Op 11 februari 2025 werd verdachte betrapt met diverse goederen in een woning te Amsterdam, waarvan werd vermoed dat deze bestemd waren voor de bereiding van MDMA, amfetamine of cocaïne. Verdachte werd beschuldigd van het voorhanden hebben van deze goederen en van het bezit van 5,32 gram cocaïne.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte de feitelijke macht had over de voorbereidingsmiddelen, mede omdat niet kon worden vastgesteld dat hij in de woning woonde en de DNA- en vingerafdruksporen niet aantonen dat hij wist wat er in de zakken zat. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het eerste feit.
Voor het tweede feit, het bezit van cocaïne, werd verdachte veroordeeld op basis van zijn bekentenis en forensisch bewijs. Gezien zijn strafblad, problematisch middelengebruik en verstandelijke beperking, koos de rechtbank voor een milde straf van één dag gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, rekening houdend met een eerdere veroordeling en het belang van een spoedige behandeling.
De rechtbank wees tevens een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af, omdat dit de start van de begeleiding door de reclassering zou vertragen. De in beslag genomen goederen werden onttrokken aan het verkeer.