Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4994

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/13/784358 / JE RK 26-188
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot ondertoezichtstelling van minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling door contactgebrek met vader

De rechtbank Amsterdam heeft op 31 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2018 en 2020, die bij hun moeder wonen. De ouders zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De Raad stelde dat de kinderen geen contact hebben met hun vader, terwijl dit contact essentieel is voor hun ontwikkeling.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werd ook het belang van de kinderen gehoord. De moeder erkende de noodzaak van contact maar benadrukte dat dit veilig moet verlopen en gaf aan niet bereid te zijn tot overleg met de vader over de opvoeding. De vader gaf aan een woning met begeleiding te hebben en wil op termijn zelfstandig wonen. Hij werkt recentelijk als trambestuurder.

De kinderrechter oordeelde dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging doordat het contact met de vader ontbreekt en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken. Daarom is ondertoezichtstelling noodzakelijk om met begeleiding het contact tussen vader en kinderen te herstellen. De beschikking is voor de duur van een jaar gegeven en is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: Verzoek tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wordt toegewezen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door het ontbreken van contact met de vader.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/784358 / JE RK 26-188
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
hierna samen te noemen de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. I. Tol uit Koog aan de Zaan,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn begeleider;
- [persoon 1] namens de Raad;
- [persoon 2] en [persoon 3] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft onder verwijzing naar de stukken gepersisteerd bij het verzoek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen contact met hun vader. Daar hebben ze wel recht op. De moeder zegt dat ze wil dat het contact veilig verloopt. Haar zorgen zijn invoelbaar. De kinderen hebben eerder aangegeven geen omgang te willen. Het is de vraag waarom dat is. De hulpverlening is niet voldoende geweest om de omgang te bewerkstelligen. Het laten plaatsvinden van contact tussen de vader en de kinderen gaat niet over één nacht ijs, het is goed om de kinderen daar rustig in mee te nemen. Het is ook een optie om Ouderschap Blijft te betrekken bij de omgang. Zij kunnen met de ouders individueel spreken en later misschien ook samen.
4.2.
De moeder heeft – ook bij monde van haar advocaat – verklaard gemengde gevoelens te hebben over het verzoek. Ze heeft alles over voor de kinderen. Ze vindt het belangrijk om op te merken dat er geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging als het gaat om de situatie bij haar thuis. Het is belangrijk dat er omgang plaatsvindt tussen de vader en de kinderen maar die omgang moet veilig plaatsvinden. Door het verleden zijn er voor de moeder wel enige zorgen rondom de veiligheid. De moeder steunt het verzoek en wil medewerking verlenen, maar voor haar eigen gemoedstoestand moet dat wel op een manier gebeuren waar zij zich comfortabel bij voelt. De moeder is niet bereid om in gesprek te gaan met de vader over de opvoeding. Dat heeft ze geprobeerd, maar het is niet gelukt.
4.3.
De vader heeft verklaard dat het veilig is bij hem thuis. Hij heeft op dit moment een woning met begeleiding en een bed voor de kinderen. Als ze dat willen, kunnen ze in een andere kamer dan de vader slapen. Op termijn zal de vader zelfstandig gaan wonen in een woning die groter is dan de huidige. Daarnaast werkt de vader sinds kort als trambestuurder en -conducteur bij het GVB

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het van essentieel belang dat zij contact hebben met hun vader. Op dit moment is daar geen sprake van. Daarmee wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig bedreigd.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders op dit moment niet in staat zijn om zonder begeleiding contact tussen de vader en de kinderen tot stand te laten komen. Met behulp van begeleiding en/of hulpverlening kan het contact voorzichtig worden vormgegeven en kan worden toegewerkt naar structureel contact.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 31 maart 2026 tot 31 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door mr. I.M. Nusselder, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T. Bongenaar als griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.