Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4948

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/13/783100 / FA RK 26-1083
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk ouderlijk gezag en vaststelling zorgregeling voor minderjarige

De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 mei 2026 een verzoek van de vader om gezamenlijk ouderlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige kind, geboren in 2022, en om een vaste omgangsregeling vast te stellen. De ouders hadden een relatie die in 2021 eindigde; de moeder oefent momenteel het eenhoofdig gezag uit en het kind woont bij haar.

De vader verzocht om een omgangsregeling waarbij het kind om de week van maandag na school tot zondagavond bij hem verblijft, inclusief afspraken over vakanties en verjaardagen. Tevens wilde hij het gezag gezamenlijk met de moeder uitoefenen. De moeder stemde in met het gezamenlijk gezag, maar vond het te vroeg om de omgangsregeling aan te passen vanwege de aanstaande schoolstart en andere veranderingen voor het kind.

De rechtbank oordeelde dat er geen contra-indicaties waren tegen gezamenlijk gezag en dat het verzoek daartoe toegewezen kon worden. De omgangsregeling werd niet volledig toegewezen, maar de huidige regeling, waarbij het kind om de twee weken van woensdag tot zaterdag bij de vader verblijft, werd als zorgregeling vastgesteld. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt toegewezen en de zorgregeling vastgesteld met verblijf bij de vader om de twee weken.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/783100 / FA RK 26-1083 (HH/WvL)
Beschikking van 15 mei 2026 betreffende gezag en zorgregeling
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R.G.E. de Vries te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van de man met producties van 9 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026.
Gehoord zijn:
- de man bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad van augustus 2018 tot september 2021, welke relatie is beëindigd.
Uit deze relatie is geboren:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022.
Deze minderjarige is erkend door de man. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag. [minderjarige] woont bij de vrouw.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De man verzoekt een regeling te treffen inzake de omgang met [minderjarige] , te weten om de ene week van maandag na school tot zondag 19.00 uur. De man zal [minderjarige] op voornoemde tijdstippen afhalen en ook terugbrengen. Tevens wenst de man een gepaste regeling met [minderjarige] gedurende de feest- en vakantiedagen en gedurende de verjaardagen van de man. Voorts verzoekt de man te bepalen dat het éénhoofdig ouderlijk gezag van de vrouw over [minderjarige] wordt gewijzigd in het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] .
4. De standpunten
de man
Er is nog steeds geen vaste omgangsregeling getroffen. De man is gehouden aan de grillen van de vrouw en heeft slechts contact met [minderjarige] wanneer het de vrouw uitkomt. De vrouw wil niet meewerken aan een vaste regeling. Het is in het belang van [minderjarige] dat zijn band met de man niet wordt verbroken. Voor een reis naar Aruba van 22 december 2025 tot en met 13 februari 2026 van de man, zijn huidige partner en [minderjarige] had de vrouw aanvankelijk toestemming verleend. Zonder enige toelichting of motivatie heeft de vrouw die toestemming ingetrokken, en dit heeft geleid tot enorme paniek bij hem dat dit voor [minderjarige] een enorme teleurstelling zou zijn. Na tussenkomst van de advocaat van de man, heeft de vrouw alsnog toestemming verleend. De man is voorts van mening dat tussen partijen een gezonde volwassenen relatie bestaat waarbij gezamenlijk gezag is geïndiceerd. Over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zijn in samenspraak structurele oplossingen mogelijk. De communicatie tussen partijen is goed. Er is geen gegronde vrees dat de belangen van [minderjarige] zullen worden verwaarloosd.
Bij de mondelinge behandeling is door de vader verklaard dat hij door het ontbreken van gezamenlijk gezag ook tegen praktische problemen aanloopt.
de vrouw
De vrouw heeft verklaard dat [minderjarige] binnenkort naar school gaat in [plaats] . Welke school dat is, is nog niet bekend. Na de meivakantie hoort zij of hij welllicht naar speciaal onderwijs moet. Op dit moment gaat [minderjarige] nog naar de kinderopvang, maar als hij naar school gaat verandert dat ook. Partijen hebben onderling omgang afgesproken. Die regeling loopt al vanaf vorig jaar. De vakanties worden in onderling overleg bij helfte verdeeld. De vrouw is tevreden met hoe de huidige omgang loopt. Zij is op termijn niet tegen het voorstel van de man, maar er zijn nu veel wijzigingen voor [minderjarige] , dus voor nu is het te vroeg. De man moet afspraken dan wel consistent nakomen. De vrouw werkt ook en betaalt alle kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De vrouw kan zich vinden in het verzoek van de man betreffende het gezamenlijk gezag.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 1:253 c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezamenlijk gezag met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk met het gezag te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt wordt het verzoek slechts afgewezen indien:
a. a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of
b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De vrouw heeft bij de mondelinge behandeling ingestemd met het gezamenlijk ouderlijk gezag. De rechtbank acht geen contra-indicaties aanwezig voor gezamenlijk gezag zoals genoemd in artikel 1:253c tweede lid BW en hiervoor beschreven. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat partijen niet in staat zijn in onderling overleg beslissingen over [minderjarige] te nemen en evenmin is gebleken dat afwijzing van het verzoek van de man om een andere reden in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het verzoek van de man tot het gezamenlijk uitoefenen van het gezag met de vrouw wordt dan ook toegewezen.
5.2.
De huidige in onderling overleg afgesproken omgang verloopt goed. [minderjarige] gaat dit jaar naar school en zal dan ook naar een andere BSO gaan, waardoor er veel voor hem veranderd. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de huidige regeling nu niet verandert. Als [minderjarige] wat ouder is kunnen partijen in overleg nog de zorgregeling uitbreiden of – als zij daar samen niet uitkomen - de rechtbank verzoeken een aangepaste regeling vast te leggen. Dit betekent dat het verzoek van de man betreffende de zorgregeling niet kan worden toegewezen. Omdat beide partijen graag zien dat een zorgregeling wordt vastgelegd zal de rechtbank de huidige regeling als het mindere van de gevraagde regeling toewijzen.
5.3.
Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.

6.De beslissing

De rechtbank:
- bepaalt dat voortaan aan de man en de vrouw gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022;
- draagt de griffier op om aantekening van deze beslissing te (laten) maken in het gezagsregister;
- stelt als zorgregeling vast dat [minderjarige] bij de man verblijft eenmaal in de twee weken van woensdag 18.00 uur tot zaterdag 18.00 uur, waarbij de man haalt en brengt en voorts de helft van de vakanties in onderling overleg af te stemmen;
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. H.C. Hoogeveen, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. E. Dinjens in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 15 mei 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).