De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft op 22 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker bezwaar maakt tegen de intrekking van zijn Nederlanderschap door de minister van Justitie en Veiligheid. Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om hem te behandelen als Nederlander totdat op het bezwaar is beslist.
De intrekking van het Nederlanderschap is gebaseerd op een wettelijke bepaling die de rechtbank eerder onverbindend heeft verklaard wegens strijd met internationaal en Unierecht. Dit geeft verzoeker een redelijke kans van slagen in de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van spoedeisend belang omdat het Nederlanderschap per direct is ingetrokken en het bezwaar geen schorsende werking heeft.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, met opschorting van de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit. Verzoeker wordt behandeld als Nederlander tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Tevens werd verzoeker vrijgesteld van griffierecht en kreeg hij een proceskostenvergoeding van € 934,- toegewezen, te betalen door de minister.