ECLI:NL:RBAMS:2026:5005

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/13/784750 / JE RK 26-206
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige met perspectief verhuizing naar Curaçao

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds december 2024 bij zijn tante verblijft. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft, verzet zich niet tegen het verzoek en staat achter de geplande verhuizing van de minderjarige naar Curaçao, waar hij bij zijn oma zal gaan wonen.

De kinderrechter heeft op 21 april 2026 de mondelinge behandeling met gesloten deuren gehouden, waarbij ook de minderjarige is gehoord. Uit de stukken en de zitting blijkt dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, waardoor verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 1 juli 2026, met het oog op de overgang naar Curaçao.

De kinderrechter draagt de GI op om voor 1 juli 2026 een update te geven over de status van de verhuizing en het toezicht aldaar. De behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting voor 1 juli 2026. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 14 mei 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 juli 2026, met aanhouding van het overige en toezicht op de verhuizing naar Curaçao.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/784750 / JE RK 26-206
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
Mevr. [de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. Bevelander uit Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026;
  • Een rapportage leefomstandigheden van het Ministerie van Justitie van Curaçao van 17 november 2025;
  • Een brief betreffende het toezenden van het perspectiefbesluit van de GI van 7 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [persoon] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds december 2024 bij zijn tante (mz) in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 mei 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 mei 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin tot 14 oktober 2025. De kinderrechter heeft daarna de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin tweemaal verlengd, laatstelijk tot 14 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft onder verwijzing naar de stukken gepersisteerd bij het verzoek. In de afgelopen maanden is er gewerkt aan de doelen zoals deze door de rechtbank zijn opgesteld en zijn een aantal doelen ook behaald. Het is niet mogelijk voor [minderjarige] om naar huis terug te keren. Er is onderzocht of [minderjarige] bij zijn oma op Curaçao kan opgroeien. Daaruit is gekomen dat de opvoedsituatie voor [minderjarige] op Curaçao geschikt en passend is. Er is daarop een perspectiefbesluit genomen en de komende tijd zal naar de verhuizing van [minderjarige] worden toegewerkt. Eerst zal de oma (mz) een tijdje in Nederland verblijven zodat [minderjarige] met zijn moeder en oma kan zijn. Daarna zal hij naar Curaçao gaan waar hij in het nieuwe schooljaar al naar school zal gaan. Het is op dit moment nog niet duidelijk hoe en vanaf wanneer het toezicht op Curaçao zal worden vormgegeven. Dat moet de komende tijd duidelijk worden.
4.2.
De moeder heeft – ook bij monde van haar advocaat – verklaard zich niet te verzetten tegen het verzoek. Het is voor de moeder niet makkelijk, maar ze staat achter de verhuizing naar Curaçao. Het is goed dat [minderjarige] bij familie zal komen te wonen. Wel verzoekt de moeder een deel van het verzoek aan te houden zodat door de rechter een vinger aan de pols kan worden gehouden wat betreft de verhuizing van [minderjarige] . Zij acht het namelijk van belang dat [minderjarige] op tijd, voor het begin van het nieuwe schooljaar, naar Curaçao verhuist. De moeder vraagt de kinderrechter het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing toe te wijzen tot 1 juli, zodat voor die tijd door de rechter – desnoods schriftelijk – kan worden nagegaan of de verhuizing van [minderjarige] doorgang vindt. De moeder merkt tenslotte op dat er informatie in de rapporten staat over haar die niet klopt.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Er is sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] .
5.2.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De moeder, de oma en de GI zijn allemaal van mening dat het perspectief [minderjarige] op Curaçao ligt. De komende tijd dient de GI dan ook te werken aan de overgang naar Curaçao. Daarbij is het belangrijk dat de GI op korte termijn te weten komt hoe en wanneer het toezicht op [minderjarige] door de plaatselijke autoriteiten tot stand komt. Om er zeker van te zijn dat [minderjarige] op tijd vertrekt naar Curaçao om daar aan het nieuwe schooljaar te beginnen, houdt de kinderrechter een vinger aan de pols. De kinderrechter verleent daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 1 juli onder aanhouding van het overige. De kinderrechter draagt de GI op om voor die tijd een update te geven over de status van de verhuizing van [minderjarige] naar Curaçao.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 14 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin tot 1 juli 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 1 juli 2026, tegen welke zitting de GI en de moeder dienen te worden opgeroepen;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. C.F. de Lemos Benvindo, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T. Bongenaar als griffier, en op schrift gesteld op 19 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.