Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Amsterdam
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bewonersparkeervergunning die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat het maximale aantal parkeervergunningen voor het adres was bereikt, mede doordat eiser beschikte over een stallingsplaats die volgens het college niet als zodanig kon worden afgetrokken.
Eiser had een tussenwand geplaatst in zijn bergruimte, waarvan de vraag centraal stond of deze aard- en nagelvast was en daarmee niet als stallingsplaats kon worden meegeteld. Eiser verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin een vergelijkbare situatie speelde en waar een vergunning werd toegekend.
De rechtbank oordeelde dat het college in het bestreden besluit niet is ingegaan op het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel en de relevante eerdere uitspraak, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek. Daarom werd het besluit vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter L.H. Waller op 27 mei 2026.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bewonersparkeervergunning wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.