Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4986

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/13/784064 / JE RK 26-164
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot ondertoezichtstelling wegens ontwikkelingsbedreiging door gebrek aan omgang en opvoedsituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van twaalf maanden, vanwege een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Deze bedreiging is gelegen in het ontbreken van omgang met de vader, ondanks een eerder vastgestelde zorgregeling die niet werd nageleefd. Daarnaast bestaat er zorg over de cognitieve ontwikkeling van het kind en is er onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij de moeder, die onvoldoende meewerkt.

De vader steunde het verzoek en benadrukte dat de moeder alle beslissingen neemt en het kind bij de grootouders woont. De kinderrechter oordeelde dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld, omdat vrijwillige hulpverlening onvoldoende bleek en de situatie een directe interventie vereist.

De beschikking stelt de minderjarige onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam voor twaalf maanden, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaarheid bij voorraad. Dit betekent dat de maatregel direct geldt, ook bij hoger beroep. De beslissing is op 31 maart 2026 genomen en op 21 april 2026 schriftelijk vastgelegd.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en onvoldoende omgang met de vader.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/784064 / JE RK 26-164
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
Mevr. [de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Dhr. [de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Guman uit Amsterdam,
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- [persoon 1] namens de Raad;
- [persoon 2] namens de GI.
1.3.
De moeder is, hoewel daartoe op de juiste manier te zijn opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft met haar moeder bij haar grootouders aan moederzijde.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raadheeft onder verwijzing naar de stukken gepersisteerd bij het verzoek. Er is sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] die is gelegen in het gebrek aan omgang met haar vader. Kinderen hebben recht op omgang met hun ouders en het is ook belangrijk voor hun ontwikkeling. Het is niet bekend waarom die omgang niet plaatsvindt. De moeder werkt onvoldoende mee en zij is hier vandaag ook niet op de mondelinge behandeling verschenen. De ondertoezichtstelling wordt verzocht zodat ondersteuning en regie kan plaatsvinden met betrekking tot omgang. Op 23 februari 2022 is een zorgregeling vastgesteld waarin is vastgelegd dat er begeleide omgang zou plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] . Deze omgang zou moeten bestaan uit een uur per week in februari en maart, begeleid door de moeder of een derde. Elke daaropvolgende maand zou dat met een uur per week uitgebreid worden. Na twee maanden zou de omgang onbegeleid gaan plaatsvinden. Aan de regeling is alleen de eerste paar maanden uitvoering gegeven. Naast zorgen over de omgang met de vader bestaan er zorgen over de cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder reageert niet of niet volledig op pogingen tot contact vanuit de Raad, zodat de Raad geen zicht heeft op de opvoedsituatie bij de moeder thuis.
4.2.
De vaderheeft zich – ook bij monde van zijn advocaat – op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden toegewezen. De moeder werkte al kort na het vaststellen van de zorgregeling niet goed mee door afspraken niet na te komen en [minderjarige] niet te brengen. Ondanks dat sprake is van gezamenlijk gezag neemt de moeder alle beslissingen met betrekking tot [minderjarige] . [minderjarige] woont al sinds haar geboorte bij haar grootouders. De vader maakt zich zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Zo staat ze niet ingeschreven bij een huisarts. Ook op de schoolgang heeft de vader geen zicht. Het is niet bekend hoe het met zijn dochter gaat.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter overweegt daartoe dat [minderjarige] geen contact heeft met haar vader terwijl dit wel van groot belang is voor haar ontwikkeling. Ondanks dat in 2022 een zorgregeling is vastgesteld, wordt aan deze regeling geen uitvoering gegeven. De kinderrechter benadrukt dat hieraan zo snel mogelijk uitvoering moet worden gegeven. Tijdens de ondertoezichtstelling dient de GI daarop toe te zien en tevens de beide ouders en [minderjarige] daarin te begeleiden.
Daarnaast geldt dat nauwelijks zicht is op de opvoedomgeving van [minderjarige] , terwijl zorgen bestaan over haar ontwikkeling. Zij staat niet ingeschreven bij de huisarts en er is sprake van een achterstand op cognitief gebied. Tijdens de ondertoezichtstelling kan de GI inzicht krijgen in de opvoedsituatie van [minderjarige] en waar nodig ondersteunen en begeleiden.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de Raad – ondanks verschillende pogingen – niet is gelukt om met de moeder over de ontwikkelingsbedreiging in contact te treden.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van twaalf maanden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 31 maart 2026 tot 31 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door mr. I.M. Nusselder, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T. Bongenaar als griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.