Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4999

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/13/784031 / JE RK 26-161; C/13/743538 / FA RK 23-8271
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing zorgregeling gezamenlijke gezagsuitoefening

De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 april 2026 een gecombineerde zaak over de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en een geschil over de gezamenlijke gezagsuitoefening tussen de ouders.

De kinderrechter constateerde dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn, mede omdat de hulpverlening vanuit Switch is uitgeput en de ouders nog begeleiding nodig hebben bij communicatie en opvoeding. De ondertoezichtstelling werd daarom met zes maanden verlengd en de beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Ten aanzien van de zorgregeling oordeelde de rechtbank dat het belangrijk is dat de kinderen zelf de regie houden over de omgang met hun moeder. Voor de jongste minderjarige is een goede band met de moeder vastgesteld, terwijl de oudste duidelijk aangeeft geen contact te willen. De rechtbank wijst een concrete zorgregeling af en benadrukt het belang van rust en het welzijn van de kinderen.

De rechtbank gaf tevens aan dat de moeder toestemming moet geven voor vakanties van de kinderen met de vader en dat mogelijkheden voor vakanties met de moeder in samenspraak met de gecertificeerde instelling kunnen worden onderzocht.

De beschikking werd op 1 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter M.E.A. Nijssen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd en verzoeken over zorg- en opvoedingstaken worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers:
C/13/784031 / JE RK 26-161 (verlenging ondertoezichtstelling)
C/13/743538 / FA RK 23-8271 (geschil gezamenlijke gezagsuitoefening)
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en
betreffende een geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a
van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. V.W.J.M. Kuit uit Amsterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S.E.W.C.M. Kneepkens uit Bussum,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend:
de
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
hierna te noemen de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De inhoud van de beschikkingen van 4 maart 2024, 18 april 2024, 17 oktober 2024 en 31 maart 2025 wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
1.2.
De kinderrechter heeft nadien nog kennisgenomen van het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026.
1.3.
Op 9 april 2026 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen (kenmerk C/13/784031 / JE RK 26-161) is gelijktijdig behandeld met de verzoeken van de vader en de moeder omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (kenmerk C/13/743538 / FA RK 23/8271). Verschenen en gehoord zijn::
  • [persoon 1] namens de GI;
  • [persoon 2] namens de Raad;
  • de vader;
  • de moeder met haar advocaat.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 1] heeft per mail te kennen gegeven niet in gesprek te willen gaan met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader. [minderjarige 2] heeft omgang met haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 18 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GIheeft onder verwijzing naar de stukken gepersisteerd bij het verzoek. Er is de afgelopen tijd hard gewerkt door de hulpverlening en de betrokkenen en er zijn zeker stappen gezet en doelen behaald. Er is een punt bereikt waarbij verdere hulpverlening geen verbetering zal opleveren.
De moeder is het niet eens met de visie van de vader en de GI. Er is communicatie geweest over welke afspraken kunnen worden gemaakt over het gezag, maar de moeder leest haar mails niet omdat ze het moeilijk vindt die te lezen. Het is belangrijk dat de kinderen regie houden over de omgang en dat die dus niet wordt vastgelegd. Ook moet de spanning worden weggenomen en moet de moeder de tijd krijgen om na te denken over de situatie en over de toekomst.
De omgangsmomenten tussen [minderjarige 2] en de moeder gaan over het algemeen beter dan eerst, maar de laatste tijd gaat het minder goed met de moeder. Er is ook geen sprake van hulpverlening en daar wordt het gesprek over gevoerd. Er is veel verdriet en pijn omdat de moeder het verleden niet kan loslaten. Bij Switch was het ook moeilijk omdat de moeder zich verloor in haar emotie. [minderjarige 2] leert ook hoe zij daar mee om moet gaan. [minderjarige 2] heeft de behoefte om bij haar moeder te zijn, maar er moet voor gezorgd worden dat [minderjarige 2] niet de behoefte krijgt om voor haar moeder te zorgen.
4.2.
De Raadheeft verklaard dat het belangrijk is dat de rechtbank een beslissing neemt ten aanzien van [minderjarige 1] . Hij heeft last van de onduidelijkheid over de omgang. Dat is iets waar [minderjarige 1] zelf de regie over moet hebben. Het is begrijpelijk dat er veel verdriet bij de moeder is over het gebrek aan omgang met [minderjarige 1] , maar dit is wat [minderjarige 1] op dit moment nodig heeft. Hij is 17 jaar en heeft een bepaalde mate van autonomie nodig. Zijn aandacht wordt ingenomen door andere dingen dan zijn ouders. Als je zijn ‘nee’ niet hoort, is de kans groot dat het meer schade toebrengt dan wanneer je dat respecteert.
Het moet ook goed in de gaten gehouden worden in welke mate [minderjarige 2] zorg draagt voor haar moeder. [minderjarige 2] heeft grote stappen gezet in de omgang met haar moeder en de regie moet bij [minderjarige 2] blijven liggen.
Ten aanzien van de omgang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun moeder is de betrokkenheid van de GI de komende tijd nog heel belangrijk.
Ook zou er duidelijkheid moeten komen over de vakanties van de kinderen met de vader. Het zou niet goed zijn als er geen toestemming van de moeder is voor de kinderen om met hun vader op vakantie te gaan.
Er moet ook ruimte zijn voor de emoties van de moeder, daar dient hulpverlening zich op te richten. Als zij afziet van hulpverlening en dat ten koste gaat van de kinderen en de vader, dan is dat niet acceptabel.
4.3.
De vaderheeft verklaard in te stemmen met het verzoek van de GI. Het gaat een stuk beter met [minderjarige 2] . Ze is ook veel minder gespannen. Ze is goed aan het opgroeien en aan het puberen. Ze zoekt de marges van de afspraken op. Daarnaast moet ze de ruimte krijgen om met de moeder af te spreken. Het is te merken dat [minderjarige 2] het fijn vindt om bij de moeder te zijn.
De vader stimuleert [minderjarige 1] om te reageren op de berichten van de moeder. In het begin vond [minderjarige 1] het goed als naar de berichten vanuit zijn moeder gevraagd werd. Recent wilde hij het er niet over hebben en dan gebruikt hij ook wel heftige termen. [minderjarige 1] wil zijn moeder niet zien en zegt dat hij geen hulp nodig heeft. De vader is bang dat [minderjarige 1] daar later last van gaat krijgen. De moeder is immers deel van hemzelf en zijn karakter. Het is alleen niet goed om hem daar nu in te pushen. [minderjarige 1] doet het goed op school, hij heeft vrienden en gaat met hen op vakantie.
Het maken van afspraken tussen de vader en de moeder gaat moeilijk, maar laatst was er sprake van goed en warm contact vanuit de moeder ten aanzien van het overlijden van de ouder van de vader en ook hadden zij een gesprek op school over [minderjarige 2] .
4.4.
De moederheeft – ook bij monde van haar advocaat – verklaard bereid te zijn om aan de ouderschapsrelatie te werken. Eerder heeft ze verklaard niet mee te willen werken, omdat bij Switch niet de mogelijkheid werd geboden om ook het verleden te bespreken. Verder werkt de moeder aan zichzelf en heeft zij contact met de huisarts en de praktijkondersteuner. Ook loopt ze hard en ondergaat ze een acupunctuurbehandeling. Het is belangrijk dat de moeder met haar emoties kan leren omgaan. Wat betreft de kinderen is het heel verdrietig dat [minderjarige 1] geen contact wil hebben met de moeder. Desondanks legt zij zich neer bij die stelling van [minderjarige 1] .
Wat betreft de vakanties lijkt het de moeder goed om afspraken te maken. De moeder zou ook graag op vakantie willen kunnen gaan met de kinderen.
De moeder merkt tenslotte op dat in het plan van aanpak veel onwaarheden staan.
Ook merkt de moeder op dat haar eerder juist is geadviseerd om meer berichten te sturen aan [minderjarige 1] , terwijl nu wordt gezegd dat dat niet de bedoeling is.

5.De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek met kenmerk C/13/784031 / JE RK 26-161:
5.1.
De rechtbank kan een ondertoezichtstelling uitspreken als er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige en ouders de noodzakelijke hulp niet of onvoldoende accepteren (sub a) en te verwachten is dat ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen (sub b) (artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW)).
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat nog steeds is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 BW Pro. De hulpverlening vanuit Switch heeft ervoor gezorgd dat alle betrokkenen stappen hebben gezet. Inmiddels is de hulp vanuit Switch uitgeput en is het aan de ouders om de lessen toe te passen bij de onderlinge communicatie, het vormgeven van de omgang tussen de kinderen en de ouders en de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De communicatie tussen de ouders over de omgang en de opvoedtaken verloopt op dit moment nog niet zoals het zou moeten. Zo vindt communicatie in veel gevallen in het geheel niet plaats en wordt communicatie aan de moeder soms ook niet geopend of gelezen. De kinderrechter is van oordeel dat de betrokkenheid van de GI de komende tijd nog nodig is, om de ouders bij het verder vormgeven van de omgang en van hun ouderrol en bij het uitvoeren van opvoedtaken te begeleiden. Voorts is het van belang dat de ouders en de kinderen voldoende ondersteund zijn en blijven als het met de moeder minder goed mocht gaan en vanaf het moment dat de GI niet langer betrokken is.
5.3.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW).
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van het verzoek met kenmerk C/13/743538 / FA RK 23-8271:
5.5.
Met betrekking tot het vastleggen van een definitieve zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt. Voor beide kinderen geldt dat het belangrijk is dat zij de regie krijgen ten aanzien van de vorm en de frequentie met betrekking tot de omgang met hun moeder. De rechtbank benadrukt dat het goed is om te zien dat [minderjarige 2] een goede band heeft met de moeder, dat zij graag bij de moeder verblijft en dat zij samen leuke dingen ondernemen. Tegelijkertijd moet ervoor gewaakt worden dat ze zich te verantwoordelijk voelt voor haar moeder. De rechtbank verwijst in dit verband naar het eindverslag van Switch, waarin is vastgelegd dat [minderjarige 2] naar de vader kan als de omgang bij de moeder onrustig verloopt en dat zij altijd de mogelijkheid heeft om de omgang te pauzeren als zij zich daar niet prettig bij voelt. Het uitgangspunt blijft dat zij ongeveer de helft van de tijd bij de vader verblijft en de andere helft bij de moeder. Ook de komende tijd is het van belang om enerzijds de wens van [minderjarige 2] ten aanzien van eventuele uitbreiding van het contact serieus te nemen en anderzijds een vinger aan de pols te houden.
Ten aanzien van [minderjarige 1] zal de rechtbank nu geen zorgregeling vaststellen, aangezien hij al langere tijd aangeeft de omgang met zijn moeder ingewikkeld te vinden en momenteel duidelijk aangeeft dat hij helemaal geen omgang met zijn moeder wenst. De rechtbank benadrukt dat het erg moeilijk moet zijn voor de moeder dat [minderjarige 1] nu geen contact met haar wil. Het verdient dan ook een compliment dat zij zich daar in het belang van [minderjarige 1] voor nu bij neerlegt. De rechtbank spreekt de hoop uit dat er in de toekomst weer een mogelijkheid bestaat voor een vorm van contact tussen [minderjarige 1] en de moeder.
De rechtbank overweegt tenslotte dat het belangrijk is dat de vakanties met de kinderen en de vader doorgang vinden. Het is belangrijk dat de moeder daarvoor toestemming geeft.
De rechtbank begrijpt dat de moeder zelf ook op vakantie zou willen gaan met [minderjarige 2] . De mogelijkheden daarvoor kunnen de komende tijd in samenspraak met de GI worden onderzocht. Dit staat los van de vakanties van de kinderen met de vader.
5.6.
De rechtbank acht het vastleggen van een concrete zorgregeling zoals hiervoor overwogen op dit moment niet aangewezen. Zij spreekt de hoop uit dat er – in het belang van de kinderen en de ouders – rust kan ontstaan en dat het ouders lukt om hun ouderrol vorm te geven op een wijze die niet belastend is voor de kinderen. Ook is het van belang dat het met de moeder goed genoeg blijft gaan zodat [minderjarige 2] een fijn en onbelast contact met haar kan hebben.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 18 oktober 2026;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 door
mr. M.E.A. Nijssen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T. Bongenaar als griffier.
De griffier is buiten staat de beschikking te tekenen
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.