ECLI:NL:RBAMS:2026:5174

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
12022975 \ CV EXPL 25-17628
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herroeping
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 382 RvArt. 383 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herroeping vonnis ontruiming wegens ontbreken causaal verband met vermeende valse stukken

In deze civiele procedure vordert eiser herroeping van een eerder vonnis waarin zij werd veroordeeld tot ontruiming van gehuurde woonruimte. Eiser stelt dat het vonnis berust op valse WhatsApp-berichten die door gedaagde zijn overgelegd, en dat deze valsheid is vastgesteld via een proces-verbaal van constatering.

De kantonrechter overweegt dat herroeping van een vonnis slechts mogelijk is indien het vonnis berust op stukken waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of vastgesteld, en dat er een causaal verband moet zijn tussen de valsheid en de uitspraak. Hoewel de WhatsApp-berichten mogelijk vals zijn, is het oordeel van de kantonrechter gebaseerd op andere schriftelijke stukken, zoals een brief en e-mails tussen partijen.

Daarom ontbreekt het causaal verband en is eiser niet benadeeld door de vermeende valsheid. De vordering tot herroeping wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Gedaagde heeft geen proceskosten toegewezen gekregen omdat zij in persoon heeft geprocedeerd.

Uitkomst: De vordering tot herroeping van het vonnis wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband met vermeende valse stukken.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12022975 \ CV EXPL 25-17628
Vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 november 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 22 januari 2026,
- de conclusie van repliek, met producties,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Op 3 april 2025 heeft de kantonrechter te Amsterdam tussen partijen een vonnis gewezen met zaaknummer 11411340 \ CV EXPL 24-14858 (hierna: het vonnis). In die zaak heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de door haar van [gedaagde] gehuurde woonruimte. In het vonnis staat, voor zover van belang, het volgende:
2.De feiten
(…)
2.3.
Op 31 juli 2024 heeft [gedaagde] bij brief het volgende aan [eiser] kenbaar gemaakt: “Zoals al aangekondigd via Whatsapp op 11 juni 2024 zeg ik onze huurovereenkomst op per 1 november 2024. Mocht je eerder andere woonruimte vinden dan kan je met een opzegtermijn van 1 maand onze huurovereenkomst zelf opzeggen. Ik hoop zeer dat je snel een vervangende woonruimte vindt.”
2.4.
Op 11 augustus 2024 heeft [gedaagde] het volgende gemaild aan [eiser]: “Kan je nog even via de mail bevestigen dat je de huuropzegging hebt gelezen eb de studio schoon en leeg oplevert op 1 november 2024?”
2.5.
Op 14 augustus 2024 heeft [eiser] het volgende geantwoord: “Ik heb het gelezen en geef hierbij aan dat de studio op of voor die datum leeg en schoon is opgeleverd.”
(…)
4. De beoordeling
(…)
“2.2. De kernvraag is of [eiser] met de huuropzegging van [gedaagde] heeft ingestemd. Bij beantwoording van deze vraag gaat het om de uitleg van de e-mail van 14 augustus 2024 van [eiser]. Bij deze uitleg komt het niet alleen aan op de taalkundige uitleg van de in de e-mail gekozen bewoordingen, maar tevens op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs daaraan en aan elkaars gedragingen en verklaringen over en weer mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.
4.2.
In de e-mail van 14 augustus 2024 bevestigt [eiser] aan [gedaagde] dat zij de huuropzegging heeft gelezen en het gehuurde op 1 november 2024 leeg en schoon zal opleveren. Dit kan taalkundig gezien niet anders worden uitgelegd dan dat [eiser] ondubbelzinnig met de beëindiging van de huur heeft ingestemd. [eiser] heeft ter zitting in dat kader weliswaar aangevoerd dat de e-mail moet worden gelezen in de context van het gesprek tussen partijen en dat zij in de periode rondom het versturen van die e-mail meermaals via WhatsApp bezwaar heeft gemaakt tegen de beëindiging, maar zij heeft nagelaten dit met stukken te onderbouwen. Nu [gedaagde] dit gemotiveerd heeft weersproken, gaat de kantonrechter daaraan voorbij.
4.3.
[eiser] heeft geen andere feiten en omstandigheden naar voren gebracht die voor een andere dan de taalkundige uitleg van de e-mail pleiten. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat [eiser] ten tijde van het verzenden van de e-mail op 14 augustus 2024 instemde met het eindigen van de huur op 1 november 2024 en dat [gedaagde] daarop ook mocht vertrouwen. (…)”
2.2.
[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd, voornoemd vonnis te herroepen en de zaak in volle omvang te heropenen.
2.3.
[eiser] stelt daartoe dat [gedaagde] in de procedure die tot het vonnis heeft geleid, screenshots heeft overgelegd van tussen partijen op 11 en 28 juni 2024 gestuurde WhatsApp-berichten. Daarbij verwijst [eiser] naar haar productie 3 bij de dagvaarding. Het vonnis van de kantonrechter berust op die stukken. [eiser] heeft op 18 augustus 2025 een proces-verbaal van constatering van 12 augustus 2025 van een deurwaarder ontvangen. Daaruit blijkt dat die WhatsApp berichten niet kunnen hebben bestaan. Het vonnis berust dus op valse stukken en moet daarom herroepen worden.
2.4.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering.
2.5.
[eiser] baseert haar vordering op artikel 382 aanhef Pro en onder b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waarin is bepaald dat een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan kan worden herroepen indien het vonnis berust op stukken waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld. Bij de beantwoording van de vraag of er een grondslag bestaat om het bestreden vonnis te herroepen stelt de kantonrechter voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een rechtsstrijd tussen partijen binnen een afzienbare termijn ten einde moet komen. Om die reden kan een onjuist geachte uitspraak in beginsel niet anders dan door het aanwenden van een normaal rechtsmiddel worden aangetast. Wanneer zo’n rechtsmiddel niet wordt aangewend is de uitspraak onherroepelijk en bindt deze de betrokken partijen. Slechts in die gevallen waarin dit leidt tot een ernstige inbreuk op de rechtvaardigheid, staat het uitzonderlijke rechtsmiddel van herroeping open.
2.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan het vereiste dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, is voldaan. Evenmin is in geschil dat [eiser] haar vordering binnen de in artikel 383 Rv Pro gestelde termijn heeft ingesteld. Vervolgens moet beoordeeld worden of sprake is van de door [eiser] gestelde herroepingsgrond.
2.7.
Voor herroeping op grond van valsheid van stukken moet er een causaal verband zijn tussen die valse stukken en de twijfel over de juistheid van het oordeel in de uitspraak. Het moet aannemelijk zijn dat de rechter bij kennis van de valsheid van de stukken anders zou hebben beslist. Daarvoor is voldoende dat de valsheid van de stukken van dien aard is dat het de uitspraak of de totstandkoming daarvan heeft beïnvloed en aldus [eiser] in enig opzicht is benadeeld.
2.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet het geval. Ook als de WhatsApp-berichten van 11 juni en 28 juni 2024 vals zouden zijn, zoals [eiser] meent, dan ook was de beslissing van de kantonrechter hetzelfde geweest. Het oordeel van de kantonrechter is namelijk gebaseerd op de brief van [gedaagde] van 31 juli 2024 (zie feit 2.3. van het vonnis), de e-mail van [gedaagde] van 11 augustus 2024 (zie feit 2.4.) en het antwoord van [eiser] daarop, vervat in de e-mail van 14 augustus 2024 (zie feit 2.5.). Dat betekent dat het oordeel van de kantonrechter niet gebaseerd is op de WhatsApp-berichten van 11 en 28 juni 2024 zodat het oorzakelijk verband ontbreekt en [eiser] niet is benadeeld. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen.
2.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op nihil omdat zij in persoon heeft geprocedeerd.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde], tot heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Sissing, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
58984