ECLI:NL:RBAMS:2026:5010

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
13/084309-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeeld voor poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging

Op 24 februari 2025 heeft verdachte samen met een medeverdachte aangeefster [slachtoffer 2] meerdere malen geslagen en getrapt, waarbij het hoofd werd geraakt. De officier van justitie vorderde een veroordeling voor poging tot doodslag, maar de rechtbank sprak verdachte vrij omdat niet kon worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank oordeelde wel dat sprake was van poging tot zware mishandeling, omdat het geweld tegen het hoofd en lichaam van het slachtoffer een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven riep, welke kans door verdachte bewust werd aanvaard. Verdachte werd ook vrijgesproken van openlijke geweldpleging tegen een tweede slachtoffer, omdat onvoldoende bewijs was dat zij daaraan een wezenlijke bijdrage had geleverd.

De rechtbank legde een taakstraf op van 100 uur werkstraf, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een contactverbod van 1 jaar met het slachtoffer. De vordering van het slachtoffer tot immateriële schadevergoeding werd deels toegewezen tot €1.500,- met wettelijke rente. De vordering van het tweede slachtoffer werd afgewezen wegens vrijspraak.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging tot een werkstraf van 100 uur, waarvan 50 voorwaardelijk met contactverbod en gedeeltelijke schadevergoeding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13/084309-25
Datum uitspraak: 24 april 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,
wonende op het adres [adres 1] ,
hierna te noemen verdachte of [verdachte] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [persoon 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [persoon 2] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.
Ook is kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door mr. L.M.F. Aarts naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Aan verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan
1.
het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] op 24 februari 2025 te Amsterdam;
subsidiairten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling (met voorbedachte rade) van [slachtoffer 2] ;
meer subsidiairten laste gelegd als het medeplegen van eenvoudige mishandeling (met voorbedachten rade) van [slachtoffer 2] .
2.
openlijke geweldpleging tegen personen, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , op 24 februari 2025 te Amsterdam

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde
4.1.1.
Inleiding
Op 24 februari 2025 bevindt de verdachte zich op straat nabij [naam school] . De verdachte loopt dan rechtstreeks op aangeefster [slachtoffer 2] af en begint haar te slaan. De medeverdachte [medeverdachte] mengt zich dan ook in het gevecht en trekt de aangeefster tegen de grond. De medeverdachte schopt en slaat de aangeefster en ook de verdachte gebruikt geweld tegen de aangeefster terwijl deze op de grond ligt.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wat de aard is van het geweld dat de verdachte heeft gebruikt tegen aangeefster [slachtoffer 2] en hoe dat gekwalificeerd moet worden.
4.1.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Op de beelden is te zien hoe de verdachte de aangeefster tegen het hoofd slaat en schopt. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam. Gelet op de aard, duur en intensiteit van de geweldshandelingen is door de verdachte en de medeverdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de aangeefster in het leven geroepen. De gedragingen van de verdachte waren daarnaast naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het intreden van de dood van de aangeefster dat sprake is van voorwaardelijk opzet.
4.1.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde. De verdachte heeft de aangeefster niet tegen het hoofd geschopt. Om die reden is er ook geen sprake van de opzet om aangeefster van het leven te beroven. De verdachte heeft niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op de dood van de aangeefster.
4.1.4.
Het oordeel van de rechtbank
Schoppen tegen het hoofd
De rechtbank stelt op basis van het dossier, de beelden en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Op de beelden is te zien dat de verdachte meermaals slaande, trappende en schoppende bewegingen maakt richting aangeefster [slachtoffer 2] . Op de beelden is te zien dat de verdachte bij enkele trappende bewegingen hoofdzakelijk de schouder raakt, maar daarbij ook (een deel van) het hoofd. Die trappen raken niet met volle kracht het hoofd van de aangeefster.
Vrijspraak poging doodslag
Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever is in ieder geval vereist dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood, welke aanmerkelijke kans door verdachte ook is aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van de aangeefster. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dat oordeel komt.
Op de beelden in het dossier is te zien dat de verdachte de aangeefster meerdere keren slaat op het hoofd en door te trappen ook het hoofd van de aangeefster raakt, en de medeverdachte de aangeefster meerdere keren op het hoofd slaat en trapt. Onder bepaalde omstandigheden kan een klap, trap en/of schop tegen het hoofd de aanmerkelijke kans opleveren dat iemand komt te overlijden.
De rechtbank acht in dit verband het letsel bij de aangeefster relevant zoals dat is beschreven in de letselverklaring. Daarin staat dat de aangeefster (onderhuidse) bloeduitstortingen en oppervlakkig schaafletsel heeft opgelopen. Naderhand heeft de aangeefster enige tijd last gehad van hoofd- en nekpijn. Verder is de aangeefster niet bewusteloos geweest en hoefde er geen urgente medische zorg te worden verleend. Een nadere letselverklaring en/of een rapportage van een deskundige, waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat het slaan, trappen en/of schoppen in dit concrete geval tot de dood had kunnen leiden, ontbreekt. Daarnaast acht de rechtbank relevant dat de verdachte en de medeverdachte gympen droegen tijdens het feit.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat door het geweld tegen de aangeefster de aanmerkelijke kans op de dood in het leven is geroepen. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag en spreekt haar vrij van het primair ten laste gelegde.
Bewezenverklaring medeplegen van poging zware mishandeling
Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling komt de rechtbank tot een bewezenverklaring. Met het slaan, trappen en schoppen tegen het hoofd en het lichaam van de aangeefster door de verdachte en de medeverdachte is de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam en door het herhaaldelijk slaan en trappen dan wel schoppen tegen het hoofd wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. De verdachte heeft die aanmerkelijke kans – door de aangeefster meerdere keren op het hoofd te slaan en door te trappen ook het hoofd van de aangeefster te raken – ook bewust aanvaard. Daarbij was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.
Voorbedachte rade
De rechtbank is van oordeel dat niet is vast komen te staan dat de verdachte met voorbedachte rade handelde. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het dossier geen aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat zij van plan was om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan de aangeefster. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit bestanddeel.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich op 24 februari 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling.
Vrijspraak openlijk geweld tegen aangeefster [slachtoffer 1]
Uit het dossier en de ter terechtzitting getoonde beelden volgt dat aangeefster [slachtoffer 1] betrokken raakt bij de vechtpartij door medeverdachte [medeverdachte] aan te vallen zodra zij aangeefster [slachtoffer 2] aanvalt. De verdachte raakt daarna in gevecht met aangeefster [slachtoffer 2] en komt niet meer in contact met aangeefster [slachtoffer 1] . Door andere personen dan de verdachte wordt wel geweld gebruikt tegen aangeefster [slachtoffer 1] .
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier – nu niet is gebleken dat de verdachte op enige wijze door verbale of fysieke handelingen de geweldshandelingen tegen aangeefster heeft ondersteund – niet is gebleken dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld, zodat het ten laste gelegde openlijke geweld tegen aangeefster [slachtoffer 1] niet kan worden bewezen en verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde sprake is van eendaadse samenloop.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 24 februari 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een andere, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2]
- tegen de grond heeft geduwd en
- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag een of meerdere keren tegen het hoofd,
althans het lichaam, heeft geslagen en
- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag een of meerdere keren tegen het hoofd,
althans het lichaam, heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 24 februari 2025 te Amsterdam openlijk, te weten aan de [straatnaam] , in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door
- aan de haren van die [slachtoffer 2] te trekken en vast te houden en te duwen waardoor die [slachtoffer 2] op de grond terecht kwam en
- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, die [slachtoffer 2] tegen het hoofd en het lichaam te slaan en te trappen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 60 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een contactverbod met beide slachtoffers als bijzondere voorwaarde en een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie. Ook heeft de officier van justitie gevorderd de straf dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte geen voorwaardelijke straf of bijzondere voorwaarden op te leggen en te volstaan met een werkstraf.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige feiten die een grove inbreuk vormen op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte is in het bijzijn van omstanders het slachtoffer te lijf gegaan en heeft daarbij meerdere keren op het hoofd van het slachtoffer geslagen en haar getrapt. Ook nadat het gevecht afgelopen leek, ging de verdachte door met trappen en slaan tegen het slachtoffer. De verdachte en de medeverdachte mogen daarbij van geluk spreken dat het slachtoffer geen ernstig letsel aan het geweld heeft overgehouden. De aanval van de verdachte en de medeverdachte heeft daarnaast niet alleen letsel veroorzaakt bij het slachtoffer en haar vrees aangejaagd, het heeft ook gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij omstanders en in de samenleving in het algemeen.
De rechtbank houdt rekening met de afspraken die ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn vastgelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de rapportages en berichtgeving die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn opgemaakt.
JBRA heeft ter zitting onder verwijzing naar de evaluatie jeugdreclassering van 25 maart 2026 verklaard dat vanaf het begin een open gesprek mogelijk was met [verdachte] . Er is daarnaast een passend hulptraject geweest met een IPA-coach. [verdachte] heeft de bewezen geachte feiten goed kunnen bespreken en denkt beter na over situaties en mogelijke gevolgen voordat zij handelt. Op school heeft [verdachte] verbetering laten zien; zij heeft de opgelopen achterstand grotendeels kunnen inhalen. In deze zaak is duidelijk dat de impact van sociale media erg groot is. [verdachte] kan nu laten zien dat zij de lessen die zij tijdens de schorsing heeft geleerd, kan toepassen. Het advies is om geen toezicht en begeleiding op te leggen.
De Raad heeft ter zitting geadviseerd om aan [verdachte] een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met een proeftijd van 1 jaar en een contactverbod met de slachtoffers als bijzondere voorwaarde. De schorsingsvoorwaarden hebben het gewenste resultaat gehad.
Strafoplegging
De rechtbank ziet aanleiding om bij de straftoemeting een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt immers niet tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag, maar tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling.
Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde een contactverbod voor de duur van 1 jaar, passend en geboden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op de omstandigheid dat er na het bewezen geachte feit nog contact is geweest tussen de verdachte en het slachtoffer en er nog sprake lijkt van een slepend conflict, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in haar geheel dient te worden toegewezen. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de eigen schuld van de benadeelde partij te betrekken bij het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding.
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen geachte feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. De hoogte van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is ter terechtzitting betwist, althans is verzocht om matiging. Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 1.500,- aan vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,- hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een correctie aan te brengen vanwege een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend.
‬‬‬‬‬‬De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de eventuele mededader aan de benadeelde partij is voldaan.
In het belang van de benadeelde [slachtoffer 2] wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.‬‬‬‬‬‬
9.2.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] .

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiar en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van poging tot zware mishandeling
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van
100 (honderd) uren, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar maatstaf van 2 uren per dag.
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
50 (vijftig)dagen.
Beveelt dat een gedeelte, groot
50 (vijftig) uren, van deze taakstraf
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen.
Stelt de proeftijd vast op
2 (twee) jarenonder de algemene voorwaarde dat veroordeelde
• zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat veroordeelde voor de duur van 1 (één) jaar:
• op geen enkele wijze contact – direct of indirect – heeft of opneemt met het slachtoffer, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2009.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
• ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
• haar medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Beveelt dat de hierboven opgelegde voorwaarden
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.500,00 (vijftienhonderd euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 2] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 2] , te betalen de som € 1.500,00 (vijftienhonderd euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige af.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. J.W.B. Snijders Blok en M. van Gemert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Bongenaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[…]