De zaak betreft een arbeidsconflict tussen [eiser], maatschappelijk werker bij Stichting Inspire Amsterdam, en haar werkgever. [Eiser] startte in 2024 een EVC-opleidingstraject waarvan de kosten door Inspire werden betaald, maar zij rondde dit traject niet succesvol af. Tijdens ziekte in 2025 begon zij een aanvullend traject op eigen initiatief. De arbeidsovereenkomst eindigde op 30 juni 2025.
[Eiser] vorderde onder meer een schadevergoeding wegens schending van goed werkgeverschap, achterstallig loon inclusief onregelmatigheidstoeslag tijdens ziekte, betaling van niet-genoten vakantie-uren en terugbetaling van ingehouden studiekosten. Inspire verweerde zich met verwijzing naar het studiekostenbeding en de CAO-bepalingen.
De kantonrechter oordeelde dat Inspire terecht de studiekosten mocht inhouden omdat het EVC-traject niet succesvol werd afgerond en het aanvullende traject niet werd gevolgd. De vordering tot schadevergoeding wegens goed werkgeverschap werd afgewezen omdat geen verwijtbaar handelen was vastgesteld. Wel werd de vordering tot betaling van achterstallig loon inclusief onregelmatigheidstoeslag toegewezen, omdat de CAO voorschrijft dat bij wisselende inkomsten het gemiddelde over twaalf maanden moet worden gehanteerd. De vordering tot betaling van niet-genoten vakantie-uren werd afgewezen vanwege correcte verrekening met min-uren.
De wettelijke rente werd toegewezen over het achterstallige loon, maar de wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.