Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5073

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
12004755 \ CV EXPL 25-17001
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:625 BWArt. 7:629 BWArt. 7:678 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling achterstallig loon tijdens ziekte en studiekostenbeding in arbeidsrelatie

De zaak betreft een arbeidsconflict tussen [eiser], maatschappelijk werker bij Stichting Inspire Amsterdam, en haar werkgever. [Eiser] startte in 2024 een EVC-opleidingstraject waarvan de kosten door Inspire werden betaald, maar zij rondde dit traject niet succesvol af. Tijdens ziekte in 2025 begon zij een aanvullend traject op eigen initiatief. De arbeidsovereenkomst eindigde op 30 juni 2025.

[Eiser] vorderde onder meer een schadevergoeding wegens schending van goed werkgeverschap, achterstallig loon inclusief onregelmatigheidstoeslag tijdens ziekte, betaling van niet-genoten vakantie-uren en terugbetaling van ingehouden studiekosten. Inspire verweerde zich met verwijzing naar het studiekostenbeding en de CAO-bepalingen.

De kantonrechter oordeelde dat Inspire terecht de studiekosten mocht inhouden omdat het EVC-traject niet succesvol werd afgerond en het aanvullende traject niet werd gevolgd. De vordering tot schadevergoeding wegens goed werkgeverschap werd afgewezen omdat geen verwijtbaar handelen was vastgesteld. Wel werd de vordering tot betaling van achterstallig loon inclusief onregelmatigheidstoeslag toegewezen, omdat de CAO voorschrijft dat bij wisselende inkomsten het gemiddelde over twaalf maanden moet worden gehanteerd. De vordering tot betaling van niet-genoten vakantie-uren werd afgewezen vanwege correcte verrekening met min-uren.

De wettelijke rente werd toegewezen over het achterstallige loon, maar de wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Stichting Inspire Amsterdam moet € 1.320 bruto achterstallig loon tijdens ziekte betalen, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623
Zaaknummer: 12004755 \ CV EXPL 25-17001
Vonnis van 19 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D. Buisman,
tegen
de stichting STICHTING INSPIRE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Inspire,
gemachtigde: mr. B. Blom.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 november 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties.
Bij instructievonnis van 24 februari 2026 is een mondelinge behandeling van de zaak gelast.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Op de zitting is [eiser] verschenen met haar gemachtigde. Namens Inspire zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigde van [eiser] heeft een pleitnota voorgedragen en de vordering gewijzigd.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op 1 januari 2023 in dienst getreden bij Inspire in de functie van maatschappelijk werker. De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor bepaalde tijd en liep na verlenging tot en met 30 juni 2025.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de algemeen verbindend verklaarde CAO Sociaal Werk 2023 – 2025 (hierna: de CAO).
2.3.
[eiser] verdiende een bruto maandsalaris van € 4.096,- exclusief onregelmatigheids- en vakantietoeslag.
2.4.
In het voorjaar van 2024 is [eiser] gestart met een opleidingstraject (het EVC-traject). De kosten van € 1.929,95 voor dit traject zijn door Inspire betaald. Bij brief van 1 juli 2024 van Inspire is het volgende aan [eiser] voorgelegd:
“Inmiddels ben je gestart met een EVC-traject. Hieronder een aantal afspraken met betrekking tot het door jou te volgen EVC-traject.
De cursuskosten (1x cursusgeld, boekengeld en de examenkosten) ten behoeve van het EVC-traject worden door de Stichting Inspire Amsterdam betaald.
Als de werknemer voortijdig stopt met de studie zonder dat op dat moment het diploma is behaald terwijl de arbeidsovereenkomst voortduurt, heeft de werkgever het recht de tot dan toe betaalde studiekosten bij de werknemer in rekening te brengen.
Indien de arbeidsovereenkomst eindigt op jouw initiatief binnen een jaar na het afronden van je EVC-traject, of van rechtswege dan wel het dienstverband op grond van een dringende reden zoals omschreven in artikel 7: 678 BW (ontslag op staande voet) wordt beëindigd, ben je verplicht het bedrag aan Stichting Inspire Amsterdam terug te betalen. Dit zal naar rato van het lopende jaar zijn, welke in gaat op de dag dat je de opleiding hebt afgerond.
Ik verzoek je vriendelijk om – als je dit aanbod aanvaardt – deze brief binnen vijf werkdagen, voorzien van jouw handtekening aan mij te retourneren.”
[eiser] heeft de brief niet voor akkoord ondertekend.
2.5.
Bij beoordeling van 5 november 2024 zijn niet alle domeinen van het EVC-traject als voldoende beoordeeld, waardoor het traject niet door [eiser] kon worden afgerond. Om deze domeinen alsnog te behalen, diende [eiser] een aanvullend EVC-traject te volgen.
2.6.
In de eerste maanden van 2025 is de samenwerking tussen partijen onder druk komen te staan, wat is uitgemond in een arbeidsconflict. [eiser] heeft zich op 12 maart 2025 ziekgemeld als gevolg van dit conflict.
2.7.
Tijdens de ziekteperiode is [eiser] voor eigen rekening een tweede EVC-traject begonnen.
2.8.
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 30 juni 2025 van rechtswege geëindigd.
2.9.
Inspire heeft een eindafrekening opgemaakt. Inspire heeft de door haar betaalde studiekosten van € 1.929,95 op de eindafrekening ingehouden. Verder heeft Inspire geen openstaande vakantie-uren uitbetaald, maar een bedrag aan min-uren ingehouden.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, na wijziging van de vordering, dat Inspire bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling van:
  • een schadevergoeding van € 7.500,- wegens het in strijd handelen met goed werkgeverschap,
  • € 1.320,- bruto achterstallig loon tijdens ziekte,
  • € 2.231,10 bruto aan 85 wel opgebouwde, maar niet genoten vakantie-uren,
  • € 1.929,95 aan ingehouden studiekosten,
  • de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over alle gevorderde (loon)bedragen,
  • de wettelijke rente over de som van voornoemde bedragen,
  • € 807,54 aan buitengerechtelijke kosten, met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot de dag van betaling,
  • de proceskosten, met wettelijke rente.
3.2.
Inspire voert verweer tegen de vorderingen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze zaak moet worden beoordeeld of Inspire als oud-werkgever van [eiser] nog bedragen aan haar moet betalen. De vorderingen van [eiser] zullen hierna achtereenvolgens worden beoordeeld.
Schadevergoeding
4.2.
[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat Inspire zich niet heeft gedragen als een goed werkgever en daarom op grond van artikel 7:611 BW Pro schadevergoeding aan haar moet betalen. [eiser] stelt daartoe in de eerste plaats dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na 30 juni 2025 zou zijn voortgezet als Inspire zich als goed werkgever zou hebben gedragen.
4.3.
[eiser] wordt in dit standpunt niet gevolgd. Het stond Inspire vrij om de arbeidsovereenkomst al dan niet te verlengen. Dat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet als gevolg van verwijtbaar handelen van of discriminatie door Inspire is geenszins gebleken.
4.4.
[eiser] legt aan haar vordering ook ten grondslag dat zij inkomensschade heeft doordat Inspire weigerde de formulieren voor haar tweede EVC-traject te ondertekenen. Hiertegen heeft Inspire aangevoerd dat zij de formulieren niet kon aftekenen zolang [eiser] geen actuele werkzaamheden uitvoerde, omdat Inspire de formulieren dan in strijd met de waarheid zou invullen.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] niet toewijsbaar is. [eiser] heeft tijdens haar ziekte op eigen initiatief besloten het EVC-traject opnieuw te starten. Gesteld noch gebleken is dat zij dit in overleg met Inspire heeft gedaan of dat zij de rechten en verplichtingen over en weer met Inspire heeft afgestemd. Bovendien heeft Inspire aangevoerd dat zij dit nieuwe EVC-traject niet zomaar kon aftekenen op basis van werkzaamheden die [eiser] vóór maart 2025 had verricht, maar dat zij als werkgever op basis van werkervaring de competenties van [eiser] voor dit tweede EVC-traject opnieuw diende te beoordelen. Dat kon Inspire niet, omdat [eiser] ziek thuis zat. Dit standpunt komt de kantonrechter niet onlogisch voor, aangezien het eerste EVC-traject als onvoldoende was beoordeeld. Het ligt dan voor de hand dat [eiser] niet dezelfde competenties zonder nadere toetsing door Inspire kan laten aftekenen in een nieuw traject. Aldus is niet gebleken dat Inspire zich niet als goed werkgever heeft gedragen, zodat vergoeding van inkomensschade – voor zover die al vast zou komen te staan – niet aan de orde is. De vordering op dit punt wordt afgewezen.
Achterstallig loon tijdens ziekte (onregelmatigheidstoeslag)
4.6.
Tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid kreeg [eiser] haar bruto basisloon van € 4.096,- doorbetaald. Volgens [eiser] moest Inspire op grond van de CAO ook de maandelijks gemiddeld ontvangen onregelmatigheidstoeslag, berekend over de 12 maanden vóór de ziekmelding, doorbetalen.
4.7.
Inspire betwist dit en voert aan dat – als de onregelmatigheidstoeslag al moet worden doorbetaald – het gaat om het maandelijkse gemiddelde berekend over de afgelopen 3 maanden voor de ziekmelding.
4.8.
In de CAO staat het volgende:
“6.12 Onregelmatigheidstoeslag
A.
(…)
3. (…) Een werknemer die structureel onregelmatig werkt ontvangt een onregelmatigheidstoeslag bij de opname van verlof dat de werknemer op grond van de cao krijgt. De onregelmatigheidstoeslag wordt berekend over de periode van 3 maanden voorafgaand aan de maand waarin de eerste dag van het verlof valt. Bij ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschaps- en bevallingsverlof gelden de bepalingen van artikel 7.9.
(…)
7.9
Loondoorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid
A. De werknemer die wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschap of bevalling, geheel of gedeeltelijk verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, heeft voor de duur hiervan, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, recht op loondoorbetaling van het (gemiddelde) loon van:
1. 100% gedurende een tijdvak van 52 weken,
(…)
C. Onder het (gemiddelde) loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan het naar tijdruimte vastgestelde brutoloon zoals bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW Pro. Dit gemiddelde loon wordt afgeleid van de som van:
1. Het salaris zoals dit is gedefinieerd in artikel 0.1 f.2 dat de werknemer geniet op het moment dat de arbeidsongeschiktheid ontstaat.
2. De overige uitbetaalde structurele looncomponenten. De hoogte van deze structurele looncomponenten wordt op maandbasis gemeten over een periode van drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de verhindering is ingetreden. Indien sprake is van wisselende inkomsten worden de structurele looncomponenten gemeten over een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de maand waarin de verhindering is opgetreden. (…)”
4.9.
Uit deze CAO-bepalingen kan worden afgeleid dat een werknemer die structureel onregelmatig werkt bij ziekte of arbeidsongeschiktheid aanspraak kan maken op loondoorbetaling van de onregelmatigheidstoeslag volgens de bepalingen van artikel 7.9. Dat [eiser] structureel een onregelmatigheidstoeslag ontving is niet betwist en blijkt ook uit de loonstroken die [eiser] heeft overgelegd. Vervolgens volgt uit artikel 7.9 dat de hoogte van de door te betalen onregelmatigheidstoeslag op maandbasis moet worden gemeten over een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de verhindering, als het gaat om wisselende inkomsten. Van dat laatste is onbetwist sprake, omdat [eiser] iedere maand verschillende bedragen aan onregelmatigheidstoeslag kreeg uitgekeerd.
4.10.
Dat betekent dat het standpunt van [eiser] wordt gevolgd. Inspire heeft de berekening van [eiser] niet betwist, waardoor een bedrag van € 1.320,- bruto aan achterstallig loon tijdens ziekte toewijsbaar is.
Niet genoten vakantie-uren
4.11.
Inspire heeft bij conclusie van antwoord berekeningen van de opname van de vakantie-uren en de min-uren overgelegd, die zij op de mondelinge behandeling heeft toegelicht. Uit de toelichting van Inspire volgt dat [eiser] in het jaar 2023 78 uren te veel vakantie heeft opgenomen. Daarvan is 36 uur teruggewerkt als overuren, waardoor een min-tegoed van 42 uur bleef bestaan. Deze 42 uur is in mindering gebracht op het vakantiesaldo van 2024, waardoor dit saldo nog 136 uur bedroeg. [eiser] heeft in 2024 echter 188 uur vakantie opgenomen. Hierdoor zijn 52 uur teveel opgenomen, die in mindering zijn gebracht op het vakantiesaldo van 2025 (berekend tot de einddatum 30 juni 2025), waardoor dit saldo nog 33 uur bedroeg. Ten slotte heeft [eiser] in januari, februari en maart 2025 in totaal 44 contracturen minder gewerkt. Dat maakt dat het totaal uitkomt op 11 min-uren.
4.12.
[eiser] heeft het voorgaande niet inhoudelijk betwist. Het moet er daarom voor worden gehouden dat Inspire de min-uren terecht heeft verrekend met de vakantie-uren. De vordering van [eiser] is op dit punt niet toewijsbaar.
Inhouden studiekosten
4.13.
Niet in geschil is dat [eiser] het EVC-traject niet met succes heeft afgerond. Ook niet in geschil is dat [eiser] het aanvullende EVC-traject zoals dat bij de beoordeling van 5 november 2024 werd aanbevolen, niet heeft gevolgd. Er is dus sprake van de situatie als bedoeld onder 2. van het studiekostenbeding: [eiser] is voortijdig gestopt met de studie zonder dat op dat moment het diploma is behaald terwijl de arbeidsovereenkomst daarna nog - tot 30 juni 2025 - heeft voortgeduurd.
4.14.
Het studiekostenbeding bepaalt dat in de situatie als hierboven beschreven, Inspire het recht heeft om de tot dan toe betaalde studiekosten bij [eiser] in rekening te brengen. Inspire heeft dat gedaan door deze kosten in te houden op de eindafrekening.
4.15.
De criteria met betrekking tot de baatperiode en de glijdende schaal zijn in dit geval niet aan de orde, omdat er geen sprake is van (succesvolle) afronding van de opleiding en Inspire dus geen daadwerkelijk profijt heeft kunnen genieten van de opleiding.
4.16.
Dat [eiser] de brief van 1 juli 2024 met daarin het studiekostenbeding niet voor akkoord heeft ondertekend, doet aan het voorgaande niet af. Nergens blijkt immers uit dat [eiser] niet akkoord was met het studiekostenbeding. Zij heeft geen bezwaar gemaakt tegen het voorgestelde studiekostenbeding en zij heeft de studie ook na 1 juli 2024 voortgezet.
4.17.
De conclusie is dat Inspire de studiekosten terecht heeft ingehouden op de eindafrekening. De vordering van [eiser] op dit punt is niet toewijsbaar.
Wettelijke rente
4.18.
Op grond van het voorgaande is in deze procedure in totaal een bedrag van € 1.320,- bruto toewijsbaar. Over dit bedrag moet Inspire de wettelijke rente betalen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van algehele betaling.
Wettelijke verhoging
4.19.
Inspire heeft de onregelmatigheidstoeslag tijdens ziekte niet doorbetaald aan [eiser] omdat zij, zoals hiervoor toegelicht, een andere lezing van de CAO hanteerde. De kantonrechter volgt deze lezing niet, maar gelet op de onduidelijkheid in de CAO is het standpunt van Inspire niet onredelijk te achten. In ieder geval heeft Inspire ook op de zitting toegelicht dat er aan haar zijde geen sprake is van betalingsonwil. Om deze reden bestaat er geen aanleiding om de vordering te verhogen met wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro.
Buitengerechtelijke kosten
4.20.
De geëiste vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht ter incassering van de onregelmatigheidstoeslag is gesteld noch gebleken. In de door [eiser] overgelegde correspondentie tussen (de gemachtigden van) partijen wordt hieraan niet gerefereerd.
Proceskosten
4.21.
Omdat beide partijen gedeeltelijk (on)gelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Inspire tot betaling van € 1.320,- bruto achterstallig loon tijdens ziekte, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2025 tot de dag van algehele voldoening,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.