De rechtbank Amsterdam heeft op 31 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2018 en 2020, die bij hun moeder wonen. De ouders zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De Raad stelde dat de kinderen geen contact hebben met hun vader, terwijl dit contact essentieel is voor hun ontwikkeling.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werd ook het belang van de kinderen gehoord. De moeder erkende de noodzaak van contact maar benadrukte dat dit veilig moet verlopen en gaf aan niet bereid te zijn tot overleg met de vader over de opvoeding. De vader gaf aan een woning met begeleiding te hebben en wil op termijn zelfstandig wonen. Hij werkt recentelijk als trambestuurder.
De kinderrechter oordeelde dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging doordat het contact met de vader ontbreekt en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken. Daarom is ondertoezichtstelling noodzakelijk om met begeleiding het contact tussen vader en kinderen te herstellen. De beschikking is voor de duur van een jaar gegeven en is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep.