Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.Deze zaak in het kort
2.Het verdere verloop van de procedure
het tussenvonnis),
3.Feiten
4.Het geschil
5.De verdere beoordeling
“Daarbij dient [gedaagde] er rekening mee te houden dat hij ook voor die verklaring de verplichting van artikel 476b Rv heeft, dat zijn verklaring op de waarheid berust en de inhoud ervan waar mogelijk moet worden onderbouwd met schriftelijke stukken waaruit de juistheid van de inhoud van de verklaring blijkt.”[gedaagde] heeft desondanks zijn gerechtelijke verklaring niet onderbouwd met stukken. Dat hierover niets is opgenomen in het dictum (‘6. de beslissing’) ontslaat [gedaagde] niet van deze wettelijke verplichting. De rechtbank heeft [gedaagde] in het tussenvonnis uitdrukkelijk op de wettelijke verplichting gewezen. Er ontbreekt ook een duidelijke toelichting bij de gerechtelijke verklaring van [gedaagde] .
“(…) Het Geldbedrag blijft de volle eigendom van [naam 3] , die daarover te allen tijde geheel of gedeeltelijk zal kunnen beschikken. (…)”Hierin leest de rechtbank juist een aanwijzing dat het in bewaring gegeven bedrag van [naam 3] in privé was. De herkomst van dit geldbedrag is dus nog steeds onduidelijk.
“De kosten die in dat geval nodeloos zijn veroorzaakt, worden voor zijn rekening gebracht.”).
“het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte”. [8] Dat hij zich niet heeft gehouden aan dit bevel komt voor zijn rekening en risico. [9] Het bedrag van € 246.909,52 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2024 en de kosten dient [gedaagde] aan de beslagleggende deurwaarder over te maken. De rechtbank wijst daarom de vordering van [eiser] onder II toe zoals vermeld in de beslissing.