ECLI:NL:RBAMS:2026:499

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
AMS 25/7170
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBeleidsregels VOG-NP-RP 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verklaring omtrent gedrag voor stage

Verzoekster diende een aanvraag in voor een verklaring omtrent gedrag (VOG) om haar stage en opleiding te kunnen afronden. Verweerder weigerde de VOG vanwege ernstige verdenkingen binnen de terugkijktermijn en een eerdere veroordeling buiten die termijn.

Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter erkende het spoedeisend belang vanwege het risico op uitschrijving van de opleiding, maar oordeelde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had.

Hoewel verzoekster positieve ontwikkelingen liet zien, zoals het afronden van een eerdere opleiding, een stabiele privésituatie en begeleiding door reclassering, woog het belang van de samenleving zwaarder. De verdenkingen van ernstige strafbare feiten en de eerdere voorlopige hechtenis waren doorslaggevend.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt en dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen risico's zwaarder woog dan het persoonlijke belang van verzoekster. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/7170

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K. Cras),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.W. van den Kieboom).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van verzoeksters aanvraag voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Verweerder heeft in redelijkheid de aanvraag voor een VOG kunnen afwijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Verzoekster heeft op 19 juni 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG voor vrijwilliger (stagiair) bij de [stichting] in [plaats] . Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 november 2025 afgewezen.
2.2.
Verzoekster heeft hiertegen op 17 november 2025 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Verweerder heeft op 23 december 2025 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
3.2.
Verzoekster heeft in dat kader naar voren gebracht dat zij zo spoedig mogelijk een VOG moet kunnen overleggen bij haar stageplek. Aangezien verzoekster dat niet kan als gevolg van het besluit van verweerder, kan zij haar stage niet afronden en wordt zij gedwongen om zich uit te schrijven van haar opleiding. Het spoedeisend belang is tussen partijen verder niet in geschil. Met partijen acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang met hetgeen is aangevoerd aanwezig.
Voorlopige rechtmatigheid
4.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
4.2.
Verweerder heeft bij de afwijzing van de aanvraag – kortgezegd – overwogen dat er binnen de terugkijktermijn van vier jaar een ernstige verdenking in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) voorkomt, dat zij eerder buiten de terugkijktermijn is veroordeeld en het algemeen belang van bescherming van de samenleving zwaarder moet wegen dan het persoonlijk belang van verzoekster.
4.3.
Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de beleidsregels). In de beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het JDS verweerder aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt verweerder of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt verweerder, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG toch moet worden afgegeven.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd (het objectieve criterium).
4.5.
De bezwaren van verzoekster zien op de toetsing aan het subjectieve criterium door verweerder. Zij meent dat verweerder onvoldoende gewicht toekent aan de omstandigheden waaronder de openstaande verdenkingen hebben plaatsgevonden, het tijdsverloop, haar persoonlijke situatie en de positieve ontwikkeling die verzoekster heeft doorgemaakt. Zij vindt daarom dat een VOG aan haar moet worden verleend zodat zij haar stage, en daarmee haar studie, kan afronden.
4.6.
Uit de beleidsregels blijkt dat verweerder een VOG kan afgeven op grond van het subjectieve criterium als het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG volgens verweerder zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. De volgende omstandigheden moeten volgens het beleid van verweerder altijd in die beoordeling worden betrokken, te weten de hoeveelheid antecedenten, de strafrechtelijke afdoening daarvan, het tijdsverloop sinds de aanvrager met justitie in aanraking is gekomen en het belang van de aanvrager bij de toekenning van de VOG.
4.7.
De voorzieningenrechter ziet dat er meerdere omstandigheden zijn die in het voordeel van verzoekster wegen. Verzoekster is een alleenstaande moeder en erkend slachtoffer van de Toeslagenaffaire. Desondanks heeft zij de Mbo-opleiding op niveau 2 ‘Helpende Zorg en Welzijn’ afgerond. Zij heeft zonder incidenten gewerkt in de zorg. Verzoekster is in november 2024 gestart met de Mbo-opleiding niveau 4 ‘Persoonlijk begeleider maatschappelijke zorg’. Op de zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij nog maar twee theoretische examens hoeft te doen en de stage om ook deze opleiding af te ronden. Verzoekster heeft inmiddels een zelfstandige woning en wordt begeleid door de gemeente bij haar financiën. Ook de reclassering is betrokken bij verzoekster in het kader van een schorsing in de lopende strafzaak vanwege de verdenkingen en is uitermate positief over de voortgang van het schorsingstoezicht; zij schat de kans op recidive bij verzoekster als laag in. Los van de verdenkingen, dateert de enige veroordeling van verzoekster uit 2014 vanwege een vermogensdelict, toen verzoekster minderjarig was. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de belangen van verzoekster bij de afgifte van de VOG. Het is ook positief dat verzoekster op het goede pad is en gemotiveerd is om aan haar toekomst te werken. Desondanks oordeelt de voorzieningenrechter wat betreft het subjectieve criterium dat het op voorhand niet onredelijk is dat verweerder de belangenafweging in verzoeksters nadeel heeft laten uitvallen. Verzoekster wordt verdacht van (het medeplegen van) een reeks strafbare feiten in de periode september 2023 tot en met januari 2024. Het gaat om computervredebreuk, oplichting en de poging daartoe, diefstal door middel van valse sleutels, fraude met betaalproducten en deelname aan een crimineel samenwerkingsverband. Op 18 december 2025 heeft de officier van justitie besloten om verzoekster daarvoor te dagvaarden. Het gaat hier weliswaar nog om een verdenking, maar die mag verweerder wel meenemen in de beoordeling van de aanvraag. Daarbij komt dat verzoekster hiervoor in voorlopige hechtenis gezeten heeft van 31 januari 2024 tot en met 15 maart 2024. Dat betekent dat de rechter-commissaris en de raadkamer gevangenhouding ernstige bezwaren hebben aangenomen tegen verzoekster als verdachte van (een of meerdere van) deze feiten. De voorlopige hechtenis is na zes weken geschorst, hetgeen eveneens betekent dat die ernstige bezwaren ook toen nog steeds aanwezig waren. In hoeverre de omstandigheden die verzoekster noemt, zoals haar privésituatie tijdens de periode van de verdenkingen, van belang zijn, zal in de strafzaak verder aan de orde moeten worden gesteld. Het is spijtig dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak nog op zich laat wachten. Verweerder heeft echter ten aanzien van het subjectieve criterium een afdoende op verzoekster toegespitste belangenafweging verricht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder mogen besluiten dat de omstandigheden die in het voordeel van verzoekster wegen onvoldoende opwegen tegen het gesignaleerde risico voor de samenleving wanneer verzoekster de beoogde functie zou gaan vervullen.
4.8.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoekster op voorhand geen redelijke kans van slagen heeft. Gelet daarop weegt het belang van verweerder om het primaire besluit te handhaven naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan verzoeksters belang bij toewijzing van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.