
Als gevolg van haar detentie, haar inschrijving in Luxemburg en andere gedragingen is op geen enkele wijze gebleken dat zij duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.
5.3.
Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. H.C. Hoogeveen, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. E. Dinjens in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 15 mei 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).