Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling
3.Beslissing
.
Rechtbank Amsterdam
De officier van justitie verzocht de rechtbank Amsterdam om verlenging van een crisismaatregel op grond van artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene. De mondelinge behandeling vond plaats op 18 mei 2026, waarbij betrokkene, zijn raadsman, een arts en een verpleegkundige werden gehoord. De officier van justitie was niet aanwezig omdat geen nadere toelichting werd geacht nodig.
De rechtbank beoordeelde dat de crisismaatregel alleen kan worden verlengd indien er sprake is van onmiddellijk dreigend nadeel veroorzaakt door een psychische stoornis, en dat de crisismaatregel dit nadeel kan wegnemen. Aanvankelijk bestond een vermoeden van een psychotische stoornis bij betrokkene, mogelijk in samenhang met epileptische insulten.
Tijdens de procedure bleek dat betrokkene inmiddels is gestabiliseerd, de medicatie voor epilepsie had verzuimd maar nu beter functioneert, en dat het vermoeden van een psychische stoornis niet langer bestaat. De advocaat van betrokkene voerde aan dat niet aan de wettelijke vereisten werd voldaan en dat er geen verzet tegen zorg was. De rechtbank concludeerde dat de voorwaarden voor verlenging niet zijn vervuld en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de crisismaatregel wordt afgewezen wegens het ontbreken van een psychische stoornis en het niet voldoen aan de wettelijke vereisten.