ECLI:NL:RBAMS:2026:5013

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
13/084328-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling poging zware mishandeling met werkstraf

Op 24 februari 2025 raakte verdachte betrokken bij een vechtpartij nabij een school, waarbij zij samen met een medeverdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] meerdere keren sloeg en schopte, vooral tegen het hoofd en lichaam. De officier van justitie vorderde een veroordeling voor poging tot doodslag, maar de rechtbank sprak verdachte vrij omdat niet kon worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte medepleegde aan poging tot zware mishandeling.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1], maar vrijgesproken van openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2], omdat onvoldoende bewijs was dat verdachte geweld tegen laatstgenoemde had gepleegd of ondersteund. Er was sprake van eendaadse samenloop tussen de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank legde een werkstraf van 100 uren op, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals toezicht en begeleiding, contactverbod met het slachtoffer en medewerking aan hulpverlening. De vordering van [slachtoffer 1] tot immateriële schadevergoeding werd gedeeltelijk toegewezen tot €1.500, terwijl de vordering van [slachtoffer 2] werd afgewezen wegens vrijspraak.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag en veroordeeld voor poging tot zware mishandeling met een werkstraf van 100 uren, waarvan 50 voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13/084328-25
Datum uitspraak: 24 april 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010,
wonende op het adres [BRP-adres] ,
hierna te noemen verdachte of [verdachte] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en haar raadsman, mr. T. Nieuwburg, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de heer [medewerker Jeugdbescherming] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), mevrouw [medewerker IFA-coach] , IFA-coach en de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.
Ook is kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door mr. L.M.F. Aarts naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Aan verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan
1.
het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] op 24 februari 2025 te [pleegplaats] ;
subsidiairten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling (met voorbedachte rade) van [slachtoffer 1] ;
meer subsidiairten laste gelegd als het medeplegen van eenvoudige mishandeling (met voorbedachten rade) van [slachtoffer 1] .
2.
openlijke geweldpleging tegen personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , op 24 februari 2025 te [pleegplaats]

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde
4.1.1.
Inleiding
Op 24 februari 2025 bevindt de verdachte zich op straat nabij [school] . De verdachte raakt betrokken in een vechtpartij waarbij zij samen met medeverdachte [medeverdachte] geweld gebruikt tegen aangeefster [slachtoffer 1] . De verdachte trekt daarbij de aangeefster tegen de grond en terwijl zij op de grond ligt, slaat en schopt de verdachte haar meerdere keren tegen het hoofd en het lichaam.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden.
4.1.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam. Gelet op de aard, duur en intensiteit van de geweldshandelingen is door de verdachte en de medeverdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de aangeefster in het leven geroepen. De gedragingen van de verdachte waren daarnaast naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het intreden van de dood van de aangeefster dat sprake is van voorwaardelijk opzet.
4.1.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Er is geen sprake geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. In dit verband is relevant de manier waarop verdachte trapte en het feit dat de verdachte sportschoenen droeg. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.1.4.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak poging doodslag
Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op de dood van aangeefster is in ieder geval vereist dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood, welke aanmerkelijke kans door verdachte ook is aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Met de raadsman en anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van de aangeefster. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dat oordeel komt.
Op de beelden in het dossier is te zien dat de verdachte de aangeefster meerdere keren op het hoofd slaat en schopt en de medeverdachte de aangeefster meerdere keren slaat op het hoofd. Onder bepaalde omstandigheden kan een schop of een klap tegen het hoofd de aanmerkelijke kans opleveren dat iemand komt te overlijden.
De rechtbank acht in dit verband relevant het letsel bij de aangeefster zoals dat is beschreven in de letselverklaring. Daarin staat dat de aangeefster (onderhuidse) bloeduitstortingen en oppervlakkig schaafletsel heeft opgelopen. Naderhand heeft de aangeefster enige tijd last gehad van hoofd- en nekpijn. Verder is het slachtoffer niet bewusteloos geweest en hoefde er geen urgente medische zorg te worden verleend. Een nadere letselverklaring en/of een rapportage van een deskundige, waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat het slaan en/of schoppen in dit concrete geval tot de dood had kunnen leiden, ontbreekt. Daarnaast acht de rechtbank relevant dat de verdachte en de medeverdachte gympen droegen tijdens het feit.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat door het geweld tegen de aangeefster de aanmerkelijke kans op de dood in het leven is geroepen. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag en spreekt haar vrij van het primair ten laste gelegde.
Bewezenverklaring medeplegen van poging zware mishandeling
Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling komt de rechtbank tot een bewezenverklaring. Met het slaan en schoppen tegen het hoofd en het lichaam van de aangeefster door de verdachte en de medeverdachte is de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam en door het herhaaldelijk schoppen en slaan tegen het hoofd wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. De verdachte heeft die aanmerkelijke kans – door de aangeefster meerdere keren tegen het hoofd te slaan en te schoppen – ook bewust aanvaard. Daarbij was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.
Voorbedachte rade
De rechtbank is van oordeel dat niet is vast komen te staan dat de verdachte met voorbedachten rade handelde. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verdachte weliswaar heeft verklaard met de aangeefster te willen vechten, maar het dossier bevat geen aanknopingspunten op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte van plan was om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan de aangeefster.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich op 24 februari 2025 te [pleegplaats] schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling.
4.2.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is op grond van de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen vervat van oordeel dat verdachte zich op 24 februari 2025 te [pleegplaats] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.
Vrijspraak openlijk geweld tegen aangeefster [slachtoffer 2]
Uit het dossier en de ter terechtzitting getoonde beelden volgt dat aangeefster [slachtoffer 2] betrokken raakt bij de vechtpartij door medeverdachte [medeverdachte] aan te vallen zodra die [medeverdachte] aangeefster [slachtoffer 1] aanvalt. De verdachte blijft daarna in gevecht met aangeefster [slachtoffer 1] maar komt niet in contact met aangeefster [slachtoffer 2] . Door andere personen dan de verdachte wordt wel geweld gebruikt tegen aangeefster [slachtoffer 2] .
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier – nu niet is gebleken dat de verdachte op enige wijze door verbale of fysieke handelingen de geweldshandelingen tegen aangeefster [slachtoffer 2] heeft ondersteund – niet is komen vast te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld, zodat het ten laste gelegde openlijke geweld tegen aangeefster [slachtoffer 2] niet kan worden bewezen en verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde sprake is van eendaadse samenloop.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 24 februari 2025 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een andere, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1]
- tegen de grond heeft geduwd en
- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag een of meerdere keren tegen het hoofd,
althans het lichaam, heeft geslagen en
- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag een of meerdere keren tegen het hoofd,
althans het lichaam, heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 24 februari 2025 te [pleegplaats] openlijk, te weten aan de [pleegplaats] , in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door
- aan de haren van die [slachtoffer 1] te trekken en vast te houden en te duwen waardoor die [slachtoffer 1] op de grond terecht kwam en
- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag die [slachtoffer 1] tegen het hoofd en het lichaam te slaan en trappen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 60 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door JBRA en een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat een contactverbod met beide slachtoffers wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde en de straf dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte geen jeugddetentie op te leggen en in plaats daarvan een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk op te leggen, met bijzondere voorwaarden zoals door JBRA geadviseerd.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten die een grove inbreuk vormen op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte is in het bijzijn van omstanders het slachtoffer te lijf gegaan en heeft daarbij meerdere keren op het hoofd van het slachtoffer geschopt en geslagen. Ook nadat het gevecht afgelopen leek, ging de verdachte door met schoppen en slaan tegen het hoofd van het slachtoffer. De verdachte en de medeverdachte mogen daarbij van geluk spreken dat het slachtoffer geen ernstig letsel aan het geweld heeft overgehouden. De aanval van de verdachte en de medeverdachte heeft daarnaast niet alleen letsel veroorzaakt bij het slachtoffer en haar vrees aangejaagd, deze heeft ook gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij omstanders en in de samenleving in het algemeen.
De rechtbank houdt rekening met de afspraken die ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn vastgelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de rapportages en berichtgeving die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn opgemaakt.
JBRA heeft ter zitting onder verwijzing naar de evaluatie jeugdreclassering van 10 april 2026 verklaard dat [verdachte] zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. [verdachte] geeft aan graag hulp te willen ontvangen maar weet niet precies welke hulp ze wil ontvangen. Via de IFA-coach is besproken om meer hulp te laten plaatsvinden en daar is [verdachte] gemotiveerd voor.
De Raad heeft ter zitting geadviseerd om aan [verdachte] een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met Toezicht en Begeleiding voor de duur van 1 jaar met bijzondere voorwaarden bestaande uit het meewerken aan hulp vanuit IFA, het meewerken aan het vinden van positieve dagbesteding en het naar school gaan volgens het rooster. Het risico op recidive wordt niet hoog geacht. De zorgen over [verdachte] zijn daarnaast niet groot.
De IFA-coach van [verdachte] heeft ter zitting verklaard veel contact te hebben met haar. Ook het incident is met [verdachte] besproken. Er zijn ook nieuwe incidenten geweest op haar nieuwe school, maar die kon [verdachte] beter oplossen. Daarin heeft zij stappen gezet. Ze vindt het nog steeds moeilijk om hulp te accepteren, maar ze vraagt wel meer dan eerst of iemand met haar kan meedenken om een conflict op te lossen.
Strafoplegging
De rechtbank ziet aanleiding om bij de straftoemeting een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt immers niet tot een bewezenverklaring van een poging doodslag, maar tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling.
Alles overwegende acht de rechtbank de volgende straf passend en geboden: een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden voor de duur van 1 jaar in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding, zoals geadviseerd door de Raad. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om ook een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] op te nemen als bijzondere voorwaarde.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op de omstandigheid dat er na het bewezen geachte feit nog contact is geweest tussen de verdachte en het slachtoffer en er nog sprake lijkt te zijn van een slepend conflict, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in haar geheel dient te worden toegewezen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering toe te wijzen tot een hoogte van € 1.000 omdat het geestelijk letsel onvoldoende onderbouwd is.
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen geachte feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. De hoogte van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is ter terechtzitting betwist, althans verzocht is om matiging. Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 1.500,- aan vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,- hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.
‬‬‬‬‬‬De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de eventuele mededader aan de benadeelde partij is voldaan.
In het belang van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.‬‬‬‬‬‬
9.2.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 2] .

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van poging tot zware mishandeling
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart de verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van
100 (honderd) uren, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar maatstaf van 2 uren per dag.
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
50 (vijftig)dagen.
Beveelt dat een gedeelte, groot
50 (vijftig) uren, van deze taakstraf
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen.
Stelt de proeftijd vast op
2 (twee) jarenonder de algemene voorwaarde dat veroordeelde
• zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde voor de duur van 1 (één) jaar:
• zal meewerken aan de hulp van IFA;
• zal meewerken aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;
• naar school en stage zal gaan volgens het rooster;
• op geen enkele wijze contact – direct of indirect – zal hebben of opnemen met het slachtoffer, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2009.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
• ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
• haar medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de hierboven opgelegde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.500,00 (vijftienhonderd euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 1] , te betalen de som € 1.500,00 (vijftienhonderd euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige af.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.W.B. Snijders Blok, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. C.F. de Lemos Benvindo en M. van Gemert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Bongenaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[…]