ECLI:NL:RBAMS:2026:4971

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/13/783703 / JE RK 26-143; C/13/783701 / JE RK 26-142
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • K. Duker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarigen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 maart 2026 verzoeken tot verlenging van ondertoezichtstelling voor vier minderjarigen en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van één van hen. De verzoeken werden ingediend door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. De moeder van de kinderen was belanghebbende en werd bijgestaan door een advocaat. De minderjarigen werden uitgenodigd hun mening te geven, maar maakten hier geen gebruik van.

De feiten tonen aan dat de moeder belast is met het ouderlijk gezag over alle vier de kinderen, waarvan drie bij haar wonen en één uit huis geplaatst is bij een jeugdhulpaanbieder. De eerdere ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing liepen tot 4 maart 2026. De gecertificeerde instelling stelde dat de situatie sinds de vorige beschikking weinig was veranderd, met een disbalans tussen draagkracht en draaglast bij de moeder en spanningen binnen het gezin. De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd, en vrijwillige hulpverlening blijkt onvoldoende.

De moeder erkende de noodzaak van verlenging en gaf aan dat zij de opvoeding zonder hulp nog niet aankan. De rechtbank oordeelde dat aan de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing was voldaan. De beslissingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat ze direct van kracht zijn, ook bij hoger beroep. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing werden verlengd tot 4 maart 2027.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de duur van een jaar en verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/13/783703 / JE RK 26-143; C/13/783701 / JE RK 26-142
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over:
- een verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling (C/13/783703 / JE RK 26-143) en
- een verzoek tot een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing (C/13/783701 / JE RK 26-142)
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
in de procedure met zaaknummer C/13/783703 / JE RK 26-143:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
in de procedure met zaaknummer C/13/783701 / JE RK 26-142:
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
Mevr. [de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Aynan uit Amsterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Dhr. [de vader] , hierna te noemen de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [persoon 1] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] uitgenodigd om hun mening toe te lichten tijdens een gesprek of door middel van een brief. Zij zijn niet op dat aanbod ingegaan.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
2.3.
[minderjarige 4] verblijft bij [hulpinstantie] in [plaats] .
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 maart 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht gesteld tot 4 maart 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2025 een machtiging verleend [minderjarige 4] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 4 maart 2026.
2.6.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn erkend door de vader.

3.Het verzoek

in de procedure met zaaknummer C/13/783703 / JE RK 26-143
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
in de procedure met zaaknummer C/13/783701 / JE RK 26-142
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt daarnaast de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GIheeft onder verwijzing naar de stukken gepersisteerd bij de verzoeken. Er is sinds de vorige beschikking weinig veranderd. Er is bij de moeder nog steeds sprake van een disbalans tussen de lasten van de opvoeding van de kinderen en de draagkracht van de moeder. Het plan voor de ondertoezichtstelling is daarnaast door uitval van de vaste jeugdzorgmedewerker nog niet helemaal van de grond gekomen, waardoor de doelen nog niet behaald zijn. Het is soms moeilijk om afspraken te maken met de moeder maar ze is wel goed bereikbaar. Ook zijn er nog spanningen tussen de ouders onderling. De kinderen worden betrokken in de wensen van de vader ten aanzien van de opvoeding en worden zo getuige van de volwassenproblematiek tussen hen. Er moet gewerkt worden aan structuur en ondersteuning in de verzorging en opvoeding bij de beide ouders, onbelast contact bij de ouders en vaste omgang met de vader. Het is op dit moment niet duidelijk in hoeverre de vader daarvoor open staat. Op dit moment wordt hulp ingezet bij de moeder thuis. Het is niet duidelijk of de therapie daar ook kan plaatsvinden.
Er is sprake van spanning tussen [minderjarige 1] enerzijds en de moeder en [minderjarige 2] anderzijds. [minderjarige 1] woont op dit moment bij de oma om de situatie rustiger te krijgen. Er worden gesprekken gevoerd met hem om te proberen de bestaande conflict tussen hem en [minderjarige 2] op lossen. Het gaat ook minder goed op school en [minderjarige 1] komt regelmatig in contact met de politie. Er wordt overwogen om psychomotorische therapie in te zetten met de moeder erbij. [minderjarige 2] laat vooralsnog weinig los tegenover de GI en de gezinscoach. De gezinscoach voor [minderjarige 2] is inmiddels weg. Bij [minderjarige 3] is het ook niet duidelijk hoe het met hem gaat. Hij neemt gedrag over van [minderjarige 4] . Sinds [minderjarige 4] uit huis geplaatst is leert [minderjarige 3] meer woordjes te zeggen en te praten.
Met [minderjarige 4] gaat het goed, maar de plek waar hij op dit moment woont is niet toekomstbestendig. Dit terwijl [minderjarige 4] zich steeds meer gaat hechten aan die plek. Er wordt een analyse uitgevoerd door Cordaan om te kunnen bepalen waar [minderjarige 4] heen kan maar die laat op zich wachten. Het is voor [minderjarige 4] op dit moment niet mogelijk om terug te keren naar moeder. Gelet op de zorg voor de andere kinderen kan zij dat op dit moment niet aan.
4.2.
De moederheeft – ook bij monde van haar advocaat – aangegeven te begrijpen dat de GI het nodig vindt om de ondertoezichtstelling van de kinderen en de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 4] te verlengen. Het gezin heeft veel meegemaakt. De moeder ging door nadat het gezin als gevolg van de scheiding uit elkaar viel en de moeder kreeg niet de kans om dat te verwerken omdat ze voor de kinderen moest zorgen. De moeder is vorig jaar erg geschrokken van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing maar is nu meer comfortabel met het idee. Het is voor moeder op dit moment nog te veel om de opvoeding van de kinderen alleen, zonder hulp, op zich te nemen. [minderjarige 1] hoeft helemaal niet naar zijn vader toe, [minderjarige 3] gaat zelden naar zijn vader en [minderjarige 2] gaat – ondanks dat haar vader veel voor haar betekent – ook minder vaak naar haar vader. De moeder zou graag willen dat wordt vastgelegd wanneer de kinderen naar hun vader kunnen, maar de communicatie daarover met de vader verloopt stroef. De uithuisplaatsing van [minderjarige 4] en de ondertoezichtstelling biedt de moeder ook de kans om zelf de scheiding te verwerken en eventueel therapie te volgen.
Ten aanzien van [minderjarige 4] geldt dat hij bij [persoon 2] een-op-een aandacht krijgt. Hij heeft het daar leuk. Hij had bijvoorbeeld eerst moeite met eten maar proeft nu van alles. Hij wordt goed verzorgd. In het huis van de moeder kan die zorg hem nu niet worden geboden, aangezien dat constante aandacht vergt die hem door de zorg voor de andere kinderen nu niet kan worden gegeven.

5.De beoordeling

in de procedure met zaaknummer C/13/783703 / JE RK 26-143
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat ten aanzien van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en
[minderjarige 3] aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De doelen die bij beschikking van 4 maart 2025 zijn gesteld, zijn nog niet behaald. Bij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is in meer of mindere mate sprake van problemen in de ontwikkeling; ze hebben nog steeds een ondersteuningsbehoefte. Zo ervaren de kinderen problemen in hun gedrag, tegenover de moeder dan wel tegenover elkaar, en op school. Ook is nog geen sprake van een zodanige verhouding tussen de ouders waarbij zij kunnen communiceren over een veilige opvoedsituatie en ten behoeve daarvan de omgang kunnen regelen.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het gezin van de moeder heeft veel meegemaakt en de opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [persoon 3] heeft veel van de moeder gevraagd. Ondanks dat [minderjarige 4] niet meer bij moeder woont, is ook op dit moment sprake van een disbalans tussen de draaglast en de draagkracht van de moeder. Dat maakt dat ondersteuning en begeleiding ten behoeve van de opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op dit moment nog geboden is. Ook is de moeder nog niet toegekomen aan individuele hulp voor haarzelf. In de komende periode kan zij, op de dagen dat ze zich niet hoeft te richten op de opvoeding van haar kinderen, een begin maken met het adresseren van haar persoonlijke behoeften.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
in de procedure met zaaknummer C/13/783701 / JE RK 26-142
5.6.
De kinderrechter is van oordeel dat ook ten aanzien van [minderjarige 4] aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.7.
De ontwikkeling van [minderjarige 4] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 4] is een kwetsbare jongen met een grote zorgbehoefte, problemen met agressie en een ontwikkelingsachterstand. Op dit moment is het niet haalbaar om [minderjarige 4] bij de moeder terug te plaatsen, gelet op de veeleisende opvoedsituatie bij de moeder thuis en de grote zorgbehoefte van [minderjarige 4] . Bij [persoon 2] ontvangt hij de zorg die hij nodig heeft en is hij op zijn gemak. Op deze manier wordt ook de moeder ontlast zodat zij zich kan richten op de zorg en opvoeding van haar andere kinderen en op haar eigen behoeften. Het is belangrijk dat op korte termijn duidelijkheid komt over de volgende woonplek van [minderjarige 4] , zodat hij niet méér gehecht raakt aan zijn huidige plek dan hij al is en een band op kan bouwen met de begeleiders en de omgeving op zijn nieuwe plek.
5.8.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 4] voor de duur van een jaar. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding en de kinderrechter zal deze machtiging daarom ook verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. [3]
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
in de procedure met zaaknummer C/13/783703 / JE RK 26-143
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 4 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
in de procedure met zaaknummer C/13/783701 / JE RK 26-142
6.3.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 4] tot 4 maart 2027;
6.4.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 4 maart 2027;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door
mr. K. Duker, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T. Bongenaar en mr. M.E. Molhuysen als griffiers, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:260 BW Pro.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.