Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5254

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
13/327318-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte betrokkenheid bij explosieve constructie en brandstichting in Aalsmeer

Op 26 oktober 2025 vond een ontploffing plaats bij een woning in Aalsmeer door een geïmproviseerde explosieve constructie, waarbij brand ontstond aan de voordeur. Kort na de ontploffing werd een medeverdachte aangehouden die bekend heeft de explosieve constructie te hebben geplaatst en afgestoken. Verdachte werd verdacht van medeplegen of medeplichtigheid, mede op basis van het gebruik van een auto van zijn vriendin nabij de plaats delict en het gebruik van een Snapchat-account gekoppeld aan zijn IP-adres.

De officier van justitie vorderde een bewezenverklaring van medeplegen en bezit van de explosieve constructie. De verdediging betoogde vrijspraak en vroeg bij bewezenverklaring om aanhouding voor nader onderzoek van GPS-brondata. De rechtbank onderzocht de betrouwbaarheid van het bewijs, waaronder historische telefoongegevens, GPS-gegevens van de auto en het Snapchat-account.

De rechtbank constateerde onbetrouwbaarheid in de historische telefoongegevens door onverklaarbare inconsistenties en ontbrak bronmateriaal. GPS-gegevens toonden wel aanwezigheid van de auto nabij de plaats delict, maar er was geen bewijs dat verdachte de auto bestuurde of erin zat. De koppeling van verdachte aan het Snapchat-account was onvoldoende onderbouwd. Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partijen vorderden immateriële schadevergoeding, maar de rechtbank verklaarde hen niet-ontvankelijk vanwege de vrijspraak. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven en de benadeelde partijen werden veroordeeld in de kosten van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij de explosieve constructie en brandstichting.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/327318-25
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.N. Hoek, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de advocate, mr. S.C. van Bunnik, namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] over hun vorderingen naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 26 oktober 2025 in Aalsmeer heeft schuldig gemaakt aan
feit 1:
(primair)het medeplegen van het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander is te duchten, dan wel
(subsidiair)de medeplichtigheid daaraan;
feit 2:
het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van een geïmproviseerde explosieve constructie en/of een explosieve/brandbare substantie.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vrijspraak

3.1.
Inleiding
Op 26 oktober 2025 heeft er bij de woning aan het adres [adres] als gevolg van het aansteken van een geïmproviseerde explosieve constructie een ontploffing plaatsgevonden. Hierdoor heeft de voordeur van die woning in brand gestaan, welke uiteindelijk door de buurtbewoners is geblust. Kort na de ontploffing heeft de politie een medeverdachte aangehouden. Deze medeverdachte heeft bekend de explosieve constructie te hebben geplaatst en die te hebben laten afgaan. Uit onderzoek aan zijn telefoon is gebleken dat hij rond het tijdstip van de ontploffing in contact stond met de Snappchat-gebruiker “ [gebruikersnaam] ”. Die Snappchat-gebruiker zou de medeverdachte hebben aangestuurd en het plan zou zijn geweest om hem na de ontploffing met een personenauto op te halen.
Uit nader politieonderzoek is verder gebleken dat bij het aanmaken van voornoemd Snappchat-account gebruik is gemaakt van het IP-adres van de woning van verdachte, dat bij het inloggen op dat Snappchat-account op 30 oktober 2025 ook gebruik is gemaakt van datzelfde IP-adres en dat de auto met het kenteken [kenteken] , die op naam staat van de vriendin van verdachte, op 26 oktober 2025 nabij de plaats delict is geweest. Dit is de auto waarmee de medeverdachte naar de plaats delict is gebracht en waarmee hij na de ontploffing zou worden opgehaald.
Op grond van het voorgaande is tegen verdachte de verdenking gerezen dat hij betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten en zich als medepleger of medeplichtige daaraan schuldig heeft gemaakt.
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feit op gronden als nader weergegeven in haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir. Kort samengevat heeft zij aangevoerd dat de omstandigheden dat de auto van de vriendin van verdachte – waarvan verdachte gebruikmaakt – op 26 oktober 2025 nabij de plaats delict is geweest, de telefoon van verdachte in ieder geval kort na de ontploffing zich bij die auto bevond en de Snapchat-gebruiker [gebruikersnaam] aan verdachte kan worden gekoppeld, in onderling samenhang bezien, maken dat kan worden bewezen dat verdachte zich aan het onder 1 tenlastegelegde feit heeft schuldig gemaakt. De rol van verdachte daarbij is veel groter dan het enkel behulpzaam zijn, zodat hij als medepleger kan worden aangemerkt.
Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde feit ook kan worden bewezen. Verdachte heeft de medeverdachte immers naar de plaats delict vervoerd, waardoor hij de geïmproviseerde explosieve constructie ook voorhanden heeft gehad.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft op gronden als nader weergegeven in zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota vrijspraak betoogd van de tenlastegelegde feiten.
De raadsman heeft, in het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en opdracht te geven het bronmateriaal van de GPS-gegevens van de auto aan het dossier te laten voegen.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank
Niet ter discussie staat dat op 26 oktober 2025 bij de woning aan het adres [adres] door middel van een geïmproviseerde explosieve constructie opzettelijk een ontploffing teweeg is gebracht en brand is gesticht. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte daarbij als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest. Zij overweegt daartoe als volgt.
De historische gegevens van het telefoonnummer van verdachte
In het strafdossier bevindt zich een proces-verbaal met de historische gegevens van het telefoonnummer van verdachte van rondom de datum en het tijdstip van de ontploffing (p. 1117). Over deze historische gegevens is door de politie in een aanvullend proces-verbaal geverbaliseerd dat kan worden verondersteld dat de vermelding om 00:52:14 uur (in Almelo) een omissie is in het systeem van de provider. In het proces-verbaal wordt echter geen oorzaak of verklaring gegeven voor deze omissie.
De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat uit het proces-verbaal met historische gegevens volgt dat de telefoon van verdachte op 26 oktober 2025 om 22:00:35 uur een zendmast heeft aangestraald aan de [adres] en nog geen drie minuten later een zendmast aan de [adres] . Met de auto bedraagt de afstand tussen deze twee locaties ongeveer 20 minuten; verdachte kan dus onmogelijk op beide locaties zijn geweest binnen een tijdsbestek van drie minuten. Verder vermelden de historische gegevens dat de telefoon van verdachte op 26 oktober 2025 om 18:34:50 uur een zendmast heeft aangestraald aan de [adres] en vervolgens om 18:48:02 uur, ongeveer 14 minuten later, een zendmast aan de [adres] heeft aangestraald. Met de auto bedraagt de afstand tussen deze twee locaties ongeveer één uur. Ook hier geldt dat verdachte onmogelijk op beide locaties kan zijn geweest binnen een tijdsbestek van 14 minuten.
Gelet op de hoeveelheid aan onjuistheden in de historische gegevens is de rechtbank van oordeel dat zij er niet zonder meer vanuit kan gaan dat alle overige gegevens wel juist zijn. Daarmee acht zij deze gegevens onbetrouwbaar. In dat oordeel weegt de rechtbank mee dat er geen oorzaak of verklaring is gegeven voor die onjuistheden en er geen brongegevens aan het dossier zijn gevoegd, ook niet nadat de politie een omissie heeft geconstateerd. Hierdoor kan de rechtbank de onjuistheid van de gegevens niet verklaren en de eventuele juistheid van de overige gegevens niet controleren. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de historische gegevens van de telefoon van verdachte niet kan gebruiken voor het bewijs.
GPS gegevens van de auto met kenteken [kenteken]
Het strafdossier bevat GPS gegevens van de auto met voornoemd kenteken waaruit volgt dat de auto rondom het tijdstip van de ontploffing nabij de plaats delict in Aalsmeer is geweest. Uit het dossier volgt evenwel niet dat verdachte degene is geweest die de auto heeft bestuurd of in die auto heeft gezeten vanaf 20:33 uur. Verdachte is niet in de auto gezien en er is verder geen wettig bewijs voorhanden dat hem rondom het tijdstip van de ontploffing in de auto, en dus nabij de plaats delict, plaatst. Dat verdachte twee dagen eerder in die auto is gezien en met die auto op 26 oktober 2025 naar Amsterdam is gereden, is daarvoor niet redengevend. Het scenario dat verdachte de auto op 26 oktober 2025 rond 19:00 uur heeft uitgeleend aan iemand anders, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, is bij gebrek aan betrouwbaar bewijs waaruit iets anders volgt, daarmee ook niet weerlegd.
Snappchataccount [gebruikersnaam]
Verder is niet komen vast te staan dat verdachte de gebruiker is geweest van het Snappchataccount [gebruikersnaam] . De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat een account slechts tweemaal gebruik heeft gemaakt van een IP-adres dat terug te herleiden is tot de woning van verdachte, terwijl niet bekend is op welke telefoon dat account werd gebruikt en er verder geen enkele identificerende gegevens zijn gevonden die hem koppelen aan dat account, onvoldoende is om verdachte als gebruiker van dat account te koppelen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan verdachte niet als de gebruiker van het Snapchat-account [gebruikersnaam] worden aangemerkt, kan niet worden vastgesteld dat hij rondom het tijdstip van de ontploffing in de auto met het kenteken [kenteken] heeft gezeten en volgt uit het strafdossier geen andere vorm van betrokkenheid van verdachte aan de tenlastegelegde feiten. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de tenlastegelegde feiten niet kunnen worden bewezen en spreekt zij verdachte daarvan vrij.
Het voorwaardelijk verzoek
Nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het tenlastegelegde behoeft het voorwaardelijke verzoek van de raadsman geen verdere bespreking.

4.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van € 4.000 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 2.500 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. In geval van vrijspraak kan een vordering tot schadevergoeding niet worden toegewezen. De rechtbank verklaart de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.
Veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Deze beslissing is gegeven door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en J.J. Prins, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2026.