Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5299

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
AMS 25/7351
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:49 AwbArt. 8 EVRMArt. 9 WvoArt. 2 Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verklaring van geen bezwaar wegens strafbare feiten en risico op onbetrouwbare uitoefening vertrouwensfunctie

Eiser werkte als horecamedewerker in het beveiligde deel van luchthaven Schiphol, een vertrouwensfunctie waarvoor een verklaring van geen bezwaar vereist is. De minister trok deze verklaring in op grond van een veiligheidsonderzoek waaruit bleek dat eiser was veroordeeld voor opzetheling en gewoonteheling, wat volgens de minister niet verenigbaar is met de vertrouwensfunctie.

Eiser stelde dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid, onvoldoende gemotiveerd en dat er geen belangenafweging was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat de minister de zienswijze van eiser wel degelijk had betrokken, dat de motivering voldoende was en dat de belangenafweging tussen nationale veiligheid en het belang van eiser zorgvuldig was gemaakt.

De strafbare feiten van eiser waren relatief recent en ernstig, waaronder een taakstraf van 40 uur voor opzetheling. Ook zijn eerdere justitiële contacten en zijn kwetsbare positie door schuldsanering werden meegewogen. Dit leidde tot het oordeel dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat eiser zijn vertrouwensfunctie niet betrouwbaar zal uitoefenen.

Verder oordeelde de rechtbank dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat de intrekking wettelijk is voorzien en noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat hij niet in een vertrouwensfunctie kan blijven werken en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verklaring van geen bezwaar wegens het onaanvaardbare risico dat eiser zijn vertrouwensfunctie niet betrouwbaar kan uitoefenen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/7351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S.V. Ramdihal),
en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verklaring van geen bezwaar van eiser, die benodigd is om vertrouwensfuncties op luchthaven Schiphol uit te oefenen. Eiser is het niet met de intrekking eens. De rechtbank komt in deze uitspraak echter tot het oordeel dat de minister op goede gronden de verklaring van geen bezwaar heeft ingetrokken. Op Schiphol zijn er veel mogelijkheden, om al dan niet onder invloed van derden, voor eigen gewin de wet te overtreden. Gelet op onder andere de strafbare feiten die eiser heeft gepleegd, is er een onaanvaardbaar risico dat eiser zijn vertrouwensfunctie niet op een betrouwbare manier zal uitoefenen. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser werkte als horecamedewerker in het beveiligde deel van de luchthaven Schiphol. Dit is een vertrouwensfunctie, omdat iemand in deze functie de mogelijkheid heeft om schade toe te brengen aan de nationale veiligheid. Voor een vertrouwensfunctie geldt dat iemand een verklaring van geen bezwaar moet hebben.
2.1.
Met het besluit van 16 oktober 2024 heeft de minister de verklaring van geen bezwaar van eiser ingetrokken, omdat uit een veiligheidsonderzoek naar eiser was gebleken dat eiser was veroordeeld voor opzetheling en gewoonteheling. Dit gaat volgens de minister niet samen met een vertrouwensfunctie. Met het bestreden besluit van 11 november 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

Zorgvuldige voorbereiding
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid omdat eisers zienswijze bij het nemen van het besluit van 16 oktober 2024 wegens een termijnoverschrijding buiten beschouwing is gelaten, terwijl de termijnoverschrijding minimaal was en het besluit ingrijpende gevolgen heeft.
3.1.
Deze grond slaagt niet nu de minister de zienswijze heeft betrokken bij het bestreden besluit.
Verwijzing naar advies bezwaarschriftencommissie
4. Eiser vindt ook dat de minister niet kon volstaan met de enkele verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie veiligheidsonderzoeken. De minister moet ook zelf in het bestreden besluit kenbaar maken waarom de conclusies worden gedragen door de feiten.
4.1.
Dit betoog slaagt ook niet. Op grond van artikel 3:49 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan de minister volstaan met een verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, als dat advies de motivering van het besluit bevat en het advies ook kenbaar is voor eiser. [1] Het advies voldoet aan deze vereisten.
Aanleiding veiligheidsonderzoek
5. Eiser voert ook aan dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt welke nieuwe feiten en omstandigheden een nieuw veiligheidsonderzoek rechtvaardigden. Daarom kan niet worden vastgesteld of aan de voorwaarden van artikel 9 van Pro de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo) is voldaan.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat bij de AIVD een melding was ontvangen dat eiser met een strafbeschikking was veroordeeld voor opzetheling en schuldheling en dat daarom een hernieuwd veiligheidsonderzoek is gestart.
Motivering bestreden besluit
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Het bestreden besluit bevat slechts algemene bewoordingen en geen concrete, verifieerbare feiten of gedragingen waaruit blijkt dat er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat eiser de vertrouwensfunctie getrouwelijk zal volbrengen. Er wordt daarom geen inzicht gegeven in de aard en ernst van de vermeende risico’s, de actualiteit daarvan en het verband met de specifieke functie van eiser.
6.1.
De minister is bevoegd een verklaring van geen bezwaar in te trekken, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn, komt de minister beoordelingsruimte toe. Die ruimte heeft de minister wat de beoordeling van justitiële en strafvorderlijke gegevens betreft ingevuld met de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens (de Beleidsregel). Daarin is onder meer bepaald met welke aspecten van de aanwezige justitiële en strafvorderlijke gegevens rekening wordt gehouden en op welke soort strafbare feiten in het bijzonder wordt gelet.
6.2.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende verplichtingen op een betrouwbare manier zal uitvoeren. De minister heeft bij zijn oordeel kunnen betrekken dat eiser met een taakstraf van 40 uur een relatief zware straf opgelegd heeft gekregen. Opzetheling is ook een zwaardere vorm van heling, waarop volgens artikel 2 van Pro de Beleidsregel in het bijzonder moet worden gelet. De strafbare feiten zijn daarnaastrelatief kort geleden gepleegd, namelijk op 1 oktober 2023. Eiser heeft bovendien al eerder gestolen goederen verkocht en is voorafgaand aan de beoordelingsperiode ook al in aanraking gekomen met justitie voor schuldheling. De gemachtigde van de minister heeft er op de zitting hierbij ook op gewezen dat eiser de gestolen spullen voor iemand anders verkocht, zonder zich daarbij af te vragen waar de spullen vandaan kwamen. Daarbij is ook relevant dat eiser in de schuldsanering zit, wat eiser extra kwetsbaar maakt. Bij elkaar vormt dit een onaanvaardbaar risico voor de uitoefening van de vertrouwensfunctie, omdat er op Schiphol veel mogelijkheden zijn, om al dan niet onder invloed van derden, voor eigen gewin de wet te overtreden. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn oordeel met dit alles voldoende heeft gemotiveerd.
Belangenafweging
7. Eiser betoogt verder dat de minister geen kenbare belangenafweging heeft gemaakt tussen het belang van de nationale veiligheid en de ingrijpende gevolgen voor eiser. Daarnaast is niet gemotiveerd waarom minder ingrijpende maatregelen niet toereikend zijn. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. In het bestreden besluit is het belang van eiser om een vertrouwensfunctie te kunnen blijven uitoefenen afgewogen tegenover het belang van de nationale veiligheid. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat eiser bij dezelfde werkgever nog steeds dezelfde functie kan uitoefenen, maar dan niet in een omgeving waarvoor een verklaring van geen bezwaar nodig is. Gelet daarop, alsmede gelet op het bijzondere karakter van een vertrouwensfunctie en het belang dat toekomt aan de bescherming van de nationale veiligheid, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de nationale veiligheid zwaarder weegt dan het door eiser aangevoerde belang om een vertrouwensfunctie uit te kunnen blijven oefenen.
Artikel 8 EVRM Pro
8. Volgens eiser vormt het bestreden besluit een inmenging in het recht van eiser op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, waaronder ook zijn recht valt om arbeid te verrichten. Er is niet voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit.
8.1.
In artikel 8 van Pro het EVRM staat dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en correspondentie. Hierin is geen inmenging toegestaan, tenzij dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
8.2.
Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verboden beperking van het recht op privéleven – en, zoals eiser stelt, daarmee het recht op vrije arbeidskeuze. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat het intrekken van de verklaring van geen bezwaar door de minister is opgenomen in de Wvo en de beperking dus bij wet is voorzien. Het vereiste van de verklaring van geen bezwaar, en daarmee de beoordeling van de minister of eiser de verplichtingen die voortvloeien uit de vertrouwensfunctie getrouwelijk kan volbrengen, is verder noodzakelijk om de openbare veiligheid te beschermen. Eiser heeft tot slot niet concreet onderbouwd en ook is niet gebleken dat sprake is van strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ook na deze uitspraak niet in een vertrouwensfunctie kan werken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:329.